- Arrest van 28 november 2013

28/11/2013 - 2012/AB/1207

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De terugvordering van de ten onrechte betaalde financiële steun door een ocmw verjaart, overeenkomstig art. 102 van de wet van 8 juli 1976, na 5 jaar. Het betreft een werkelijke verjaringstermijn. Deze termijn kan niet, bij analogie met de cassatierechtspraak inzake de verjaring in de werkloosheidsverzekering, beschouwd worden als een termijn waarbinnen het ocmw de terugvorderingsbeslissing moet nemen, waarna een tienjarige verjaringstermijn zou openstaan voor de uitvoering van die beslissing.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.: 2013/

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 28 NOVEMBER 2013

7e KAMER

OCMW - maatschappelijke dienstverlening

tegensprekelijk

definitief

kennisgeving per gerechtsbrief (art. 580, 8°, Ger. W.)

in de zaak:

R.V.G. , appellante, vertegenwoordigd door mr. AYOUBI Dina, advocaat te 3220 HOLSBEEK, Leuvensebaan 42,

tegen:

OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN LEUVEN, met zetel te 3000 LEUVEN, A. Vesaliusstraat, 47, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. LEEMPOELS T. loco mr. VAN HOOF Johan, advocaat te 3000 LEUVEN, Bondgenotenlaan 100

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 19 november 2012 door de arbeidsrechtbank te Leuven, 2e kamer (A.R. 12/377/A),

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 14 december 2013,

de neergelegde conclusies,

het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, neergelegd ter griffie op 16 oktober 2013 door advocaat J.-J. André,

de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 10 oktober 2013, waarna de debatten werden gesloten, het openbaar ministerie zijn schriftelijk advies ter griffie heeft neergelegd, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

Mevrouw R.V.G. heeft in een periode die zich uitstrekt van 1 juni 2001 tot einde oktober 2005 diverse malen een tussenkomst genoten van het ocmw Leuven. In de periode tussen juni 2001 en maart 2002 kon zij een noodwoning betrekken, waarvoor echter een tussenkomst gevraagd werd in de verblijfskosten. Zij kon verder beroep doen op de klusjesdienst, kreeg op 23 november 2005 een persoonlijk terugvorderbaar voorschot voor de betaling van de huurwaarborg ten bedrage van 400 euro en genoot leefloon van 21 september 2005 tot en met 31 oktober 2005.

2.

Bij verzoekschrift van 7 maart 2012 vorderde het ocmw Leuven van mevrouw R.V.G.:

een saldo van 1.574,02 euro voor de persoonlijke tussenkomst in de noodwoning die haar ter beschikking werd gesteld;

de som van 28,41 euro als tussenkomst in de verstrekkingen van de klusjesdienst;

de som van 300 euro als saldo van de toegekende huurwaarborg;

de som van 556,09 euro als terugbetaling van het leefloon voor de periode van 21 september 2005 tot en met 31 oktober 2005.

3.

Bij vonnis van 19 november 2012, dat aan mevrouw R.V.G. werd ter kennis gebracht op 22 november 2012, heeft de arbeidsrechtbank te Leuven de vordering gegrond verklaard, behoudens voor wat betreft de tussenkomst in de verstrekkingen van de klusjesdienst, die als verjaard beschouwd werden. Mevrouw R.V.G. werd veroordeeld tot betaling van de som van

2.430,11 euro , te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 9 november 2006 tot 7 maart 2012 en met de gerechtelijke intresten vanaf 7 maart 2012.

4.

Bij verzoekschrift van 14 december 2012 heeft mevrouw R.V.G. beroep aangetekend tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Het is ingeleid binnen de maand na de kennisgeving van de bestreden beslissing en is aldus tijdig. Het beroep is ontvankelijk.

III. BEOORDELING.

1.

Mevrouw R.V.G. roept, zoals voor de eerste rechter, de verjaring in van de vorderingen, of toch van het grootste gedeelte daarvan. Zij verwijst daarbij naar het advies dat uitgebracht werd door het openbaar ministerie voor deze rechtbank.

Voor wat betreft de terugvordering van de tussenkomst voor de terbeschikkingstelling van een woning roept mevrouw R.V.G. de onbevoegdheid in van de arbeidsrechtbank, omdat het in feite zou gaan om de betaling van huurgelden, waarvoor alleen de vrederechter bevoegd is. Ten gronde stelt zij dat de handtekening op de overeenkomst en op de terugbetalingsverbintenis niet de hare was. Zij zou ook een aantal facturen niet ontvangen hebben en voor andere facturen de aanmaningen niet ontvangen hebben, omdat deze naar een verkeerd adres werden gezonden. Mevrouw R.V.G. voert verder aan dat zij in die periode leefloon ontving en dat, overeenkomstig artikel 13 van de overeenkomst voor een noodwoning, de verblijfskosten rechtstreeks op het leefloon zouden ingehouden worden. Ten slotte roept mevrouw R.V.G. in dat het ocmw Leuven geen sociaal verslag voorlegt, waaruit blijkt dat het vragen van een tussenkomst in de kosten van de noodwoning gerechtvaardigd was.

Voor wat betreft de tussenkomst in de huurwaarborg is mevrouw R.V.G. van mening dat het gaat om een eenmalige financiële hulp die in principe niet kan teruggevorderd worden. Financiële steun is immers, volgens haar, enkel terugvorderbaar in de situaties voorzien in de artikelen 98 en 99 van de ocmw wet. Zij stelt verder dat de verplichting de huurwaarborg terug te betalen met maandelijkse betalingen van 30 euro zo hoog was dat zij haar recht op een leven in overeenstemming met de menselijke waardigheid in het gedrang bracht.

Voor wat betreft de terugvordering van het leefloon voor de periode van 21 september 2005 tot en met 31 oktober 2005 roept mevrouw R.V.G. in de eerste plaats in dat niet vaststaat dat de beslissing van 9 maart 2006 tot terugvordering van het leefloon haar op het juiste adres betekend werd en daarom niet definitief is. Verder stelt mevrouw R.V.G. dat het ocmw Leuven niet aantoont dat zij ten onterecht leefloon ontvangen heeft voor de periode van 21 september 2005 tot 30 september 2005, omdat het ocmw niet de gegevens voorlegt (loonbrief), waar uit haar inkomen uit arbeid blijkt.

In ondergeschikte orde betwist mevrouw R.V.G. verder nog het recht op intresten omdat het ocmw Leuven de terugvordering niet binnen een redelijke termijn voor de rechter heeft gebracht. Verder vraagt zij om haar schuld te mogen afbetalen met betalingen van 75 euro per maand.

2.

Het ocmw Leuven vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis en stelt geen incidenteel beroep in tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank in zoverre dit vonnis de vordering met betrekking tot de tussenkomst in de kosten van de klusjesdienst verjaard verklaard.

De verjaring.

3.

Overeenkomstig artikel 102 van de wet van 8 juli 1976 op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn verjaren de vorderingen, bedoeld in de artikelen 98 en 99 van de wet, overeenkomstig artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek, dit wil zeggen na vijf jaar. Overeenkomstig de laatste alinea van deze bepaling kunnen deze verjaringen gestuit worden door een aanmaning gedaan bij een ter post aangetekende brief, hetzij tegen ontvangstbewijs.

Deze laatste alinea doet geen afbreuk aan de andere vormen van stuiting van de verjaring, zoals deze door het Burgerlijk Wetboek voorzien zijn, en met name de erkenning van schuld.

Overeenkomstig artikel 29, § 1 en 24, § 1 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie verjaart de vordering tot terugbetaling van het onverschuldigd betaalde leefloon eveneens overeenkomstig artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek. Ook deze verjaring kan gestuit worden door een aanmaning gedaan, hetzij bij een ter post aangetekende brief hetzij tegen ontvangstbewijs.

4.

Anders dan de eerste rechter oordeelde kan de termijn, voorzien door artikel 102 van de wet van 8 juli 1976, niet bij analogie met wat het geval is in de werkloosheidsverzekering (Cass. 27 maart 2006, R.W. 2009-2010, 30) beschouwd worden als een termijn waarbinnen de terugvorderingsbeslissing dient genomen te worden waarna, voor de uitvoering van deze beslissing, de tienjarige verjaringstermijn zou gelden voorzien artikel 2262bis, § 1, 1e lid van het Burgerlijk Wetboek (die dan echter niet kan gestuit worden door een aangetekend schrijven).

In artikel 7, § 13, al. 2 van de besluitwet van 28 december 1994 betreffende de sociale zekerheid der werknemers wordt bepaald dat het recht van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening om de terugvordering van de onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen te bevelen verjaart na een termijn van drie jaar. Deze bijzondere formulering houdt verband met het feit de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening van de wetgever de bevoegdheid gekregen heeft om een administratieve beslissing te nemen tot terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde sommen. Deze beslissing geldt als een uitvoerbare titel die, in toepassing van artikel 170 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, zonder enige de tussenkomst van de rechter kan ten uitvoer gelegd worden. Het recht tot uitvoering van deze titel verjaart dan inderdaad, overeenkomstig artikel 2262bis, § 1 van het Burgerlijk wetboek, net zoals de uitvoering van een vonnis, door het verloop van een termijn van 10 jaar. Het is slechts in die context dat de bepaling van artikel 7, § 13, van de Besluitwet van 28 december 1944 kan geacht worden in overeenstemming te zijn met het gelijkheidsbeginsel (cfr. Grondwettelijk Hof, arrest nr. 162/2009 van 20 oktober 2009).

Artikel 102 houdt duidelijk een verjaringstermijn in van het recht op terugvordering, en geen termijn waarbinnen het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een beslissing tot terugvordering moet of kan nemen. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn heeft ook geen enkele bevoegdheid om zichzelf een uitvoerbare titel te verschaffen, die dan slechts door het verloop van 10 jaar zou verjaren.

5.

De verjaring van de vordering tot terugbetaling van de maatschappelijke hulp of van de tussenkomst in de maatschappelijke hulp met betrekking tot een noodopvang, werd voor de eerste maal gestuit door de schulderkenning die blijkt uit de betaling die mevrouw R.V.G. op 15 juli 2002 uitgevoerd heeft. De omstandigheid dat administratief deze betaling aangerekend wordt op de oudste schuld, belet niet dat de stuiting betrekking heeft op het geheel van de schulden, voortvloeiend uit de terbeschikkingstelling van een noodopvang in die periode van de maand juni 2001 tot en met de maand maart 2002. De betaling gebeurde immers niet met verwijzing naar een welbepaalde schuld. De verjaring werd overigens, voor wat betreft de periode voorafgaand aan 1 december 2001, ook gestuit door de schulderkenning die vervat is in de verbintenis tot terugbetaling van maatschappelijke dienstverlening die mevrouw R.V.G. ondertekende op 28 december 2001.

De verjaring werd nadien gestuit door de aangetekende brieven van 10 november 2006, 15 februari 2007 en 17 augustus 2007. Deze werden, in tegenstelling met wat mevrouw R.V.G. aanvoert, wel degelijke op het correcte adres verzonden, zoals blijkt uit de gegevens van het rijksregister. Daarna werd de vordering binnen de (nieuwe) vijfjarige verjaringstermijn aanhangig gemaakt bij de arbeidsrechtbank bij verzoekschrift van 7 maart 2012.

De verjaring van de vordering tot terugbetaling van de huurwaarborg, toegekend bij beslissing van 23 november 2005 en terugbetaalbaar vanaf 1 december 2005, evenals de vordering tot terugbetaling van het ten onrechte ontvangen leefloon voor de maanden september en oktober 2005, werden gestuit door de aangetekende brieven van 10 november 2006,15 februari 2007 en 17 augustus 2007.

De terugvordering is aldus niet verjaard.

De terugvordering van de kosten voor de noodopvang.

6.

Ten onrechte roept mevrouw R.V.G. in dat de terbeschikkingstelling van de noodwoning zou moeten gelijkgesteld worden met een huurovereenkomst, zodanig dat enkel de vrederechter bevoegd is om kennis te nemen van de vordering. Uit de verblijfovereenkomst die op 12 juni 2001 ondertekend werd, en het daarbij gevoegde reglement, blijkt voldoende duidelijk dat er geen sprake is van een overeenkomst maar wel om een vorm van tijdelijke dienstverlening, gesteund op een eenzijdige beslissing van het ocmw om mevrouw R.V.G. en haar gezin tijdelijk opvang te verlenen nadat zij, als gevolg van een ongeval, de woning die zij huurden dienden te verlaten. Het gaat om een dienstverlening in materiële vorm, in de zin van artikel 60, § 3 van de wet van 8 juli 1976 waarvoor, in overeenstemming met artikel 98, § 1 van de wet, een bijdrage van de begunstigde kan gevorderd worden.

7.

De ontkenning door mevrouw R.V.G. van haar handtekening op de oorspronkelijke overeenkomst van 12 juni 2001 is zonder belang, nu niet betwist wordt dat mevrouw R.V.G. effectief over een noodopvang woning beschikt heeft (zie onder meer het schrijven van haar raadsman, stuk 3 van het dossier van het ocmw Leuven waarbij aangedrongen wordt op het behoud van de noodopvang), en het bedrag van de daarvoor vastgestelde bijdrage eenzijdig door het ocmw Leuven vastgesteld wordt.

Evenmin van belang is dat een aantal rekeningen met betrekking tot de noodhuisvesting of dat een aantal ingebrekestellingen op een verkeerd adres zouden verzonden zijn. Het recht op terugvordering van de tussenkomst in de kosten van de noodopvang volgt immers niet uit deze facturen of uit de ingebrekestellingen, maar wel uit de beslissing van het ocmw tot het verlenen van een noodopvang en tot de vaststelling van de voorwaarden van deze noodopvang. Mevrouw R.V.G. is onder meer door de diverse ingebrekestellingen van de ontvanger van het ocmw (brieven van 29 augustus 2007 en 17 februari 2010) en door de voorgelegde stukken in het kader van de procedure voldoende geïnformeerd over de grondslag van de bijdrage die haar gevraagd wordt. Uit diezelfde briefwisseling met de ontvanger blijkt bovendien dat mevrouw R.V.G., in strijd met de goede trouw, steeds nieuwe argumenten aanvoerde om aan de betalingen van haar schulden te ontkomen.

Ten onrechte verwijst mevrouw R.V.G. naar artikel 13 van het interne reglement met betrekking tot de noodhuizen, gevoegd aan de verblijfsovereenkomst, waarin voorzien wordt dat, indien de bewoner bestaansminimum geniet, hij toestemming geeft om de verblijfskosten daarmee rechtstreeks te betalen. Het is niet omdat deze mogelijkheid voorzien was dat daarvan ook effectief gebruik gemaakt werd.

8.

Mevrouw R.V.G. kan ook niet gevolgd worden waar zij stelt dat geen tussenkomst in de kosten van de maatschappelijke dienstverlening kon gevraagd worden, bij gebreke aan een sociaal onderzoek dat een dergelijke tussenkomst zou rechtvaardigen. Overeenkomstig artikel 98, § 1 de wet van 8 juli 1976 bepaalt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn steeds de bijdrage van de begunstigde in de kosten van de maatschappelijke dienstverlening, rekening houdend met diens inkomsten. Overeenkomstig artikel 100bis, § 3 kan het openbaar centrum slechts afzien van de bijdrage van de begunstigde of van de terugvordering bij een individuele beslissing en om redenen van billijkheid die in de beslissing worden vermeld. Mevrouw R.V.G. heeft de beslissing van het ocmw Leuven waarbij haar bijdrage in de verblijfskosten werd vastgesteld, nooit betwist. Zij brengt ook geen gegevens bij die van aard zijn om de bijdrage die vastgesteld werd voor de noodhulp te betwisten.

De terugvordering van de huurwaarborg.

9.

In de regel kan OCMW-steun slechts teruggevorderd worden in de door de wet voorziene gevallen, te weten:

(-) bij vrijwillig onjuiste of onvolledige aangifte, waarbij het geheel van de steun kan teruggevorderd worden ongeacht de financiële toestand van de betrokkene (art. 98, §1, al. 4 van de wet van 8 juli 1976 op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn),

(-) wanneer de betrokkene de beschikking krijgt over inkomsten krachtens rechten die hij bezat tijdens de periode waarvoor de hulp werd verleend (art. 99, § 1),

(-) wanneer een voorschot wordt toegekend op een pensioen of iedere andere sociale uitkering (art. 99, § 2).

De toekenning van een financiële steun bij wijze van voorschot, met de verplichting deze terug te betalen, kan slechts in uitzonderlijke omstandigheden aanvaard worden als een tegemoetkoming in de vorm van een lening. De toekenning van een huurwaarborg is een dergelijke uitzonderlijke omstandigheid. Het gaat om een bedrag dat voor vele personen moeilijk in eenmaal te betalen is maar wel, in de tijd gespreid, in te passen is in een huishoudelijk budget, en dat bovendien in de regel na de beëindiging van de overeenkomst aan de huurder wordt teruggestort.

10.

Mevrouw R.V.G. toont niet aan dat de terugbetaling van de huurwaarborg, met maandelijkse betalingen van 30 euro , voor haar financieel niet mogelijk was en haar recht op het leiden van een leven, in overeenstemming met de menselijke waardigheid, zou in gevaar brengen. Zij had, op het ogenblik van de toekenning van de huurwaarborg, een jaar gewerkt en aldus inkomsten verworven. Vanaf 1 maart 2006, d.w.z. vier maanden na de toekenning, werd zij door het ocmw Leuven tewerkgesteld in het kader van artikel 60 van de wet van 8 juli 1976 en had zij dus opnieuw regelmatige inkomsten uit arbeid.

Uit de gegevens van het rijksregister blijkt overigens dat mevrouw R.V.G. slechts één jaar gewoond heeft in de woning waarvoor de huurwaarborg werd verstrekt. Mevrouw R.V.G. bezorgt geen informatie over wat er met de huurwaarborg is gebeurd op het ogenblik dat zij de woning verlaten heeft.

De terugvordering van het leefloon.

11.

Mevrouw R.V.G. vroeg leefloon aan vanaf 21 september 2005. Achteraf werd vastgesteld dat zij in de periode van 21 september 2005 tot 28 oktober 2005 nog een loon genoot, dat hoger was dan het bedrag van het leefloon, en waarvan zij klaarblijkelijk het ocmw niet in kennis gesteld had op het ogenblik van haar aanvraag.

Voor wat betreft de maand oktober 2005 heeft mevrouw R.V.G. haar loonbrieven voorgelegd waaruit duidelijk blijkt dat haar inkomen uit arbeid hoger was dan het leefloon waarop zij recht had. Mevrouw R.V.G. betwist de terugvordering dan ook niet voor deze maand. Voor wat betreft de maand september (vanaf 21 september) stelt mevrouw R.V.G. dat het ocmw geen loonbrief kan voorleggen, zodanig dat ook niet aangetoond is dat zij onverschuldigd een leefloon ontving. Dit verweer kan niet aanvaard worden. Mevrouw R.V.G. had op het ogenblik van haar aanvraag tot het bekomen van leefloon haar inkomen moeten kenbaar maken. Ze is in staat om desgevallend nu nog aan te tonen dat haar inkomen uit arbeid lager lag dan het leefloon. Dat er arbeid was voor een tewerkstelling van 21,5 uur per maand, tegen een uurloon van 9 euro per maand, blijkt uit het C 4 document dat zich in het dossier bevindt.

In tegenstelling met wat mevrouw R.V.G. aanvoert, werd de beslissing van het ocmw Leuven tot terugvordering van het ten onrechte betekende leefloon haar wel degelijk op het correcte adres betekend.

De intresten.

12.

Uit het door het ocmw Leuven voorgelegde dossier blijkt dat in ieder geval tot 17 februari 2010 het niet inleiden van een procedure voor de rechtbank essentieel verklaard wordt door het feit dat mevrouw R.V.G., tegen beter weten in, haar schuld is blijven betwisten. Het kan, althans in rechte, het ocmw niet ten kwade geduid worden (teveel) geduld gehad hebben met mevrouw R.V.G. en haar de gelegenheid geboden te hebben haar schuld te voldoen buiten iedere gerechtelijke procedure om.

Voor het stilzitten van het ocmw Leuven in de periode tussen 17 februari 2010 en de neerlegging van het verzoekschrift, wordt echter geen enkele uitleg verschaft. Indien in de regel iedere schuldeiser het recht heeft zijn vordering in te stellen met als enige beperking de regels inzake de verjaring, dan moet een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn er echter wel over waken om de schuld van een steunzoeker niet te laten oplopen door de intresten te vorderen, zonder effectief de vordering aanhangig te maken bij de rechtbank. Aan het ocmw Leuven dient op die basis het recht op intresten ontzegd te worden voor de periode van 17 februari 2010 tot 12 maart 2012.

Afbetalingstermijnen.

13.

Mevrouw R.V.G. vraagt in haar beroepsbesluiten om haar schuld te mogen terugbetalen met 75 euro per maand. Deze vraag en dit bedrag worden als dusdanig niet betwist en kunnen toegekend worden, met dien verstande dat het voordeel van de toegekende terugbetalingstermijnen vervalt wanneer mevrouw R.V.G. in gebreke blijft haar terugbetalingen stipt uit te voeren.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van de heer Jean Jacques André, advocaat-generaal,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en zeer gedeeltelijk gegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre het mevrouw R.V.G. veroordeeld tot terugbetaling van de som van 2.430,11 euro , te vermeerderen met de wettelijke moratoire intresten vanaf 9 november 2006 en de gerechtelijke intresten, met deze beperking echter dat geen moratoire intresten kunnen gevorderd worden voor de periode van 17 februari 2010 tot 12 maart 2012.

Laat mevrouw R.V.G. toe haar schuld terug te betalen met maandelijkse betalingen van 75 euro , vanaf 15 december 2012, en dan telkens 75 euro op de 15e van iedere maand. Zegt voor recht dat het voordeel van de maandelijkse afbetalingen vervalt indien mevrouw R.V.G. eenmaal in gebreke blijft om deze afbetalingen te verrichten en dat vanaf dat ogenblik de volledige schuld in eenmaal opeisbaar wordt.

Veroordeelt, in overeenstemming met artikel 1017 al. 2 van het Gerechtelijk Wetboek, het ocmw Leuven tot de kosten van het hoger beroep, tot op heden begroot in hoofde van mevrouw R.V.G. op 160,36 euro .

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Ivo VAN DAMME, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Karel GACOMS, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Karel GACOMS

Ivo VAN DAMME Fernand KENIS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 28 november 2013 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Vrije woorden

  • SOCIALE VOORZORG

  • OPENBARE CENTRA VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN

  • Bijstand aan personen

  • Terugvordering.