- Arrest van 24 januari 2014

24/01/2014 - 2013/AB/128

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het neerleggen van een klacht tegen de werkgever waarin minstens geïnsinueerd wordt dat de werkgever de bedoeling had om goederen die per vergissing werden geleverd voor zich te houden maakt de samenwerking tussen de werkgever en werknemer onmiddellijk en definitief onmogelijk.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 24 januari 2014

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

O. ,

appellant,

vertegenwoordigd door mevrouw VEUGEN Ilse, syndicaal afgevaardigde

en volmachtdrager , te 9000 Gent, Koning Albertlaan 95

Tegen:

RIGAMAT NV, met maatschappelijke zetel te 3300 TIENEN, Diestsesteenweg 229,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. HOGNOUL Sonia, advocaat te 3300 TIENEN, Kabbeekvest 70

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 11-10-2012 door de arbeidsrechtbank te Leuven, 1ste B kamer (A.R. 11/2017/A),

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 7 februari 2013,

de conclusies en syntheseconclusies voor de appellant, neergelegd ter griffie op 22 augustus 2013 en 5 november 2013,

de conclusie en repliek-syntheseconclusies voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 5 april 2013 en 3 oktober 2013 ,

de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 6 december 2013, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op 10 januari 2014, waarop ze verdaagd werd voor uitspraak op heden.

***

*

I. FEITEN

De heer O. trad op 1 maart 2010 in dienst van de NV Rigamat (hierna genoemd de NV) als bediende (verkoper), met schriftelijke arbeidsovereenkomst van dezelfde datum.

Met aangetekende brief van 4 november 2010 maakte de NV melding van een discussie over het opnemen van vakantiedagen, naar aanleiding waarvan de heer O. het werk ‘in woede' zou hebben verlaten om vervolgens arbeidsongeschikt te worden.

Met aangetekende brief van 16 november 2010 maakte de NV melding van proble-men met betrekking tot het opnemen van ziektedagen, en van een incident op 15 november 2010, waarbij de heer O. het werk ‘met tegenzin' zou hebben hervat, de hem gegeven opdrachten niet zou uitgevoerd hebben, tegen palletstellingen had geleund en niets deed, en nadat hij hierover aangesproken werd, een PVC kast in de rekken zou hebben gegooid, één en ander in het bijzijn van klanten.

Met brief van 18 november 2010 kwam de vakorganisatie van de heer O. tussen. Zij betwistte namens haar aangeslotene de inhoud van de vorige brieven en gaf een eigen versie van de incidenten; verder werden problemen aangekaart met betrekking tot inhaalrustdagen en verlofdagen.

Op 18 november 2010 bood de heer O. zich volgens de gegevens in het strafdossier aan bij de politie PZ Tienen Hoegaarden waar hij melding maakte van het feit dat er begin oktober een levering bij de NV was binnengekomen waarbij ook een pakket werd afgezet voor HFK Kestens, meer bepaald toestellen van Dewalt, die enkel in de speciaalzaak mogen verkocht worden. Hij diende deze goederen te stockeren op de zolder. Hij belde naar Dewalt en kreeg de vraag om de serienummers te noteren, waarbij hij vast stelde dat de toestellen niet meer aanwezig waren.

Uit hetzelfde document blijkt dat de politiediensten contact hadden genomen met mevrouw P., medezaakvoerder van de NV, die later terugbelde met de melding dat het pakket van Dewalt klaar stond om door de leverancier opgehaald te worden.

Met aangetekende brief van 19 november 2010 beëindigde de NV de arbeids-overeenkomst om dringende reden, waarvan in dezelfde brief als volgt kennis werd gegeven:

"In eerste instantie wil ik verwijzen naar ons eerste schrijven d.d. 04/11/2010 waarin verwezen werd naar de dreigementen ten aanzien van B. (uw werkgever) en uw vertrek in woede naar aanleiding van het feit dat de toegestane verlofdagen niet overeenstemden met uw verlofschema.

Een tweede feit heeft zich voorgedaan d.d. 15/11/2010 waarop een tweede aangetekend schrijven volgde d.d. 16/11/2010. Hierin wordt verwezen naar het feit dat weigeren van opdrachten, het onheus behandelen van onze goederen (cfr. het gooien van een PVC-kast in de rekken) en dergelijk ongepast gedrag in bijzijn van onze klanten niet langer getolereerd kan worden en die aanleiding geven tot een ontslag om dringende reden.

Echter op datum 18/11/2010 heeft er zich een derde feit voorgedaan waardoor wij de samenwerking effectief om dringende reden willen stopzetten. U heeft immers een manifest onjuiste klacht over ons ingediend bij de politie betreffende een vermeende diefstal van materiaal waardoor u schade heeft aangericht aan onze reputatie en dit zelfs rechtstreeks naar onze klanten toe en andere handelszaken.

U laat ons hierbij geen andere keuze dan u te ontslaan wegens dringende reden."

Met brief van 24 november 2010 betwistte de vakorganisatie van de heer O. het ontslag om dringende reden in volgende bewoordingen:

"Betrokkene gaat niet akkoord met uw bewering als dat de klacht dewelke werd ingediend bij de politie berust op valse gegevens."

De vakorganisatie vorderde betaling van een opzeggingsvergoeding gelijk aan drie maanden loon.

Na een herinneringsbrief van 9 december 2010, antwoordde de raadsman van de NV dat de aanspraken van de heer O. ongegrond waren.

II. RECHTSPLEGING

a.-

Met inleidende dagvaarding vorderde de heer O. voor de Arbeidsrechtbank te Leuven betaling door de NV van 8.622,85 euro opzeggingsvergoeding en 1.639,91 euro als eindejaarspremie.

Hij vorderde tevens de veroordeling van de NV tot de kosten van het geding en de voorlopige uitvoerbaarheid van het te wijzen vonnis zonder enige reserve.

b.-

Met conclusie, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank op 8 juni 2012 vorder-de hij tevens dat de door hem gevorderde bedragen zouden worden verhoogd met de wettelijke en de gerechtelijke intrest.

c.-

Met vonnis van 11 oktober 2012 verklaarde de arbeidsrechtbank de vordering ont-vankelijk doch ongegrond; verder veroordeelde zij de heer O. tot de kosten van het geding.

d.-

Er wordt geen melding gemaakt van een betekening van dit vonnis.

e.-

Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 7 februari 2013, tekende de heer O. hoger beroep aan tegen dit vonnis; hij vorderde dat het arbeidshof het vonnis van de arbeidsrechtbank van 11 oktober 2012 zou hervormen en zijn oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond zou verklaren, met verwijzing van de NV in de kosten van beide aanleggen.

III. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is.

IV. BEOORDELING

Tijdigheid van het ontslag om dringende reden

Niet betwist kan worden dat één van de feiten die de NV als dringende reden weerhouden wenst te zien, met name het neerleggen van een klacht tegen de werkgever, plaatsgegrepen heeft op 18 november 2010 en bijgevolg op het ogenblik van het ontslag minder dan drie werkdagen aan de werkgever bekend kon zijn.

Het ontslag werd gegeven op 19 november 2010; de kennisgeving van de dringende reden gebeurde met aangetekende brief van dezelfde datum, dit is evident binnen de drie werkdagen na het ontslag.

Wanneer aan de werknemer diverse of herhaalde tekortkomingen worden verweten beschikt de werkgever vanaf het laatst gepleegde feit over drie werkdagen om de werknemer te ontslaan. Dit laatste feit en de foutieve aard ervan moeten evenwel bewezen zijn. Wanneer dit bewijs niet wordt geleverd, dan is het ontslag dat wordt betekend meer dan drie werkdagen nadat de andere feiten zijn, laattijdig.

(vgl. Arbh. Brussel 14 april 1974, Med. VBO, 1977, 454; Arbh. Brussel 4 mei 2007, J.T.T. 2007, 390)

Indien de feiten die hebben plaatsgegrepen op 21 december 2008 bewezen zijn en een dringende reden uitmaken, is het ontslag om dringende reden met toepassing van artikel 35 derde en vierde lid van de Arbeidsovereenkomstenwet tijdig gegeven.

De vormvoorschriften van artikel 35 achtste lid van de Arbeidsovereenkomstenwet werden nageleefd.

Rechtmatigheid van het ontslag om dringende reden

Artikel 35, tweede lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt :

"Onder dringende reden wordt verstaan, de ernstige tekortkoming die elke profes-sionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt."

Op de eerste plaats dient de tekortkoming ernstig te zijn: niet elke fout is een dringende reden.

De intrinsieke zwaarwichtigheid van de fout maakt een essentieel bestanddeel uit van de dringende reden.

(vgl. Arbh. Bergen 12 oktober 1990, Rev. Liège 1991, 739)

In de rechtspraak wordt zelfs algemeen aanvaard dat er zware fouten zijn die toch geen dringende reden uitmaken.

(vgl. Arbh. Brussel 20 juni 1980, T.S.R. 1981, 37, noot J. Mallié; Arbh. Brussel 19 september 1986, Rechtspr. Arb. Brussel 1976, 387)

Nauw met dit laatste vereiste verbonden, dient de zware fout de professionele samenwerking tussen werkgever en werknemer onmiddellijk en definitief onmogelijk te maken.

Voor de afdanking om dringende reden is bijgevolg vereist dat de door de werknemer gestelde handeling van die aard is dat elk vertrouwen en geloof in het verder zetten van de contractuele verhouding onmogelijk wordt.

(vgl. Arbh. Luik 14 maart 1984, T.S.R. 1984, 483)

De ernst van het ingeroepen motief moet beoordeeld worden in functie van het onhoudbaar karakter van de toestand die ze tot stand heeft gebracht.

(vgl. Arbh. Luik 8 maart 1971, Jur. Liège 1970-71, 236)

Wanneer de fouten van de werknemer de arbeidsverhoudingen tussen de werknemer en de werkgever niet dadelijk en volledig onmogelijk maakten, leidt de rechter hieruit wettig af dat die fouten geen dringende reden opleverden.

(Cass. 12 januari 1981, Arr. Cass. 1980-81, 514)

In voorliggende betwisting verwijt de NV aan de heer O. onder andere dat deze ‘een manifest onjuiste klacht tegen de persoon van de werkgever heeft ingediend bij de politie betreffende een vermeende diefstal van materiaal waardoor hij schade heeft aangericht aan de reputatie en dit zelfs rechtstreeks naar de klanten toe en andere handelszaken'.

Het feit dat de heer O. bij de politiediensten klacht heeft ingediend blijkt niet enkel uit het strafdossier, doch ook uit de brief die de vakorganisatie op 24 november 2010 aan de NV schreef, en waarin namens de heer O. niet werd betwist dat klacht werd ingediend bij de politie, doch enkel werd betwist dat deze klacht zou berusten op valse gegevens.

Het bewijs van dit feit is bijgevolg geleverd.

Het neerleggen van een klacht tegen de werkgever waarin minstens wordt geïnsinueerd dat de werkgever de bedoeling had om goederen die per vergissing werden geleverd voor zich te houden, maakt de samenwerking tussen werkgever en werknemer onmiddellijk en definitief onmogelijk.

Bovendien blijkt uit de beschrijving van de feiten in het aanvankelijk procesverbaal van 18 november 2010 dat de heer O. niet enkel de politiediensten op de hoogte heeft gebracht, maar ook contact had opgenomen met de leverancier van de goederen en tevens een collega van de feiten op de hoogte had gebracht.

Tevens blijkt uit dezelfde beschrijving van de feiten dat de politiediensten in het kader van hun onderzoek contact hebben opgenomen met de bestemmeling van de goederen.

Aldus werd de NV rechtstreeks en onrechtstreeks in diskrediet gebracht.

De bewering van de heer O. dat hij de politiediensten enkel op de hoogte heeft gebracht ‘om zijn eigen in te dekken', belet niet dat het neerleggen van een klacht tegen zijn werkgever een dringende reden uitmaakt.

Deze feiten maakten naar het oordeel van het arbeidshof de professionele samenwerking tussen de NV en de heer O. niet onmiddellijk en definitief onmogelijk.

Het was dan ook terecht dat de arbeidsrechtbank van oordeel was dat de heer O. terecht was ontslagen om dringende reden en bijgevolg geen aanspraak kon maken op de door hem gevorderde opzeggingsvergoeding en eindejaarspremie.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24;

Rechtsprekend op tegenspraak en na erover beraadslaagd te hebben:

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis in alle beschikkingen;

Verwijst de heer O. in de kosten van het hoger beroep, in hoofde van de NV begroot op 650 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Daniël RYCKX, raadsheer,

Simone ALAERTS, raadsheer in sociale zaken, werkgever

André LEURS, raadsheer in sociale zaken,werknemer-bediende

bijgestaan door :

VAN DEN BROECKE Dirk, griffier

Dirk VAN DEN BROECKE , Daniël RYCKX,

Simone ALAERTS, André LEURS.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel op vrijdag 24 januari 2014 door:

Lieven LENAERTS, kamervoorzitter

bijgestaan door

Dirk VAN DEN BROECKE, griffier.

Dirk VAN DEN BROECKE, Lieven LENAERTS.

Vrije woorden

  • ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • ALGEMENE REGELINGEN

  • Ontslag

  • Dringende reden

  • Klacht tegen de werkgever.