- Arrest van 19 december 2013

19/12/2013 - 2012/AB/948

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De solidariteitsbijdrage is verschuldigd wanneer de terbeschikkingstelling van de bedrijswagen niet gebeurt door de werkgever maar door een derde.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.: 2013/

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 19 DECEMBER 2013

7e KAMER

SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - bijdragen werkgevers

tegensprekelijk

heropening van de debatten

in de zaak:

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, K.B.O. 0206.731.645, met zetel te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein, 11, appellant, vertegenwoordigd door mr. DAVIDTS Christine, advocaat te 3020 HERENT, Bijlokstraat 190

tegen:

R.P.O. BVBA, K.B.O. 0476.102.526, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. COOPMAN A. loco mr. VERGAUWEN Erik, advocaat te 3001 HEVERLEE, Koning Leopold III - laan 9

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 28 juni 2010 door de arbeidsrechtbank te Leuven, 2e kamer (A.R. 07/685 en 09/866),

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 21 september 2012,

de neergelegde conclusies,

de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 21 november 2013, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

Bij een controle, uitgevoerd begin 2006 bij de bvba R.P.O., werd vastgesteld dat een werkneemster, A.F. , gebruik mocht maken van een voertuig Renault Kangoo, beschouwd als een lichte vrachtwagen, voor de verplaatsing naar huis en ook voor privégebruik. Van dit voordeel werd geen afgifte gedaan bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, noch als voordeel van alle aard, noch in het kader van de bijzondere solidariteitsbijdrage.

Op het ogenblik dat haar dit voordeel werd toegekend, was mevrouw A.F. tewerkgesteld bij de nv Groep BC en LC, gevestigd op dezelfde plaats en met dezelfde zaakvoerder. Haar arbeidsovereenkomst werd op 13 maart 2003 overgenomen door de bvba R.P.O. Zij kon echter verder gebruik blijven maken van het voertuig Renault, alhoewel dit voertuig niet mee overgedragen werd aan de bvba R.P.O.

De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid ging over tot een regularisatie voor de periode die zich uitstrekte van het 1e kwartaal 2003 tot en met het 4e kwartaal 2005. De regularisatie gebeurde tot en met het 4e kwartaal 2004 door de terbeschikkingstelling van de wagen te beschouwen als een voordeel in natura. Tot op dat ogenblik waren immers de lichte vrachtwagens niet onderworpen aan de solidariteitsbijdrage. Vanaf 1 januari 2005 gebeurde de regularisatie op basis van de solidariteitsbijdrage, ingesteld door het artikel, 38 § 3, quater, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid, zoals gewijzigd bij wet van 20 juli 2006 (met uitwerking op 1 januari 2005).

Bij dagvaarding van 30 maart 2007 vorderde de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de betaling van de som van 2.709,84 euro . Bij conclusie van 22 juni 2009 herleidde de Rijksdienst zijn vordering tot het bedrag van 1.633,52 euro "in gevolg van de op 22/07/2009" ontvangen betaling (van 1.076,32 euro ) ingevolge artikel 30bis".

Bij tegenvordering in het kader van dezelfde procedure, vorderde de bvba R.P.O. de terugbetaling van het bedrag van 1.076,32 euro .

2.

Nadat bij een wegcontrole op 24 oktober 2007 werd vastgesteld dat mevrouw A.F. nog steeds reed met dezelfde Renault Kangoo, die intussen eigendom was geworden van de bvba R.P.O. , zonder dat voor deze wagen een solidariteitsbijdrage werd betaald, is de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid overgegaan tot een bijkomende regularisatie voor het 1e kwartaal 2006 en het 2e en

3e kwartaal 2008.

Bij dagvaarding van 12 mei 2009 werd de betaling gevorderd van de som van

747,32 euro , te vermeerderen met wettelijke intresten, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding.

3.

Bij vonnis van 28 juni 2010 heeft de arbeidsrechtbank te Leuven de beide vorderingen samengevoegd.

De vordering van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid werd ongegrond verklaard voor het jaar 2003, doch gegrond voor alle verdere kwartalen.

De bvba R.P.O. werd, voor wat betreft de eerste vordering en rekening houdend met de herleiding van de eis ingevolgde de tussengekomen betaling, veroordeeld tot betaling van de som van 796,09 euro , te vermeerderen met de wettelijke intresten op de som van 1.523,25 euro vanaf 20 februari 2007 tot 21 oktober 2007, en met de gerechtelijke intresten op 466,93 euro vanaf 22 oktober 2007 tot de dag van de gehele betaling.

De bvba R.P.O. werd verder, voor wat betreft de tweede vordering, veroordeeld tot betaling van de som van 744,32 euro , te vermeerderen met de wettelijke intresten op 226,23 euro vanaf 27 maart 2009 tot en met 23 april 2009 en op 160,13 euro van 24 april 2009 tot en met 11 mei 2009, en vanaf dan met de gerechtelijke intresten tot de dag van gehele betaling.

De tegenvordering werd als ongegrond afgewezen.

4.

Bij verzoekschrift van 21 september 2012 heeft de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank te Leuven, in zoverre dit vonnis zijn vordering afwees voor wat betreft het jaar 2003.

Bij conclusies heeft de bvba R.P.O. incidenteel beroep ingesteld.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Er wordt geen betekeningsakte voorgelegd van het bestreden vonnis, zodanig dat het beroep ook moet geacht worden tijdig te zijn ingesteld. Het beroep is ontvankelijk.

Het incidenteel beroep is eveneens ontvankelijk.

III. BEOORDELING.

1.

De eerste rechter wees de vordering van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid gedeeltelijk af omdat voor het jaar 2003 niet het bewijs bijgebracht werd dat, of hoeveel, mevrouw A.F. de wagen voor privédoeleinden mocht gebruiken, buiten het woon-werkverkeer.

De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is van oordeel dat zij het privé aantal kilometers voldoende bewijst. De Rijksdienst zet uiteen dat hij voor de periode vóór 1 januari 2005 het aantal privé kilometers vastgesteld heeft door het kilometerbedrag, dat overeenstemt met de fiscale PK van het voertuig, te vermenigvuldigen met 1.250 km per kwartaal, hetzij 5.000 km op jaarbasis. Dit was namelijk de minimumafstand die destijds bij de berekening van de solidariteitsbijdrage van toepassing was.

De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid vraagt verder een correctie van het eerste vonnis voor wat betreft de uitspraak over de tweede vordering. De Rijksdienst stelt dat hij in de gedinginleidende dagvaarding een aantal betalingen verkeerd geïmputeerd heeft. In werkelijkheid dient de bvba R.P.O. veroordeeld te worden tot de betaling van de intresten op een bedrag van 226,23 euro vanaf 27 maart 2009.

2.

De bvba R.P.O. vraagt de bevestiging van het vonnis van de eerste rechter in zoverre dit vonnis de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid afwijst van zijn vordering met betrekking tot het jaar 2003.

Bij wijze van incidenteel beroep vraagt de bvba R.P.O. dat de Rijksdienst volledig wordt afgewezen van zijn vordering, en dat bijgevolg ook de oorspronkelijke tegenvordering, zoals die geformuleerd werd voor de arbeidsrechtbank, moet toegekend worden.

De bvba R.P.O. stelt in hoofdorde dat van haar geen sociale zekerheidsbijdragen kunnen gevorderd worden, vermits het voertuig waarmee mevrouw A.F. reed niet haar eigendom was, maar wel eigendom was van de firma Groep BC & LC, die deze wagen ter beschikking stelde aan mevrouw A.F.. Sociale zekerheidsbijdragen op een voordeel in natura, of solidariteitsbijdragen op de terbeschikkingstelling van een bedrijfswagen, kunnen slechts verschuldigd zijn indien het de werkgever is die het voertuig ter beschikking stelt.

In ondergeschikte orde betwist de bvba R.P.O. de gevorderde sociale zekerheidsbijdragen voor de jaren 2003 en 2004. Zij wijst erop, wat ook niet betwist wordt, dat voor deze jaren de solidariteitsbijdrage niet verschuldigd was. Het ging immers over de terbeschikkingstelling van een lichte vrachtwagen, die op dat ogenblik niet onderworpen was aan de solidariteitsbijdrage. Sociale zekerheidsbijdragen kunnen dan ook enkel gevorderd worden als voordeel in natura. In het kader van deze wetgeving werd echter het woon-werkverkeer niet als privégebruik beschouwd. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid heeft, zoals de eerste rechter reeds aannam voor het jaar 2003, in het geheel niet aangetoond welk het privégebruik was buiten het woon-werkverkeer. Er kan niet verwezen worden naar het fiscale forfait van 5.000 km, vermits dit forfait uitsluitend geldt voor het woon-werkverkeer, terwijl dit woon-werkverkeer voor de berekening van de sociale bijdragen juist niet in aanmerking mag genomen worden.

De bvba R.P.O. stelt verder dat, voor wat betreft het 1e kwartaal 2006, de vordering in ieder geval verjaard was, zoals zij ook reeds opgeworpen had voor de eerste rechter.

De bvba R.P.O. stelt tenslotte dat, vermits de oorspronkelijke vordering van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid volledig ongegrond was, de tegenvordering tot terugbetaling van een bedrag van 1.076,32 euro moet toegekend worden.

3.

Overeenkomstig artikel 38, § 3, quater, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, zoals ingevoerd door het Koninklijk Besluit van 20 december 1996 en bekrachtigd bij wet van 13 juni 1997 (van toepassing tot 31 december 2004), is door de werkgever een solidariteitsbijdrage verschuldigd op het voordeel van het persoonlijk en individueel gebruik van een voertuig, ter beschikking gesteld door de werkgever.

De bijdragevoet wordt vastgesteld op 33% van het bedrag van het voordeel. Het voordeel wordt geraamd in overeenstemming met de bepalingen genomen ter uitvoering van artikel 36 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, met dien verstande dat voor de vaststelling van het voordeel, het aantal kilometers voor één trimester niet lager mag zijn dan 1.250.

4.

Voormeld artikel werd gewijzigd door artikel 2 van de programmawet van 27 december 2004, met uitwerking op 1 januari 2005 en daarna door artikel 31 van de programmawet van 20 juli 2006, dat uitwerking had op 1 januari 2005, met uitzondering van de bepaling van artikel 38, § 4, quater, 1°, al. 2, met betrekking tot de bewijslast.

Volgens de nieuwe bepaling is een solidariteitsbijdrage verschuldigd door de werkgever die een voertuig, dat ook voor andere dan beroepsdoeleinden is bestemd, rechtstreeks of onrechtstreeks ter beschikking stelt van zijn werknemers, ongeacht elke financiële bijdrage van de werknemer in de financiering of het gebruik van dit voertuig.

Een andere omschrijving wordt ingevoerd met betrekking tot het begrip voertuig, met als gevolg dat ook de lichte vrachtwagens onder het toepassingsgebied kwamen van de nieuwe wet (lid 3). Verder wordt uitdrukkelijk voorzien dat door de term "andere dan louter beroepsdoeleinden" onder meer verstaan wordt het woon-werkverkeer dat individueel afgelegd wordt, het privé gebruik en het collectief vervoer van werknemers (lid 4).

Met betrekking tot de bewijslast (bepaling van toepassing vanaf 1 juli 2005) wordt het vermoeden ingesteld dat ieder voertuig dat op naam van de werkgever is ingeschreven, of dat het voorwerp uitmaakt van een huur of leasingcontract, verondersteld wordt ter beschikking van de werknemers te zijn gesteld voor andere dan louter beroepsdoeleinden, behalve indien de werkgever aantoont ofwel dat het gebruik voor andere dan louter beroepsdoeleinden uitsluitend gebeurt door een persoon die niet valt onder het toepassingsgebied van de sociale zekerheid voor werknemers, ofwel dat het voertuig voor loutere beroepsdoeleinden wordt gebruikt.

5.

De bvba R.P.O. kan niet gevolgd worden waar zij stelt dat geen sociale zekerheidsbijdrage of geen solidariteitsbijdrage kan verschuldigd zijn wanneer de terbeschikkingstelling van de bedrijfswagen niet gebeurt door de werkgever, maar door een derde. Voor wat betreft de solidariteitsbijdrage volgt zulks uit artikel 38, § 3, quater, van de wet van 29 juni 1981, zoals gewijzigd door de programmawet van 27 december 2004. De solidariteitsbijdrage is volgens deze bepaling verschuldigd voor ieder voertuig dat door de werkgever rechtstreeks of onrechtstreeks ter beschikking gesteld wordt van de werknemer. Deze regel geldt ook voor de gewone sociale zekerheidsbijdragen. Deze zijn verschuldigd op ieder voordeel in natura dat door de werkgever aan de werknemer wordt ter beschikking gesteld, zonder dat vereist is dat dit voordeel rechtstreeks door de werkgever wordt ter beschikking gesteld (cfr. Arbh. Brussel, 7e kamer, 15.03.2012, A.R. 2011/AB/78, J.T.T. 2012, 310). In casu dient er van uit gegaan te worden dat het voertuig dat door mevrouw A.F. gebruikt werd, door de firma Groep BC & LC, al dan niet tegen betaling, ter beschikking gesteld werd van de bvba R.P.O.

6.

De bvba R.P.O. houdt wel terecht voor dat, voor de periode die voorafgaat aan 1 januari 2005, het voordeel in natura door de beschikkingstelling van een bedrijfswagen, lichte vrachtwagen, niet kan berekend worden door een verwijzing naar een fiscaal forfait. Het fiscaal forfait wordt immers bepaald in functie van het woon- werkverkeer en het eigenlijke privégebruik. Bedraagt de afstand tussen werkplaats en woonplaats maximum 25 km, dan wordt het forfait berekend op 5.000 km per jaar. Bedraagt de afstand meer dan 25 km, dan wordt dit voordeel forfaitair bepaald op 7.500 km (omzendbrief C.I.RH/ 561.364 van de FOD Financiën van 5 februari 2004). Welnu, voor de berekening van het voordeel in natura van de ter beschikkingstelling van een bedrijfswagen, die niet onderworpen is aan de solidariteitsbijdrage, wordt in toepassing van artikel 19, §1, 2°, van het Koninklijk Besluit van 28 november 1969, tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 op de maatschappelijke zekerheid der werknemers, de afstand tussen woon en werkplaats niet beschouwd als een voordeel in natura.

Het kwam dus aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid toe om aan te tonen hoe groot het privé gebruik van de bedrijfswagen was geweest, met uitzondering van het woon-werkverkeer, dat door de eerste rechter, zonder daarin tegengesproken te worden, geraamd werd op 15.840 km per jaar. De Rijksdienst heeft daarover geen enkel onderzoek ingesteld (en in het bijzonder mevrouw A.F. niet ondervraagd) en brengt ook geen bewijskrachtige gegevens aan. Het is dan ook terecht dat de eerste rechter de vordering afgewezen heeft voor wat betreft het jaar 2003. Het hoger beroep is op dit punt dan ook ongegrond en het vonnis van de eerste rechter dient op dit punt bevestigd te worden.

7.

Dezelfde redenering dient toegepast te worden voor het jaar 2004. Ook voor dit jaar diende de Rijksdienst aan te tonen welke het werkelijk privégebruik geweest is van de bedrijfswagen, buiten het woon-werkverkeer. De eerste rechter kan niet gevolgd worden waar hij voor het jaar 2004 een erkenning van het voordeel in natura ziet in de omstandigheid dat de Groep BC & LC, die de eigenaar was van het voertuig, in haar boekhouding een bedrag van 1.216,50 euro opgenomen heeft als voordeel van alle aard voor een afstand van 5.000 km per jaar. Dit voordeel betreft immers essentieel het woon-werkverkeer. Het incidenteel beroep van de bvba R.P.O. dient op dit punt dan ook aanvaard worden.

8.

Vanaf het jaar 2005 was op de terbeschikkingstelling van de bedrijfswagen aan mevrouw A.F. de solidariteitsbijdrage verschuldigd, zoals bedoeld in artikel 38, § 3, quater, van de wet van 29 juni 1981. De omstandigheid dat het voertuig tot de maand maart 2007 nog steeds eigendom was van de groep BC & LC, doet daar geen afbreuk aan. Zoals vastgesteld onder nr. 5, is deze solidariteitsbijdrage immers verschuldigd op ieder voertuig dat, rechtstreeks of onrechtstreeks, ter beschikking gesteld wordt aan de werknemer. In het kader van artikel 38 § 3 quater, zoals van toepassing vanaf 1 januari 2005, is de solidariteitsbijdrage eveneens verschuldigd op het woon-werkverkeer. Het wordt niet betwist dat mevrouw A.F. steeds de bedrijfswagen heeft mogen gebruiken voor het woon-werkverkeer, dat circa 15.000 km per jaar bedroeg.

De oorspronkelijke vordering van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is op dit punt dan ook in zijn principe gegrond, zodanig dat het incidenteel beroep in principe ongegrond is.

9.

Terecht echter roept de bvba R.P.O. in, zoals zij dit reeds deed voor de eerste rechter, dat de vordering verjaard is in zoverre zij betrekking heeft op het 1e kwartaal 2006. De vordering voor dit kwartaal werd immers slechts gesteld bij dagvaarding van 12 mei 2009. De verjaringstermijn bedroeg in toepassing van artikel 42 van de wet van 27 juni 1969 drie jaar. Deze verjaringstermijn begon te lopen vanaf de dag waarop de bijdragen voor dit kwartaal hadden dienen betaald te worden, te weten 1 april 2006.

Ten onrechte roept de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid in dat de verjaring niet voor ieder verweer werd ingeroepen. In toepassing van artikel 2224 van het Burgerlijk Wetboek kan de verjaring immers ingeroepen worden in elke staat van het geding, zelfs in graad van beroep, tenzij de omstandigheden doen vermoeden dat de partij, die zich op het middel van de verjaring niet heeft beroepen, daarvan afstand heeft gedaan. Er zijn geen elementen die kunnen doen vermoeden dat de bvba R.P.O. afstand heeft gedaan van de verjaring.

10.

Het hoger beroep van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is gegrond in zoverre het tot voorwerp heeft de vordering, ingeleid bij dagvaarding van 12 mei 2009 aan te passen voor wat betreft de wijze van berekening van de intresten. Hoger beroep kan ingesteld worden teneinde een vergissing, begaan in de formulering van vordering voor de eerste rechter, recht te zetten.

11.

De heropening van de debatten dient bevolen te worden teneinde de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid toe te laten zijn vordering te herberekenen in functie van hetgeen door het hof werd beslist. Over de vordering van de bvba R.P.O. tot terugbetaling van de som van 1.076,32 euro kan geen uitspraak gedaan worden, zolang het precieze bedrag van de oorspronkelijke hoofdvordering niet vaststaat.

Over de kosten kan slechts uitspraak gedaan worden bij het eindarrest.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoofdberoep ontvankelijk en zeer gedeeltelijk gegrond. Zegt voor recht dat, voor wat betreft de vordering ingeleid bij dagvaarding van 12 mei 2009, de intresten verschuldigd zijn op een bedrag van 226,23 euro vanaf 27 maart 2009 tot de datum van de volledige betaling.

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en als volgt gegrond. Hervormt het bestreden vonnis in zoverre de bvba R.P.O. veroordeelt tot betaling van sociale zekerheidsbijdragen als voordeel van alle aard voor het jaar 2005 en tot een solidariteitsbijdrage voor het eerste kwartaal van het jaar 2006.

Heropent de debatten teneinde de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid toe te laten een aangepaste afrekening voor te leggen, in functie van wat door het hof beslist werd.

Bepaalt de conclusie termijnen als volgt:

De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zal zijn afrekening, in de vorm van een conclusie, neerleggen uiterlijk op 30 januari 2014.

De bvba R.P.O. zal haar conclusies neerleggen uiterlijk op 26 februari 2014.

De zaak wordt opnieuw vastgesteld voor pleidooien op de openbare terechtzitting van donderdag 27 maart 2014 om 14u 30 voor een gezamenlijke pleitduur van 20 min.

De beslissing omtrent de proceskosten wordt aangehouden.

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Christian LAURIERS, raadsheer in sociale zaken, werkgever, Bernadette MUSSCHE, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Bernadette MUSSCHE

Christian LAURIERS Fernand KENIS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 19 december 2013 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Kelly CUVELIER Fernand KENIS

Vrije woorden

  • SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS

  • SOLIDARITEITSBIJDRAGEN

  • Gebruik van een lichte vrachtwagen

  • Verplaatsing naar huis en voor privégebruik

  • Werkgever geen eigenaar van het voertuig.