- Arrest van 7 mei 2014

07/05/2014 - 2012/AA/709

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Wanneer de aanvrager beroep heeft aangetekend tegen een beslissing tot terugvordering, wordt dit beroep niet zonder voorwerp om de enkele reden dat de eerste beslissing later wordt vervangen door een andere beslissing. Het voorwerp van de vordering is immers de vaststelling of er al dan niet recht is op leefloon en dus de erkenning van het recht op een bepaalde prestatie en is niet de geldigheid van de beslissing. Het is bijgevolg irrelevant of betrokkene geen beroep heeft aangetekend tegen de tweede beslissing.


Arrest - Integrale tekst

H. M.,

met als raadsman mr. D. L., advocaat te A.,

tegen:

OCMW ANTWERPEN, gevestigd te 2000 Antwerpen, Lange Gasthuisstraat 33,

vertegenwoordigd door de heer C. B., maatschappelijk werker, met volmacht.

Het hoger beroep is gericht tegen het vonnis van 26 september 2013 van de arbeidsrecht-bank Antwerpen.

Het arbeidshof past de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken toe.

Advocaat-generaal Johan Dekeersmaeker gaf namens het openbaar ministerie mondeling advies op de zitting van 2 april 2014, waarover partijen verklaarden geen opmerkingen te hebben.

1. Ontvankelijkheid

Met een verzoekschrift, ontvangen ter griffie van dit hof op 15 oktober 2012, tekende de heer H. hoger beroep aan tegen een vonnis van 26 september 2012 (AR 08/7829/A) van de arbeidsrechtbank Antwerpen.

Het vonnis werd aan de heer H. ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger.W., bij gerechtsbrief op 9 oktober 2012.

Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar vorm en ontvankelijk.

2. Feiten en voorafgaande procedure

De heer H., geboren op 13 juni 1950, bezit de Bosnische nationaliteit. Hij kwam in 1999 naar België en verkreeg in september 2003 een verblijfsvergunning op basis van gezinshereniging met zijn toenmalige echtgenote. Hij is ingeschreven in het bevolkingsregister.

Na zijn relationele breuk vestigde de heer H., die voorheen bij zijn echtgenote in K. verbleef, zich in februari 2004 in Antwerpen alwaar hij financieel werd gesteund door het OCMW. De heer H. kende via arbeidsbegeleiding sociale tewerkstellingen tot mei 2010. Hij was vanaf dan gerechtigd op werkloosheidsvergoedingen.

In juni 2008 werd het OCMW, via het arbeidsauditoraat, ingelicht aangaande de gedane vaststellingen tijdens een controleactie van de sociale inspectie, gevoerd ten aanzien van de firma B. I. die in onderaanneming werken uitvoerde op het bedrijfsterrein van B. A. Uit de voorgelegde documenten zou blijken dat de heer H. zich onder de aangetroffen zwartwerkers bevond en in die zin activiteiten had verricht in de periode van 17 oktober 2007 tot 31 december 2007.

Daar in voornoemde periode de heer H. ook steun had genoten vanwege het OCMW, verzocht het centrum hem bij aangetekend schrijven van 16 juni 2008 dienaangaande bewij-zen van inkomsten binnen te brengen. Hierop volgde geen reactie.

Het bijzonder comité voor sociale bijstand besliste op 1 september 2008, "op grond van het feit dat u beschikking hebt gekregen over gelden krachtens een recht dat u bezat tijdens de periode van hulpverlening (art. 25 van de wet van 26/05/02 betreffende het recht op maat-schappelijke integratie), tot terugvordering van 1.632,82 euro dat aan u uitbetaald werd voor de periode van 01/10/2008 tot en met 31/12/2008.

In bijlage zenden wij u een vordering voor een bedrag van 1.632,82 euro. Zoals afgesproken kan u dit bedrag afbetalen met een maandelijkse storting vanaf 09/2008 van euro 100,00 (...)."

Deze beslissing werd de heer H. ter kennis gebracht bij aangetekende brief van 12 september 2008.

Op 27 oktober 2008 besliste het bijzonder comité voor sociale bijstand een via de raadsman van de heer H. op 28 september 2008 gedane aanvraag tot herziening van de terug-vorderingsbeslissing af te wijzen daar "inkomsten uit tewerkstelling tijdens de maanden 10, 11 en 12/2007 niet werden opgegeven aan de maatschappelijk werker."

Deze beslissing werd de heer H. ter kennis gebracht bij aangetekende brief van 7 november 2008.

De heer H. tekende tegen de beslissing van het bijzonder comité voor sociale bijstand van 1 september 2008 (en van 27 oktober 2008) verhaal aan bij de arbeidsrechtbank Antwerpen met één verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 9 december 2008.

In hun vonnis van 26 september 2012 verklaarden de eerste rechters de vordering ontvanke-lijk doch ongegrond, bevestigden ze de bestreden beslissing van het bijzonder comité voor sociale bijstand van 1 september 2008 en veroordeelden de heer H. tot terugbetaling aan het OCMW van het bedrag van 1632,82 euro aan verleend leefloon en huur- en ver-warmingstoelage voor de periode van 1 oktober 2008 tot en met 31 december 2008.

Het OCMW van Antwerpen werd tevens, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, Ger.W., veroordeeld tot de kosten van het geding.

De heer H. stelde tegen dit vonnis hoger beroep in met een verzoekschrift, ontvangen ter griffie van het arbeidshof op 15 oktober 2012.

Op 7 november 2012 en 12 december 2012 nam het bijzonder comité sociale dienst herzie-nings- en terugvorderingsbeslissingen waarbij de initiële vordering werd vernietigd en de fi-nanciële hulp voor de periode oktober tot en met december 2007 werd herzien. Het vonnis van de arbeidsrechtbank Antwerpen van 9 september 2013 stelde de uitputting van rechts-macht vast daar het ging over identieke feiten als deze waarover geoordeeld werd in het vonnis van 26 september 2012. Hiertegen werd geen hoger beroep aangetekend.

3. Eisen in hoger beroep

De heer H. vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren. Alvorens recht te doen, in toepassing van artikel 877 Ger.W. over te gaan tot het bevelen aan de FOD Sociale Inspectie het integrale verslag van 4 juni 2008, inclusief alle bijlagen, neer te leggen. Het vonnis a quo te vernietigen en, opnieuw recht doende, de beslissing van het bijzonder comité sociale dienst van 27 oktober 2008 teniet te doen en te zeggen voor recht dat hij recht heeft op de hem toegekende steun in de periode van 1 oktober 2007 tot en met 31 de-cember 2007 en er door het OCMW niet tot terugvordering kan worden overgegaan van het bedrag van 1632,82 euro.

Ondergeschikt, hem toe te laten te bewijzen middels getuigen dat hij in de periode van 1 oktober 2007 tot en met 31 december 2007 slechts 4 dagen tewerkgesteld was via een in-terimkantoor op de site van B. te A. en dat hij de maatschappelijk assistente die verantwoordelijk was voor zijn dossier bij het OCMW hiervan op de hoogte had gebracht; dat slechts tot terugvordering kan overgegaan worden voor de dagen waarop hij effectief gewerkt heeft.

Het OCMW van Antwerpen te veroordelen tot de kosten van het geding.

Het OCMW van Antwerpen vraagt, in hoofdorde, het hoger beroep zonder voorwerp te ver-klaren.

In ondergeschikte orde, de vonnissen van 26 september 2012 en 9 september 2013 en de beslissingen van het bijzonder comité sociale dienst van 8 september 2008 (lees: 1 septem-ber 2008), 7 november 2012 en 12 december 2012 te bevestigen.

4. Ten gronde

Het OCMW vordert het bedrag van 1632,82 euro terug van de heer H.. In de periode van 17 oktober 2007 tot en met 31 december 2007 zou de heer H. immers gelden uit een tewerkstelling ontvangen hebben zonder dit te melden aan het OCMW.

4.1. Voorwerp van de vordering

Het OCMW heeft op 1 september 2008 een beslissing tot terugvordering genomen en deze beslissing werd bij beslissing van 27 oktober 2008 bevestigd. Deze beslissingen werden door de arbeidsrechtbank in een vonnis van 26 september 2012 bevestigd, waarna de heer H. beroep heeft aangetekend tegen dit vonnis.

Ondertussen heeft het OCMW drie nieuwe beslissingen tot terugvordering genomen op 7 november 2012. In deze beslissingen werd het recht op leefloon, op een huurtoelage en op een verwarmingstoelage herzien en afgeschaft. Tevens werden er twee "creditnota's" ver-stuurd aan de heer H. van respectievelijk 1560,91 euro en 71,91 euro.

In drie beslissingen van 12 december 2012 werden herzieningsvorderingen genomen inzake de huurtoelage, de verwarmingstoelage en het leefloon voor respectievelijk 58,95 euro, 12,96 euro en 1972,11 euro. Hierbij werden telkens creditnota's voor dezelfde bedragen ge-voegd.

Tegen deze beslissingen werd beroep aangetekend bij de arbeidsrechtbank. In een vonnis van 9 september 2013 oordeelde de arbeidsrechtbank dat zij zonder rechtsmacht was omdat ze zich reeds over de terugvordering had uitgesproken. Tegen dit vonnis wordt geen beroep aangetekend.

Het OCMW meent dat het beroep tegen het vonnis van 26 september 2012 zonder voor-werp is geworden omdat de beslissingen waartegen beroep werd aangetekend vernietigd werden en vervangen werden door nieuwe beslissingen. Tegen deze nieuwe beslissingen zou er geen beroep hangende zijn voor het arbeidshof.

Ondertussen werd er in mei 2013 door het OCMW een nieuwe beslissing genomen die niet in het dossier zit maar waarin het OCMW nog slechts een bedrag van 1632,82 euro terug-vordert.

Zaak is niet zonder voorwerp

Het voorwerp van de vordering is de vaststelling of de heer H., in de periode dat hij gewerkt zou hebben, recht heeft op leefloon en op maatschappelijke dienstverlening, en dus of het OCMW een bedrag van 1632,82 euro mag terugvorderen.

Het voorwerp van de vordering is dus niet de geldigheid van de beslissing, maar wel de er-kenning van het recht op een bepaalde prestatie, die wordt nagestreefd door de vernietiging te vragen van de administratieve beslissing.

(Cass. 17 maart 1980, Arr. Cass. 1979-80, 879 en Cass. 18 juni 1984, RW 1984-85, 1022 met conclusie H. Lenaerts, J. PUT, "Rechterlijk toezicht op socialezekerheidsbeslissingen", in J. PUT (ed.), Het Handvest van de sociaal verzekerde en bestuurlijke vernieuwing in de sociale zekerheid, Brugge, die Keure, 1999, 337-338).

Aangezien er beroep werd aangetekend tegen de oorspronkelijke beslissing tot terugvorde-ring en het beroep tegen deze beslissing hangende is voor het arbeidshof, kan en moet het arbeidshof oordelen over de vraag of de heer H., in de periode dat hij mogelijk inkomsten had uit tewerkstelling, recht had op een leefloon en op maatschappelijke dienstverlening en kan ook nagegaan worden of het OCMW mag terugvorderen. Het loutere feit dat de oorspronkelijke beslissing vervangen werd door een nieuwe beslissing wijzigt dit niet. Deze nieuwe beslissingen oordelen immers over dezelfde periode, over hetzelfde voorwerp en over dezelfde persoon, waardoor het arbeidshof nog steeds gevat is om hierover uitspraak te doen.

Aangezien de appelrechter rekening moet houden met nieuwe feiten die zich sinds de eerste aanleg hebben voorgedaan (Cass. 4 november 1976, Arr. Cass. 1976, 1164), dient het ar-beidshof na te gaan of de beslissingen van 7 november 2012 en 12 december 2012 terecht werden genomen. De zaak is dan ook niet zonder voorwerp.

4.2. Terugvordering

Het OCMW vordert een bedrag terug van 1632,82 euro. De heer H. zou immers in de periode 17 oktober 2007 tot en met 31 december 2007 inkomsten hebben gehad uit een te-werkstelling en deze inkomsten nooit hebben aangegeven.

Het bedrag van de terugvordering is samengesteld uit het verleende leefloon en uit maat-schappelijke dienstverlening (huur- en verwarmingstoelage).

4.2.1. Formaliteiten werden gevolgd

Vooraleer kan nagegaan worden of de terugvordering gegrond is, dient onderzocht te wor-den of alle formaliteiten werden nageleefd.

Uit de beslissingen van 7 november 2012 en 12 december 2012 blijkt dat het OCMW een herzieningsbeslissing heeft genomen inzake het recht op leefloon en op maatschappelijke dienstverlening voor de periode van 17 oktober 2007 tot en met 31 december 2007. Om-wille van bedrog wordt bovendien in dezelfde beslissing een beslissing tot terugvordering genomen.

De verleende en teruggevorderde bedragen worden niet betwist en blijken uit het admini-stratief dossier. Er is geen discussie dat de heer H. in de periode van 17 oktober 2007 tot en met 31 december 2007 leefloon en steun ontvangen heeft en de bedragen blijken uit het administratieve dossier (stukken 7 en 8, bundel OCMW).

Aan de formele voorwaarden voor de terugvordering werd derhalve voldaan.

4.2.2. Beoordeling ten gronde

In het sociaal verslag van 31 juli 2008 wordt vermeld dat het OCMW via het openbaar minis-terie van de arbeidsrechtbank een proces-verbaal van de sociale inspectie heeft ontvangen waaruit kan blijken dat de heer H. gewerkt had voor de firma B. I. in de periode van 17 oktober 2007 tot 31 december 2007. Het betreft arbeid die niet werd aangegeven aan de RSZ.

Het document van de sociale inspectie wordt door het OCMW neergelegd (stuk 3, bundel OCMW) en kan gelden als bewijs. In de bijlage twee van het proces-verbaal van de sociale inspectie wordt een lijst gegeven van werknemers die gemeld werden in de LIMOSA-data-bank en de heer H. wordt in deze lijst vermeld voor een tewerkstelling van 17 oktober 2007 tot en met 31 december 2007.

De heer H. erkent dat hij in voormelde periode vier dagen voor de firma B. gewerkt heeft bij B.

Hoewel hij stelt dat hij deze tewerkstelling mondeling zou gemeld hebben aan de maat-schappelijk werker, wordt hiervan in het sociaal verslag geen spoor teruggevonden en ont-breekt ook verder elk bewijs. Hiermee kan dan ook geen rekening gehouden worden.

De heer H. heeft dan ook arbeid verricht zonder dit te melden aan het OCMW.

Terugvordering van het leefloon

Artikel 22, §1, wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, hierna RMI-wet, bepaalt dat bij verzuim, onvolledige of onjuiste verklaringen van de betrok-kene het OCMW een beslissing dient te herzien. De betrokkene moet elk nieuw gegeven dat een weerslag kan hebben op het hem toegekende bedrag aan het centrum meedelen.

In dit geval kan moeilijk betwist worden dat de heer H. geen melding heeft gemaakt van zijn tewerkstelling.

Artikel 24, §1, RMI-wet bepaalt vervolgens dat het OCMW kan terugvorderen in geval van herziening met terugwerkende kracht zoals bedoeld in artikel 22, §1, RMI-wet. Aangezien het recht op leefloon herzien werd met terugwerkende kracht, kan er teruggevorderd wor-den.

Terugvordering van de verwarmings- en huurtoelage

Artikel 98 OCMW-wet bepaalt dat het OCMW kan terugvorderen in geval van een vrijwillig onjuiste of onvolledige aangifte. In dit geval kan niet ontkend worden dat de heer H. nooit melding heeft gemaakt van een tewerkstelling in de periode van 17 oktober 2007 tot en met 31 december 2007. Er is dan ook sprake van een vrijwillig onjuiste aangifte.

Het OCMW moet wel aantonen dat er hier sprake is van bedrieglijk opzet, maar er kan aan-vaard worden dat het bedrieglijk opzet bewezen is bij een vrijwillig onjuiste aangifte.

(Zie onder meer R. STOCKX, B. LIETAERT en K. NEYT, "Mag de linkerhand terugnemen wat de rechterhand geeft? Terugvorderbare OCMW-steun: gewoonterecht met vraagtekens", TSR 2001, 92).

In voormelde periode waren er contacten met het OCMW zodat het verzwijgen van de te-werkstelling opzettelijk is.

Aangezien er een wettelijke basis is om terug te vorderen, kan het OCMW terugvorderen.

Bedrag van de terugvordering

Het OCMW vordert enkel het bedrag terug dat effectief verleend werd in de periode van 17 oktober 2007 tot en met 31 december 2007.

Evenwel stelt de heer H. dat hij slechts gedurende vier dagen (19, 22, 23 en 24 oktober 2007) en enkel voor een uitzendkantoor zou gewerkt hebben en vraagt hij om de terugvor-dering te beperken. Indien hij kan aantonen dat hij inderdaad slechts vier dagen zou gewerkt hebben, kan het OCMW ten hoogste (een deel van) de verleende steun (leefloon en maat-schappelijke dienstverlening) terugvorderen voor de maand oktober 2007, en niet voor de maanden november en december 2007.

Om het bewijs van zijn tewerkstelling te leveren legt de heer H. een verklaring voor van B. U. U. en van de heer D., waaruit blijkt dat hij slechts vier dagen zou gewerkt hebben voor dit uitzendkantoor.

Deze verklaringen sluiten evenwel niet uit dat hij gedurende een langere periode voor de fir-ma B. zou gewerkt hebben, gelet op de LIMOSA-melding.

Uit het document van de sociale inspectie blijkt dat een aantal werknemers weliswaar aan-gemeld waren bij LIMOSA maar nooit op B. zouden gewerkt hebben, terwijl er ook werk-nemers voor de firma B. gewerkt hebben maar niet bij B. Deze gegevens werden verwerkt in de bijlagen bij het document van de sociale inspectie, maar worden niet gevoegd.

Deze gegevens zijn nochtans noodzakelijk om te kunnen vaststellen of de heer H. in voormelde periode meer gewerkt heeft dan hij zelf toegeeft.

Om het bedrag van de terugvordering te bepalen, is het dan ook noodzakelijk om de bijlagen die gevoegd waren aan de mededeling van inlichtingen te kunnen raadplegen.

Artikel 877 Ger.W. bepaalt dat wanneer er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeen-stemmende vermoedens bestaan dat een partij of een derde een stuk onder zich heeft dat het bewijs inhoudt van een ter zake dienend feit, de rechter kan bevelen dat het stuk of een eensluidend verklaard afschrift ervan bij het dossier van de rechtspleging wordt gevoegd.

Aangezien er vanuit gegaan kan worden dat de FOD Sociale Zekerheid - sociale inspectie re-gio Antwerpen over deze bijlagen beschikt -deze dienst heeft immers voormeld stuk opge-steld - kan ingegaan worden op de vraag om toepassing te maken van artikel 877 Ger.W.

De FOD Sociale Zekerheid - sociale inspectie regio Antwerpen wordt dan ook verzocht de bij-lagen die vermeld worden op pagina drie van de mededeling van inlichtingen van 4 juni 2008 (SI/03/402532 - NRP: 1102950, F.40.0, P. V. en J. H.) bij te brengen.

BESLISSING

Het arbeidshof,

Recht doende op tegenspraak.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.

Alvorens verder te oordelen, verzoekt de FOD Sociale Zekerheid - sociale inspectie regio Ant-werpen, Italiëlei 124 bus 63 te 2000 Antwerpen, overeenkomstig artikel 877 e.v. Ger.W. om de bijlagen die vermeld worden op pagina drie van de mededeling van inlichtingen van 4 juni 2008 (SI/03/402532 - NRP: 1102950, F.40.0, P. V. en J. H.), op de wijze bepaald in voornoemde artikelen, bij het dossier van de rechtspleging te voegen, en dit uiterlijk op 10 juli 2014.

Zegt dat de gevraagde documenten binnen de hierboven vermelde termijn ter griffie van het arbeidshof Antwerpen, afdeling Antwerpen, Cockerillkaai 39 te 2000 Antwerpen, tegen ont-vangstbewijs kunnen worden neergelegd.

Beveelt dat dit verzoek door de griffier aan de FOD Sociale Zekerheid - sociale inspectie regio Antwerpen wordt gezonden bij gerechtsbrief.

Zegt dat de FOD Sociale Zekerheid - sociale inspectie regio Antwerpen zijn opmerkingen schriftelijk kan voordragen, of mondeling in de raadkamer van zaal H, eerste verdieping van dit arbeidshof, op de terechtzitting van 3 september 2014 om 10.30 uur, en dat partijen in-zage mogen nemen van de documenten en erop antwoorden.

Stelt de zaak voor verdere behandeling op de zitting van 8 oktober 2014 om 9.30 uur, zaal H, eerste verdieping.

Houdt de uitspraak over de kosten aan.

Vrije woorden

  • SOCIALE VOORZORG

  • RECHT OP MAATSCHAPPELIJKE INTEGRATIE : Leefloon

  • terugvordering

  • beroep tegen eerste beslissing en niet tegen vervangende beslissing