- Arrest van 13 februari 2014

13/02/2014 - 2013/AB/574

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Een sanctie, uitgesproken op basis van art. 30 van de wet van 26 mei 2002 dient, om te beantwoorden aan de verplichting tot motivering, uitdrukkelijk melding maken van de wettelijke bepaling, die toelaat de sanctie op te leggen, de vaststelling dat de feiten onder toepassing van deze bepaling vallen en de vaststelling dat aan de voorwaarden voldaan is om een sanctieverzwaring op te leggen (bedrog, herhaling).

Wanneer de vordering van de gerechtigde niet alleen tot voorwerp heeft de formele vernietiging van de sanctie wegens een gebrek aan motivering, maar ook het recht op het leefloon voor de periode waarvoor de sanctie werd opgelegd en de rechter voldoende geïnformeerd is over de motieven van de sanctie, dient hij zich niet te beperken tot een loutere vernietiging van de sanctie, maar kan hij de sanctie beoordelen en uitspraak doen over het recht op leefloon voor de periode, die overeenstemt met de vernietigde sanctie.

Bij de beoordeling van de sanctie dient niet alleen rekening gehouden te worden met de ernst van de tekortkoming, maar ook met het specifieke karakter van de reglementering als laatste sociaal vangnet en met de sociale gevolgen van de sanctie.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.: 2014/

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 13 FEBRUARI 2014

7e KAMER

OCMW - maatschappelijke dienstverlening

tegensprekelijk

definitief

kennisgeving per gerechtsbrief (art. 580, 8°, Ger. W.)

in de zaak:

OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN MEISE, met zetel te 1861 WOLVERTEM, Godshuisstraat 33, appellant, vertegenwoordigd door de heer PUTTEMAN Jeroen, personeelslid en houder van een schriftelijke volmacht,

tegen:

M.F.,

geïntimeerde, die in persoon verschijnt en bijgestaan door mr. VAN DER HASSELT Marijke, advocaat te 1800 VILVOORDE, Sint Annalaan, 608.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 25 april 2013 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 31e kamer (A.R. 11/895/12),

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 24 mei 2013,

de neergelegde conclusies,

het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, neergelegd ter griffie op 2 januari 2014 door advocaat-generaal J.-J. André,

de replieken op dit schriftelijk advies, neergelegd ter griffie op 16 januari 2014 voor het OCMW van Meise en voor mevrouw

de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 19 december 2013, waarna de debatten werden gesloten, het openbaar ministerie zijn schriftelijk advies ter griffie heeft neergelegd, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

Mevrouw M.F. ontving vanaf 1 november 2009 financiële steun vanwege het ocmw Meise onder de vorm van een equivalent leefloon, voor een persoon met gezinslast. Zij had drie kinderen ten laste. Op het ogenblik van de aanvraag verklaarde zij dat zij niet (meer) samenwoonde met de vader van de kinderen. Mevrouw M.F. genoot eveneens een huurtoelage.

Nadat zij sinds 15 februari 2012 was ingeschreven in het bevolkingsregister, genoot mevrouw M.F. vanaf 1 maart 2012 een leefloon als persoon met gezinslast.

2.

Op 25 april 2012 ontving het ocmw Meise, in het kader van de reglementering tot bescherming van de huurwoning, van de griffie van het vredegerecht een afschrift van een verzoekschrift tot uitdrijving van mevrouw M.F. uit de door haar betrokken huurwoning. Het ocmw Meise stelde daarbij vast dat dit verzoekschrift niet enkel tegen mevrouw M.F. gericht was, maar ook tegen de heer M*., vader van de drie kinderen.

Het ocmw Meise verkreeg daarna, via de verhuurder, een kopie van de huurovereenkomst. De inhoud van deze overeenkomst bleek niet overeen te stemmen met de huurovereenkomst die mevrouw M.F., op het ogenblik dat zij op 1 november 2009 steun aanvroeg, aan het ocmw overhandigd had. Op het exemplaar, overhandigd aan het ocmw, was enkel de naam van mevrouw M.F. als huurder vermeld, terwijl het exemplaar, bezorgd door de verhuurder, vermeldde dat de huurovereenkomst werd aangegaan door mevrouw M.F. en de heer M*.. Verder waren er ook nog andere verschillen.

Een huisbezoek op 15 juni 2012 kon niet plaatsvinden, omdat mevrouw M.F. niet aanwezig was.

3.

Bij beslissing van 18 juni 2012 heeft het ocmw Meise, na mevrouw M.F. gehoord te hebben, het recht op leefloon geschorst gedurende een periode van 12 maanden, met ingang op 1 juni 2012. Verder werd de huurtoelage, die mevrouw M.F. tot op dat ogenblik genoot, ingetrokken.

De beslissing werd in feite als volgt gemotiveerd:

"Het leefloon en huurtoelagen worden U niet meer uitgekeerd aangezien geconstateerd werd dat u informatie die een invloed heeft op de berekening van uw leefloon met opzet achtergehouden of foutief vermeld heeft. Uit een sociaal onderzoek is gebleken dat u reeds geruime tijd samenwoont met je partner, M*. , terwijl U ons steeds heeft voorgehouden een alleenstaande persoon met een gezin ten laste te zijn. Wij baseren ons hierbij op de volgende elementen:"

(volgen dan een aantal feitelijke vaststellingen die verder besproken worden, en voornamelijk de vaststelling in verband met de onjuistheid van de voorgelegde huurovereenkomst).

4.

Bij verzoekschrift van 19 september 2012 vorderde mevrouw M.F. voor de arbeidsrechtbank te Brussel de vernietiging van de bestreden beslissing en de toekenning van het leefloon en van de huurtoelage vanaf 1 juni 2012. Mevrouw M.F. vorderde verder de kosteloosheid van de procedure en de aanstelling van een gerechtsdeurwaarder voor de betekening en uitvoering van het tussen te komen vonnis.

5.

Bij vonnis van 25 april 2013, ter kennis gebracht op 3 mei 2013, heeft de arbeidsrechtbank te Brussel de vordering gedeeltelijk gegrond verklaard.

De bestreden beslissing werd vernietigd in zoverre zij mevrouw M.F. uitsloot uit het recht op leefloon vanaf 1 juni 2012. Ze werd bevestigd in zoverre de huurtoelage werd stopgezet vanaf 1 juni 2012. Een gerechtsdeurwaarder werd aangesteld met het oog op de betekening en de uitvoering van het vonnis, dat uitvoerbaar werd verklaard bij voorraad.

6.

Bij verzoekschrift van 23 mei 2013 heeft het ocmw Meise hoger beroep aangetekend tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank van Brussel.

Bij conclusies heeft mevrouw M.F. incidenteel beroep ingesteld tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank, in zoverre dit vonnis haar afwees van het recht op een huurtoelage. Mevrouw M.F. vorderde verder opnieuw de toekenning van de kosteloze rechtsbijstand.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Het is ingeleid binnen de maand na de kennisgeving van de bestreden beslissing en is aldus tijdig. Het beroep is ontvankelijk.

III. BEOORDELING.

Het vonnis van de eerste rechter en de standpunten der partijen.

1.

De eerste rechter vernietigde in de eerste plaats de bestreden beslissing, omdat deze niet voldoende in rechte gemotiveerd was. Hij stelde zich daarna in de plaats van het ocmw voor de beoordeling van het gevorderde recht op leefloon.

Ten gronde oordeelde de eerste rechter dat onvoldoende bewezen was dat mevrouw M.F. samengewoond had met de vader van haar kinderen. Hij was van mening dat het sociaal onderzoek op weinig orthodoxe wijze gebeurd was en de verzamelde bewijzen niet afdoende waren. Hij vernietigde op die basis de uitgesproken sanctie. Hij oordeelde verder dat de maatschappelijke dienstverlening in de vorm van een huurtoelage, niet retroactief aan mevrouw M.F. kon worden toegekend, omdat gebleken was dat deze huurtoelage niet aangewend werd voor de betaling van de huishuur.

2.

Het ocmw Meise is in de eerste plaats van mening dat de eerste rechter ten onrechte de bestreden beslissing vernietigd heeft wegens een gebrek aan motivering. Hij wijst erop dat de bestreden beslissing voor wat betreft de feiten uitvoerig gemotiveerd is en dat op pagina 3 van de beslissing een letterlijke weergave voorkomt van de artikelen 30 en 31 van de wet van 26 mei 2002 op de maatschappelijke integratie.

Ten gronde onderlijnt het ocmw Meise dat uit de vergelijking van de huurovereenkomst, zoals deze hem door de verhuurder werd overgemaakt en het exemplaar dat bezorgd werd door mevrouw M.F. op het ogenblik dat zij voor de eerste maal financiële steun aanvroeg, duidelijk blijkt dat de huurovereenkomst, voorgelegd door mevrouw M.F., vervalst werd. Op de originele huurovereenkomst werden een aantal vermeldingen uitgewist of vervangen, zoals de naam van de vader als medehuurder en de datum van aanvang van de huurovereenkomst. Het ocmw Meise verwijst verder nog naar: (-) een aantal geschreven getuigenverklaringen die hij bij het dossier voegt, en waarin vermeld wordt dat het appartement, waarin mevrouw M.F. verbleef, bewoond werd door een man, vrouw en kinderen; (-) de overeenkomst voor de aansluiting op elektriciteit, die reeds vanaf het jaar 2007 op naam stond van de vader, wat ook in 2010 nog het geval was, (-) het feit dat mevrouw M.F. op 15 juni 2012 niet aanwezig was op het aangekondigde huisbezoek, en de deur werd opengedaan door een niet nader geïdentificeerde man (-) het feit dat mevrouw M.F. zich op een facebook account aanmeldde met de naam van haar echtgenoot.

In ondergeschikte orde stelt het ocmw Meise dat, zelfs indien de bestreden administratieve beslissing zou vernietigd worden, daaruit niet zonder meer kan afgeleid worden dat mevrouw M.F. recht zou hebben op een leefloon. Mevrouw M.F. zou onvoldoende duidelijk maken van welke bestaansmiddelen zij geleefd heeft in de periode waarop de sanctie betrekking had en hoe zij erin slaagde de huishuur te betalen. Zij zou aldus haar behoeftigheid niet aantonen, terwijl zij anderzijds in gebreke zou blijven bepaalde inkomsten op haar bankrekening te verklaren.

Het ocmw Meise vraagt de afwijzing van het incidenteel beroep en verwijst daarbij naar de motieven van de eerste rechter. In de repliekconclusies op het advies van het Openbaar Ministerie wijst het ocmw er verder op dat mevrouw M.F. in ieder geval in de bestreden periode geen aanspraak meer kon maken op de huurtoelage, omdat rekening diende gehouden te worden met het inkomen van haar partner en daardoor de grens overschreden was om aanspraak te kunnen maken op de huurtoelage, dit volgens het intern reglement van het ocmw.

3.

Mevrouw M.F. vraagt de bevestiging van het eerste vonnis, in zoverre dit bestreden beslissing vernietigde op basis van een gebrek aan motivering.

Ten gronde betwist zij dat zij in de betwiste periode samenwoonde met de heer M*.. Zij zet uiteen dat oorspronkelijk het appartement door de heer M*. gehuurd was, en dat de eigenaar gevraagd had dat zij de huurovereenkomst mee zou ondertekenen. Na de geboorte van haar derde kind zou de relatie tussen partijen verslechterd zijn waarbij de heer M*. het appartement verliet einde 2009. Zulks verklaart waarom de oorspronkelijke huurovereenkomst op naam van beide partijen stond en ook de elektriciteitsovereenkomst nog een ganse tijd op naam van de heer M*. stond. Mevrouw M.F. betwist de door het ocmw Meise aangebrachte getuigenverklaringen, die gestandaardiseerde verklaringen zijn, ondertekend door de verhuurder, zijn echtgenote en diens aangestelden. Met betrekking tot de elektriciteitsfacturen voert zij aan dat deze sinds de maand januari 2011 op haar naam gesteld werden. Zij brengt ook een aantal elementen aan die volgens haar voldoende aantonen dat de heer M*. effectief op een andere plaats woonde.

Met betrekking tot de huurtoelage (incidenteel beroep) stelt mevrouw M.F. dat zij de huurtoelage wel degelijk heeft aangewend voor de betaling van de huishuur, maar dat zij vanaf 1 juni 2012 helemaal niets meer kon betalen, omdat haar het recht op leefloon ontzegd werd.

De ingeroepen nietigheid van de bestreden beslissing.

4.

Overeenkomstig artikel 21, § 2 van de wet van 26 mei 2002 op de maatschappelijke integratie moet elke beslissing met individuele strekking, die rechtsgevolgen heeft ten aanzien van het recht van de betrokken persoon op maatschappelijke integratie in de vorm van een leefloon, met redenen worden omkleed. De motivering moet afdoende zijn en moet zowel betrekking hebben op de juridische als op de feitelijke elementen, die aan de beslissing ten grondslag liggen. Eenzelfde regel is opgenomen in de wet van 29 juli 1991 op de formele motivering van bestuurshandelingen.

Indien de bestreden beslissing ongetwijfeld op voldoende wijze aangeeft op welke feitelijke elementen zij zich gesteund heeft, ontbeert zij echter, zoals de eerste rechter terecht vaststelde, een afdoende juridische motivering.

De vaststelling dat een persoon op onregelmatige wijze uitkeringen verkregen heeft, of te hoge uitkeringen heeft ontvangen, kan tot verschillende maatregelen leiden. Het onverschuldigd betaalde leefloon kan teruggevorderd worden, er kan in toepassing van artikel 22 van de wet een herzieningsbeslissing genomen worden of er kan ook, zoals in casu het geval blijkt geweest te zijn, een sanctie opgelegd worden, overeenkomstig artikel 30, § 1 van de wet.

De toepassingsregels voor ieder van deze mogelijke beslissingen zijn niet identiek. Bij een herzieningsbeslissing moet nagegaan worden of aan één van de specifieke voorwaarden, opgesomd in artikel 22, §1 van de wet voldaan is, en of aan de beslissing, overeenkomstig art. 22, § 2 een terugwerkende kracht kan verleend worden. Een sanctie kan overeenkomstig artikel 30, § 1 slechts in een beperkt aantal gevallen opgelegd worden. Het maximum van de sanctie is verschillend naargelang al dan niet bedrieglijk opzet is vastgesteld, of naargelang het om een eerste inbreuk gaat of om een tweede inbreuk. De sanctie kan bestaan in een gehele, dan wel gedeeltelijke schorsing van het leefloon.

5.

Een afdoende juridische motivering vereist dat de beslissing minstens duidelijk gemaakt welk soort maatregel ten aanzien van de leefloontrekker genomen wordt, en welke de wettelijke bepaling is die het ocmw toelaat deze maatregel te nemen. Aldus kan de leefloontrekker op afdoende wijze verifiëren of de genomen maatregel in overeenstemming is met de wettelijke bepaling waarvan toepassing wordt gemaakt.

In casu wordt in de beslissing van het ocmw niet uitdrukkelijk aangegeven dat de beslissing een sanctiemaatregel inhoudt in de zin van artikel 30 van de wet. De verwijzing, helemaal op het einde van de beslissing na de aanduiding van de beroepsmogelijkheden naar de bepalingen van het Koninklijk Besluit van 31 mei 1933 en naar art. 30 en 31 van de wet met betrekking tot het afleggen van valse verklaringen of het opmaken van valse attesten, maakt duidelijk geen deel uit van de motivering van de bestreden beslissing. Het gaat om een algemene vermelding die blijkbaar standaard in alle beslissingen voorkomt. Zij vestigt de aandacht van de leefloontrekker op de sancties waaraan hij zich bloot stelt ingeval van het afleggen van onjuiste verklaringen.

Indien het hof op basis van een aandachtige lezing van de beslissing, kan opmaken dat het gaat om een sanctiebeslissing, dan is dit ongetwijfeld niet zo voor iedere leefloontrekker. De eerste zin van de motivering kan immers evengoed wijzen op een herzieningsbeslissing.

6.

Meer in het bijzonder vereist een adequate motivering van een sanctiebeslissing minimaal dat uitdrukkelijk wordt vastgesteld dat de vastgestelde tekortkomingen een inbreuk uitmaken die onder de toepassing vallen van artikel 30 van de wet en of de tekortkoming al dan niet beschouwd wordt als begaan met bedrieglijk opzet, vermits alleen in het tweede geval een sanctie van 12 maanden kan opgelegd worden.

Een "goede" motivering van de sanctie vereist bovendien enige aanduiding over het waarom van de sanctiemaat, zeker wanneer de maximumsanctie wordt uitgesproken. Een "goede" motivering houdt, zeker inzake leefloon, ook een onderzoek in van de sociale gevolgen van de sanctie, te meer nu artikel 30, § 1 uitdrukkelijk ook de mogelijkheid voorziet om slechts een gedeeltelijke schorsing van het leefloon uit te spreken.

7.

De bestreden administratieve beslissing is aldus, zoals de eerste rechter terecht vaststelde, nietig.

De vraag die zich wel stelt is of de eerste rechter vermocht zich in dit geval aan het ocmw te substitueren, dan wel of hij zich niet had dienen te beperken tot een vernietiging van de sanctie en de zaak terug verwijzen naar het ocmw. In de regel wordt immers aangenomen dat het substitutierecht van de rechter, dat algemeen is wanneer het een beslissing betreft die uitspraak doet over een subjectief recht, niet speelt wanneer het gaat om een sanctiebeslissing (J. Put, Administratieve sancties in het sociale zekerheidsrecht, De Keure, 1998, p. 484). Er zijn echter, zoals dezelfde auteur aangeeft, op deze regel een aantal nuances mogelijk. Een eerste nuance is wanneer de betrokkene zijn vordering niet beperkt tot de vernietiging van de beslissing, maar zijn vordering ook tot voorwerp heeft het recht op sociale zekerheidsprestaties tijdens de periode waarvoor de schorsing opgelegd werd. Een andere nuance betreft specifiek de nietigheid ingevolge een gebrek in de motivering. Anders dan bij bijvoorbeeld het niet naleven van de hoorplicht, waarbij het bestuur een beslissing genomen heeft zonder een voldoende kennis van zaken omdat het standpunt van de betrokkene niet gevraagd werd, kan bij een gebrek aan motivering de rechter oordelen dat hij perfect op de hoogte is van het standpunt van het bestuur, zodanig dat zijn beslissing zich in feite beperkt tot een controle van dat standpunt, zonder zich in de plaats te stellen van het bestuur. (J. Put, op. cit. p. 486-489; in dezelfde zin, D. Simoens, Handboek ocmw dienstverlening, Die Keure, 2010, p. 723).

8.

Het hof is van oordeel dat er in de voorliggende betwisting aanleiding is om tot substitutie over te gaan. Aan de ene kant is de vordering van mevrouw M.F. duidelijk gericht op het verkrijgen van het subjectief recht op leefloon, tijdens de periode waarin de sanctie liep. Aan de andere kant is het hof, op basis van de bestreden beslissing, samengelezen met de voorafgaande sociale verslagen en op basis van de uitvoerige besluiten en pleidooien, voldoende geïnformeerd over de motieven die het ocmw aanvoert ter rechtvaardiging van zijn beslissing. Proceseconomische is een dergelijke substitutie ook te verrechtvaardigen. Gelet op het standpunt ingenomen in het kader van de procedure, en in het bijzonder het beroep ingesteld tegen het vonnis van de eerste rechter, is het weinig waarschijnlijk dat, na een formele vernietiging van de beslissing, het ocmw een andere beslissing zou nemen dan deze die thans voorligt.

De beoordeling van de sanctie en het recht op leefloon tijdens de periode van schorsing.

9.

In het centrum van het debat staat de vraag of mevrouw M.F., vanaf het ogenblik dat zij voor de eerste maal maatschappelijke hulp aanvroeg (later omgezet in een recht op leefloon) en daarna al dan niet samenwoonde met de vader van haar kinderen en of, zo dit geval was, er sprake was van een inbreuk die het opleggen van een sanctie in toepassing van artikel 30, § 1 van de wet van 26 mei 2002 kan verrechtvaardigen. In toepassing van deze laatste bepaling, kan de uitbetaling van het leefloon geheel of gedeeltelijk geschorst worden indien de betrokkene hetzij verzuimt bestaansmiddelen aan te geven, waarvan hij het bestaan kent, hetzij onjuiste verklaringen aflegt die het bedrag van het leefloon beïnvloeden. De maximumsanctie bedraagt in de regel 6 maanden, maar kan verhoogd worden tot 12 maanden ingeval van bedrieglijk opzet.

10.

Beide partijen voeren uitvoerig feitelijke elementen aan, het ocmw Meise om aan te tonen dat er wel degelijk samenwoning was, mevrouw M.F. om deze samenwoning te betwisten.

Voor de stelling van mevrouw M.F. pleit het feit dat, op het ogenblik van het toekennen van de prestaties, en bij een latere controle op 25 augustus 2010, geen elementen werden vastgesteld die wezen op een samenwoning. Uit de stukken voorgelegd door mevrouw M.F. blijkt volgens het hof ook voldoende duidelijk dat de heer M*. minstens in die periode van april 2011 tot april 2012 een appartement huurde in M. (bewijzen van betaling van de huur in het dossier) en dat op dit adres ook een aantal nutsaansluitingen gefactureerd werden. De heer M*. was er op dit adres gedomicilieerd, hetgeen veronderstelt dat er een politiecontrole is geweest op het effectief verblijf. Ook toont mevrouw M.F. op basis van de stukken van haar dossier (stuk 11) voldoende aan, en dit in tegenstelling met hetgeen het ocmw Meise stelt, dat minstens vanaf 2011 de elektriciteitsaansluiting in de woning te Wolvertem op haar naam stond.

Daartegenover staan de getuigenverklaringen aangevoerd door het ocmw, het feit dat de elektriciteitsaansluiting in ieder geval nog een ganse periode op naam stond van de heer M*., en het feit dat op 15 juni 2012 mevrouw M.F. niet aanwezig was voor een aangekondigd huisbezoek, en de deur geopend werd door een onbekend persoon.

De waarheid ligt wellicht ergens in het midden. Zoals mevrouw M.F. uiteenzette was de echtelijke relatie na de geboorte van het derde kind in 2009 erg vertroebeld, zodat samenleving zeer moeilijk was geworden. Dit nam echter niet weg dat de vader blijkbaar een zeer regelmatige relatie met de kinderen bleef onderhouden en dus ook vaak aanwezig was in het appartement. Het is niet uitgesloten dat, in een wisselende relatie, er periodes van samenwoning zijn geweest en periodes van niet samenwoning.

De exacte bepaling van de duur van de samenwoning is voor de oplossing van de betwisting echter niet relevant vermits het ocmw niet gekozen heeft voor een herziening van het recht op leefloon met terugwerkende kracht, noch voor een terugvordering, maar wel voor het opleggen van een sanctie wegens het afleggen van onjuiste verklaringen en vooral voor het voorleggen van valse documenten.

11.

Van (groot) belang is wel dat mevrouw M.F., op het ogenblik van de aanvraag van het recht op financiële steun, klaarblijkelijk gebruik gemaakt heeft van een vervalste huurovereenkomst.

De huurovereenkomst die zij voorlegde aan het ocmw is immers een ‘bewerkte' versie van de in werkelijkheid op 1 november 2007 afgesloten overeenkomst, zoals die wordt voorgelegd door het ocmw, en die geregistreerd werd in 2009. Dat het niet om een nieuwe huurovereenkomst, maar om een bewerkte huurovereenkomst gaat, blijkt duidelijk uit de paraferingen die van onder op alle bladzijden van de twee voorgelegde exemplaren van de huurovereenkomst werden aangebracht. Er zijn duidelijk telkens drie paraferingen, op identieke plaatsen. Dat het om een bewerking van dezelfde huurovereenkomst gaat blijkt ook duidelijk uit de laatste bladzijde, die toont dat het gaat om dezelfde huurovereenkomst die op 22 december 2009 geregistreerd werd. Deze huurovereenkomst vermeldde als huurders zowel mevrouw M.F. als de heer M*.. Op het exemplaar dat aan het ocmw werd bezorgd werd de naam van de heer M*. uitgewist. De datum van afsluiting van de huurovereenkomst werd eveneens uitgewist en met de hand vervangen door de datum van 5 november 2009. Hetzelfde geldt voor de datum van aanvang van de huurovereenkomst die gewist werd en met de hand vervangen. (wel werd ‘vergeten' de bepalingen inzake de aanpassingen van huurprijs aan de index eveneens te wijzigen).

De bewering van mevrouw M.F. ter zitting dat één en ander zou verduidelijkt zijn aan de maatschappelijk assistente op het ogenblik van de eerste aanvraag, is op geen enkele manier bewezen. In de voorgelegde sociale verslagen is daarvan geen sprake.

Ook als niet kan uitgesloten worden dat de verhuurder, op het ogenblik dat de heer M*. (althans volgens de verklaringen van mevrouw M.F.) het appartement verliet in oktober of november 2009, weigerde een huurovereenkomst af te sluiten op naam van mevrouw M.F. alleen, gaf haar dit in geen enkel geval het recht om een vervalste huurovereenkomst in te dienen bij het ocmw.

12.

Het staat op basis op basis van de voorgelegde documenten dan ook voldoende vast dat mevrouw M.F. onjuiste of onvolledige verklaring heeft afgelegd die het bedrag van haar leefloon hadden kunnen beïnvloeden. Weliswaar bleef mevrouw M.F., ook als zij samenwoonde, het statuut behouden van persoon met gezinslast, maar er had dienen rekening gehouden te worden met het inkomen van samenwonende partner (in zoverre dit inkomen het bedrag van het leefloon voor een samenwonende overschreed).

Voor het hof staat eveneens vast dat dit met bedrieglijk opzet gebeurde. Valse documenten werden aangewend.

13.

De opgelegde sanctie, een uitsluiting uit het recht op leefloon voor de maximumperiode van 12 maanden, staat echter buiten verhouding tot de vastgestelde tekortkoming.

In de eerste plaats dient eraan herinnerd te worden dat het recht op maatschappelijke integratie (leefloon), samen met de financiële hulp voor degenen die niet voldoen aan de voorwaarden om aanspraak te kunnen maken op een leefloon, het laatste vangnet vormen onder het gehele sociale systeem. Een werkloze die uitgesloten wordt uit het recht op werkloosheidsuitkeringen, of een zieke die het recht op uitkeringen verliest omdat hij gewerkt heeft tijdens zijn ziekte, kan nog steeds terugvallen op een leefloon of een financiële steun. Degene die van een leefloon geniet heeft geen enkel ander vangnet. Een uitsluiting uit het recht op leefloon voor een ganse periode van één jaar is dan ook per definitie een exceptionele sanctie, die slechts zeer uitzonderlijk kan worden opgelegd.

Ten tweede houdt de sanctie ook geen rekening met de sociale situatie van mevrouw M.F., en in het bijzonder met het feit dat zij drie kleine kinderen ten laste had, die mee met haar op straat konden belanden. Er dient in dit verband aan herinnerd te worden dat de wet van 26 mei 2002, anders dan de vroegere bestaansminimumwet van 1974, expliciet voorzien heeft in een grote moduleerbaarheid van de sanctie, door toe te laten slechts een gedeeltelijke schorsing van het leefloon uit te spreken.

Ten derde moet vastgesteld worden dat de controle op de feitelijke situatie van mevrouw M.F. door het ocmw Meise ook beperkt geweest is. Na de controle van augustus 2010, blijkbaar uitgelokt door het bericht van de verhuurder dat er sprake zou zijn van samenwoning, zijn er geen nieuwe controles uitgevoerd vóór juni 2012. Regelmatige controles zouden toegelaten hebben een (eventuele) samenwoning vast te stellen, de betrokkene te wijzen op haar verplichtingen en desgevallend het bedrag van het leefloon aan te passen.

Een laatste element is dat de mevrouw M.F. blijkbaar zeer goed meewerkte aan haar reïntegratie op de arbeidsmarkt. In het volledige eerste semester van het jaar 2012 heeft zij een voltijdse administratieve opleiding gevolgd. (Verder blijkt uit de instructie ter zitting dat mevrouw M.F., na het verstrijken van de bestreden sanctie, een tewerkstelling in het kader van artikel 60, § 7 van de wet van 8 juli 1976 op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn aanvaard heeft, en dat het ocmw blijkbaar zeer tevreden is over de wijze waarop zij haar werk uitvoert).

In het licht van enerzijds de ernst van de tekortkoming - het opmaken van valse stukken -, maar anderzijds de finaliteit van de wetgeving en de bijzondere omstandigheden, herleidt het hof de opgelegde sanctie tot een periode van vier maanden.

14.

Mevrouw M.F. dient aldus hersteld te worden in het recht op leefloon vanaf 1 oktober 2012. Het herstel in het recht op leefloon vereist wel, zoals het ocmw Meise terecht opmerkt, dat moet nagegaan worden of mevrouw M.F. aan al de voorwaarden voldeed om recht te hebben op leefloon, en met name of zij zonder bestaansmiddelen was, dan wel diende rekening gehouden te worden met de bestaansmiddelen van een samenwonende partner.

Mevrouw M.F. heeft het geheel van haar bankuittreksels voorgelegd, en zij heeft, daar waar er twijfel was over bepaalde sommen, een passende uitleg gegeven. Het is niet aangetoond dat zij in de periode die moet onderzocht worden, te weten van 1 oktober 2012 tot 1 juni 2013 over eigen bestaansmiddelen beschikte in de zin van de wet van 26 mei 2002 of dat zij bestaansmiddelen heeft verzwegen. In dit verband dient herinnerd te worden aan het onderscheid tussen het begrip ‘behoeftigheid' in het kader van de wet van 8 juli 1976 op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en het beschikken over "toereikende bestaansmiddelen" als criterium in het kader van de wet van 26 mei 2002. In het kader van deze laatste wet dient niet als dusdanig onderzocht te worden of de betrokkene in de betwiste periode ‘behoeftig' was maar wel of hij of zij over bestaansmiddelen beschikt die nader omschreven worden in artikel 16 van de wet en in het uitvoeringsbesluit van 11 juli 2012. (Over het fundamenteel onderscheid tussen beide noties: zie Mormont en Stangherlin, ed. " Aide sociale-Intégration sociale. Le droit en pratique, La Charte, 2011, p. 245.e.v.).

Er is onvoldoende bewijs dat in de periode van 1 oktober 2012 tot 1 juni 2013 mevrouw M.F. zou samengewoond hebben met de vader van haar kinderen, of een andere partner, waarvan de bestaansmiddelen in rekening zouden moeten gebracht worden.

Mevrouw M.F. kan derhalve terecht voor de periode van 1 oktober 2012 tot 31 mei 2013 aanspraak maken op een leefloon als persoon met gezinslast.

De huurtoelage.

15.

Terecht heeft de eerste rechter geoordeeld dat de maatschappelijke dienstverlening in de vorm van een huurtoelage van 125 euro per maand niet retroactief aan mevrouw M.F. kan toegekend worden, omdat gebleken is dat de huurtoelage niet werd aangewend voor de betaling van de huur. Het blijkt immers uit het verzoekschrift, neergelegd voor de vrederechter in de loop van de maand april 2012 dat er toen reeds een tekort was van 5.800 euro aan huur en 6.974 aan kosten. Het is dus niet zo, zoals mevrouw M.F. voorhoudt, dat de huurachterstand essentieel het gevolg zou zijn van de stopzetting van de betaling van het leefloon.

Er dient verder aan herinnerd te worden dat het niet de taak is van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn om de schulden te betalen van de steunaanvrager. Het hebben van schulden brengt op zich het recht op een menswaardig leven niet in gevaar, tenzij in zeer bijzondere omstandigheden. Indien thans de huurtoelage nog met terugwerkende kracht zou toegekend worden, dan zou deze hetzij volledig gebruikt worden voor de delging van schulden, die geen verband houden met de actuele mogelijkheid om een woning te huren, hetzij zonder voldoende grond het vermogen van mevrouw M.F. vermeerderen.

Het incidenteel beroep van mevrouw M.F. dient dan ook ongegrond verklaard te worden.

Het verzoek tot het verlenen van rechtsbijstand.

Overeenkomstig artikel 670 van het Gerechtelijk Wetboek dient het verzoek om rechtsbijstand gericht te worden aan het bureau van de rechtbank of van het hof of van het arbeidshof. Enkel in spoedeisende gevallen kan, overeenkomstig artikel 673, een verzoek tot rechtsbijstand gericht worden tot de rechter voor wie de zaak aanhangig is.

Er wordt geen spoedeisendheid aangevoerd die toelaat van de gewone regeling af te wijken. Mevrouw M.F. toont overigens evenmin aan dat zij op dit ogenblik aan de voorwaarden voldoet om rechtsbijstand te bekomen, rechtsbijstand die in casu slechts kan slaan op de mogelijke uitvoeringsmaatregel van het arrest.

Het verzoek tot het verlenen van rechtsbijstand voor de uitvoering van het arrest dient dan ook verworpen te worden. Zulks belet niet dat mevrouw M.F., indien zij bewijst aan de wettelijke voorwaarden te voldoen, nog een verzoekschrift tot rechtsbijstand kan neerleggen bij het Bureau voor Rechtsbijstand van het hof.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Gelet op het schriftelijk advies van de heer Jean Jacques André, advocaat-generaal, waarop repliek voor de beide partijen,

Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk.

Verklaart het hoger beroep gedeeltelijk gegrond en hervormt het bestreden vonnis. Vernietigt de bestreden administratieve beslissing in zoverre deze mevrouw M.F. uitsluit uit het recht op leefloon voor een periode van 12 maanden, en stelt deze periode van uitsluiting vast op 4 maanden, ingaande op 1 juni 2012.

Veroordeelt het ocmw Meise tot betaling aan mevrouw M.F. van het leefloon voor een persoon met gezinslast voor de periode van 1 oktober 2012 tot 31 mei 2013.

Verklaart het incidenteel beroep ongegrond en bevestigt het bestreden vonnis.

Wijst mevrouw M.F. af van haar verzoek tot de aanstelling van een gerechtsdeurwaarder in het kader van de kosteloze rechtspleging.

Veroordeelt, in toepassing van artikel 1017, al. 2 van het Gerechtelijk Wetboek, het ocmw Meise tot de kosten, tot op heden begroot in hoofde van mevrouw M.F. op 320,65 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Ivo VAN DAMME, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Karel GACOMS, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Karel GACOMS

Ivo VAN DAMME Fernand KENIS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 13 februari 2014 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Vrije woorden

  • SOCIALE VOORZORG

  • RECHT OP MAATSCHAPPELIJKE INTEGRATIE

  • Bestaansminimum

  • Leefloon

  • Sancties

  • Motivering

  • Controle van de rechter

  • Beoordeling.