- Arrest van 17 maart 2014

17/03/2014 - 2013/AB/388

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Uit de artikelen 1675/3, derde lid, 1675/13, §1, 1675/13bis en 1675/14bis, §1 Ger. W., volgt dat de rechter, bovenop de maatregelen bepaald in artikel 1675/12, § 1, slechts tot enige andere kwijtschelding van schulden kan besluiten op voorwaarde dat alle goederen die voor beslag in aanmerking komen, worden te gelde gemaakt. Wanneer de schuldenaar eigenaar is van een onverdeeld aandeel in naakte eigendom in een onroerend goed, kan de rechter hiertoe slechts beslissen op voorwaarde dat tot de verkoop van dit onverdeeld aandeel wordt overgegaan op initiatief van de schuldbemiddelaar die wat de naakte eigendom betreft de verdeling dan wel de veiling van de naakte eigendom in zijn geheel zal benaarstigen.

Uit dezelfde bepalingen, alsmede uit de wetsgeschiedenis volgt dat van deze voorwaarde slechts kan worden afgeweken, wanneer de rechter dit nodig acht opdat de schuldenaar en zijn gezin een menswaardig bestaan zouden kunnen leiden of wanneer de verkoop rechtsmisbruik zou opleveren.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 17 maart 2014

11 e KAMER

COLLECTIEVE SCHULDENREGELING - vorderingen collectieve schuldenregeling

Tegensprekelijk t.a.v. de schuldenaar D.J., de Belgische Staat in de persoon van de ontvanger te Tienen, Inbev Belgium NV en de schuldbemiddelaar en bij verstek t.a.v. de andere schuldeisers,

definitief

In de zaak:

BELGISCHE STAAT, federale overheidsdienst FINANCIEN, Administratie der directe belastingen, in de persoon van de ONTVANGER DER DIRECTE BELASTINGEN, met burelen te

3300 TIENEN, Goossensvest 11,

appellante,

vertegenwoordigd door mr VAN DEN BROECKE Florence, advocaat, loco mr. DECLERCQ Philippe, advocaat te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 89

Tegen:

1. D.J. , schuldenaar,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. DOMS Johan, advocaat te 3050 OUD-HEVERLEE, Waversebaan 134A

2. ACERTA SVF, schuldeiser, met maatschappelijke zetel te 2610 WILRIJK (ANTWERPEN), Groenenborgerlaan 16,

geïntimeerde,

3.ONTVANGKANTOOR BTW LEUVEN, schuldeiser, met maatschap-pelijke zetel te 3001 HEVERLEE, Philipssite 3A bus 2,

geïntimeerde,

4. INBEV BELGIUM NV, schuldeiser, met maatschappelijke zetel te 1070 BRUSSEL, Industrielaan 21,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr JANSSEN Daphne, advocaat, loco mr. DEVOS José, advocaat te 3001 HEVERLEE, Naamsesteenweg 228

5. KREFIMA NV, schuldeiser, met maatschappelijke zetel te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 150,

geïntimeerde,

6. ADVIESKANTOOR BOEKHOUDING LEUVEN, schuldeiser, met maatschappelijke zetel te 3401 WAASMONT, Montenakenstraat 1,

geïntimeerde,

7. BIERHANDEL WOUTERS, schuldeiser, met maatschappelijke zetel te 3001 HEVERLEE, Hertogstraat 34,

geïntimeerde,

8. OCMW VAN LEUVEN, schuldeiser, met maatschappelijke zetel te 3000 LEUVEN, A. Vesaliusstraat, 47,

geïntimeerde,

9. STAD LEUVEN, schuldeiser, met maatschappelijke zetel te 3000 LEUVEN, P.Van Overstraetenplein 1,

geïntimeerde,

10. FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR VEILIGHEID, VOEDSELKETEN, schuldeiser,1000 BRUSSEL, Kruidtuinlaan 55,

geïntimeerde,

11. EANDIS CVBA, schuldeiser, met maatschappelijke zetel te 9090 MELLE, Brusselsesteenweg 199,

geïntimeerde,

12. UZ LEUVEN, schuldeiser, met maatschappelijke zetel te 3000 LEUVEN, Oude Markt 13,

geïntimeerde,

Schuldeisers nummers 2, 3, 5, 8, 9, 10, 11 en 12 ter openbare terechtzitting niet verschenen noch vertegenwoordigd

In aanwezigheid van:

C. Y., schuldbemiddelaar,

partij, ter openbare terechtzitting in persoon verschenen

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 06 maart 2013 door de arbeidsrechtbank te Leuven, 6de kamer (A.R. 11/223/B),

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 5 april 2013,

de conclusies voor de appellante, neergelegd ter griffie op 18 november 2013,

de conclusies voor D.J. , neergelegd ter griffie op 16 oktober 2013 en 17 december 2013,

de conclusies en syntheseconclusies voor NV INBEV BELGIUM, neergelegd ter griffie op 16 oktober 2013 en 18 december 2013,

de conclusies voor Mr Y. C., schuldbemiddelaar, neergelegd ter griffie op 17 januari 2014,

de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 03 maart 2014, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op 7 april 2014 maar vervroegd uitgesproken op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. Op 24 mei 2011 legde de heer D.J. op de griffie van de arbeidsrechtbank te Leuven een verzoekschrift neer om toegelaten te worden tot de collectieve schuldenregeling.

Bij beschikking van 1 juni 2011 van de arbeidsrechtbank te Leuven werd dit verzoek toelaatbaar verklaard en werd mtr. Y. C. aangesteld als schuldbemiddelaar.

De Belgische Staat, vertegenwoordigd door de ontvanger der directe belastingen te Tienen (hierna aangeduid als de ontvanger te Tienen) deed op 24 juni 2011 aangifte van een belastingschuld van euro 4.569,69 in hoofdsom, op 19 maart 2012 aangevuld met een bijkomende aangifte voor een bedrag van euro 1.109,44 in hoofdsom.

2. Op 26 september 2012 legt de schuldbemiddelaar een PV van vaststelling van gebrek aan minnelijke of gerechtelijke aanzuivering in overeenstemming met art. 1675/13bis neer op de griffie van de arbeidsrechtbank te Leuven.

De schuldbemiddelaar inventariseert een totale schuldenlast van euro 48.041,45, waarvan euro 42.089,69 in hoofdsom, euro 2.406,91 intresten en euro 3.544,85 kosten.

Hij verwijst naar een ernstige ziekte van de heer D.J., een pensioeninkomst van

euro 864,22 vermeerderd met vakantiegeld van euro 285,20, de noodzakelijkheid van een leefgeld van euro 800. Hierdoor is er geen overschot en geen mogelijkheid om een minnelijke aanzuivering voor te stellen.

De schuldbemiddelaar stelt op grond van art. 1675/13bis Ger. W. een totale kwijtschelding behoudens terugkeer tot beter fortuin voor.

Bij het opstellen van dit PV ging de schuldbemiddelaar uit van het ontbreken van onroerend vermogen.

De ontvanger te Tienen ging hiermee niet akkoord, omdat de heer D.J. mede-eigenaar is in een onroerend goed van zijn moeder gelegen te K., De heer D.J. bezit hierin ¼ in volle eigendom en ¼ in naakte eigendom.

De heer D.J. was zich hiervan niet bewust, omdat deze mede-eigendom ontstaan was na het overlijden van zijn vader in 1978 en de woning verder bewoond werd door zijn moeder en haar vriend, met wie hij geen contact meer had.

3. Bij tussenvonnis van 5 december 2012 van de arbeidsrechtbank te Leuven werden de debatten heropend met vraag aan de schuldbemiddelaar om het standpunt van mevrouw B., de moeder van de heer D.J., te vragen over de uitoefening van haar vruchtgebruik en een eventuele verkoop van het huis en een attest van woonst voor te leggen.

Bij aangetekende brief van de moeder van 8 februari 2013 meldde deze aan de schuldbemiddelaar dat ze in de woning wenste te blijven wonen en dat zij in geen geval vrijwillig wenste mee te werken of instemde met de verkoop van haar woning.

De schuldbemiddelaar handhaafde zijn verzoek tot volledige kwijtschelding.

4. In het eindvonnis van 6 maart 2013 van de arbeidsrechtbank te Leuven werd de totale kwijtschelding op grond van art. 1675/13bis Ger. W. toegestaan met als begeleidende maatregel dat de procedure nog wordt aangehouden gedurende vijf jaar en dat de schuldbemiddelaar aan het einde van deze termijn een eindverslag diende neer te leggen.

5. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 5 april 2013, tekende de ontvanger te Tienen hoger beroep aan tegen dit vonnis en vroeg te zeggen voor recht,

- dat het onverdeeld aandeel van de heer D.J. in het onroerend goed te K., kan worden gerealiseerd, hetzij door overname van het goed door mevr. B., hetzij door verkoop aan derden;

- dat aan de schuldbemiddelaar machtiging wordt verleend namens de heer D.J. het voormelde onroerend goed te verkopen overeenkomstig art. 1675/14bis Ger. W.;

- dat de verdeling van de verkoopopbrengst van het onverdeeld aandeel van de heer D.J. in de ouderlijke woning plaats heeft met in acht name van de gelijkheid van de schuldeisers onverminderd de wettige redenen van voorrang;

- dat, indien het onverdeeld aandeel tijdens de procedure onverkoopbaar zou zijn ingevolge het vruchtgebruik van de langstlevende ouder, geen kwijtschelding wordt verleend van de fiscale schuld in de collectieve regeling, ten belope van het (geschatte) bedrag waarop de wettelijke hypotheek van de ontvanger en het algemeen voorrecht van de Schatkist uitwerking heeft.

De schuldeiser nv Inbev Belgium sloot zich bij dit standpunt aan.

De schuldbemiddelaar maakt in zijn beroepsconclusie gewag van nieuwe informatie m.b.t. een ruimere pensioenuitbetaling die het toch zou kunnen mogelijk maken een minnelijk aanzuiveringplan voor te stellen.

De heer D.J. vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis en wijst erop dat het meerbedrag aan inkomsten zou opgaan aan de te verwachten stijgende ziektekosten. Ter zitting kan hij dit niet concreet preciseren.

II. BEOORDELING

1. Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is. Dit wordt overigens niet betwist.

De toepasselijke beginselen

2. De door de schuldbemiddelaar uit te werken of door de rechter opgelegde aanzuiveringregeling moet volgens art. 1675/3, derde lid van het Ger. W. ertoe strekken om de financiële toestand van de schuldenaar te herstellen, met name hem in staat te stellen in de mate van het mogelijke zijn schulden te betalen en tegelijkertijd te waarborgen dat hij zelf en zijn gezin een menswaardig leven kunnen leiden.

Art. 1675/13bis Ger. W. bepaalt:

§ 1 Als blijkt dat geen enkele minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling mogelijk is omdat de verzoeker over onvoldoende middelen beschikt, neemt de bemiddelaar deze vaststelling op in het in artikel 1675/11, § 1, bedoelde proces-verbaal, met een met redenen omkleed voorstel dat de toekenning van een totale kwijtschelding van de schulden en de eventuele maatregelen die er naar zijn mening mee gepaard moeten gaan, rechtvaardigt.

§ 2 De rechter kan in dergelijk geval de totale kwijtschelding van de schulden toestaan zonder aanzuiveringsregeling en onverminderd de toepassing van artikel 1675/13, § 1, eerste lid, eerste streepje, 3 en 4.

§ 3 Deze beslissing kan gepaard gaan met begeleidingsmaatregelen, waarvan de duur vijf jaar niet mag overschrijden. Artikel 51 is niet van toepassing.

§ 4 De kwijtschelding van de schulden is verworven, behoudens terugkeer tot beter fortuin binnen vijf jaar die volgen op de beslissing.

§ 5 De beslissing kan gedurende vijf jaar herroepen worden onder de in artikel 1675/15 bedoelde voorwaarden.

Art. 1675/13 §1, eerste lid, eerste streepje dat op grond van art. 1675/13bis §2 moet in acht genomen worden, bepaalt dat

alle goederen die voor beslag in aanmerking komen, worden te gelde gemaakt op initiatief van de schuldbemiddelaar 3[...]. De verdeling heeft plaats met inachtname van de gelijkheid van de schuldeisers onverminderd de wettige redenen van voorrang;

Art. 1675/14bis §1 Ger. W. bepaalt i.v.m. de verkoop van een onroerend goed:

Wanneer tijdens de uitwerking of de uitvoering van de regeling roerende of onroerende goederen te gelde moeten worden gemaakt, hetzij ..., hetzij op grond van de minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling, heeft de verkoop, die openbaar of uit de hand gebeurt, plaats overeenkomstig de regels van de gedwongen uitvoering, zonder voorafgaande betekening van een bevelschrift of beslag.

Uit de artikelen 1675/3, derde lid, 1675/13, §1, 1675/13bis en 1675/14bis, §1 Ger. W., volgt dat de rechter, bovenop de maatregelen bepaald in artikel 1675/12, § 1, slechts tot enige andere kwijtschelding van schulden kan besluiten op voorwaarde dat alle goederen die voor beslag in aanmerking komen, worden te gelde gemaakt. Wanneer de schuldenaar eigenaar is van een onverdeeld aandeel in naakte eigendom in een onroerend goed, kan de rechter hiertoe slechts beslissen op voorwaarde dat tot de verkoop van dit onverdeeld aandeel wordt overgegaan op initiatief van de schuldbemiddelaar die wat de naakte eigendom betreft de verdeling dan wel de veiling van de naakte eigendom in zijn geheel zal benaarstigen.

Uit dezelfde bepalingen, alsmede uit de wetsgeschiedenis volgt dat van deze voorwaarde slechts kan worden afgeweken, wanneer de rechter dit nodig acht opdat de schuldenaar en zijn gezin een menswaardig bestaan zouden kunnen leiden of wanneer de verkoop rechtsmisbruik zou opleveren. (Cass. 3 juni 2013, www.juridat.be)

Toepassing

3. Hieruit vloeit voort dat bij een totale kwijtschelding van schulden op grond van art. 1675/13bis Ger. W. het onroerend eigendom van de heer D.J. moet te gelde gemaakt worden en dat daarvan maar kan worden afgeweken wanneer de rechter dit nodig acht opdat de schuldenaar en zijn gezin een menswaardig bestaan zouden kunnen leiden of wanneer de verkoop rechtsmisbruik zou opleveren.

Op deze omstandigheden wordt door de heer D.J. geen beroep gedaan en deze zijn in de huidige stand ook op geen enkele wijze aangetoond; het enkele verzet van de moeder van de heer D.J. is geen element dat verband houdt met zijn menselijke waardigheid en de verkoop kan in de thans voorliggende situatie niet als rechtsmisbruik worden aangemerkt.

Nieuwe gegevens aangereikt door de schuldbemiddelaar

4. Zoals aangehaald in randnummer I.5 maakt de schuldbemiddelaar gewag van een verruimde financiële mogelijkheid die het toch zou mogelijk maken een minnelijk aanzuiveringplan voor te stellen.

Hij laat weten dat hij vanwege RVP bericht ontving dat de heer D.J. recht zou hebben op de inkomensgarantie voor ouderen, waardoor hij een maandelijks meerinkomen zou hebben van euro 198,51, zodat er een bedrag van euro 595,53 aan achterstallen werd uitbetaald.

Vanaf september 2013 bedroeg het maandbedrag euro 1.100,95.

Hierdoor zag hij een mogelijkheid om een aanzuiveringplan op te stellen met een beperkte afbetaling voor de schuldeisers.

Wanneer deze mogelijkheid zich aandient, is art. 1675/13bis Ger. W. niet meer aan de orde, omdat dit enkel kan toegepast worden wanneer geen enkele minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling mogelijk is.

Ter zitting werden de mogelijkheden hiervoor afgetast en partijen zien daarin een opportuniteit om tot schuldaanzuivering te komen.

De modaliteiten van de verkoop van het onroerend aandeel kunnen in een voorstel tot minnelijke aanzuivering worden opgenomen, waarbij de beginselen opgenomen in randnummer 2 moeten worden in acht genomen.

5. In die omstandigheden dient het bestreden vonnis te worden hervormd in de zin dat geen toepassing kan worden gemaakt van art. 1675/13bis Ger. W., maar dat aan de schuldbemiddelaar opdracht wordt gegeven een voorstel van minnelijke aanzuivering voor te leggen, waarover dan verder kan gehandeld worden als naar recht.

De zaak wordt dan ook opnieuw naar de arbeidsrechtbank te Leuven verwezen, die na de nodige initiatieven van de schuldbemiddelaar op grond van artikel 1675/10 §4 verder kan beschikken in het kader van haar blijvende saisine.

De door de eerste rechter besliste begroting, homologatie en tenlastelegging van de ereloon en onkostenstaat wordt behouden.

Het hoger beroep is in die mate gegrond.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Recht sprekend op tegenspraak t.a.v. de schuldenaar D.J., de Belgische Staat in de persoon van de ontvanger te Tienen, Inbev Belgium NV en de schuldbemiddelaar en bij verstek t.a.v. de andere schuldeisers,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.

Hervormt de bestreden beschikking wat betreft de totale kwijtschelding van de schulden en de begeleidende maatregel.

Hierover opnieuw rechtdoende, verklaart het initiële verzoek van de schuldbemiddelaar tot toepassing van art. 1675/13bis Ger. W. ongegrond.

Geeft de schuldbemiddelaar opdracht om rekening houdend met het verhoogde pensioenbedrag een voorstel van minnelijke aanzuivering uit te werken, waarover dan verder kan gehandeld worden als naar recht.

De zaak wordt ten dien einde opnieuw naar de arbeidsrechtbank te Leuven verwezen, die na de nodige initiatieven van de schuldbemiddelaar op grond van artikel 1675/10 §4 verder kan beschikken in het kader van haar blijvende saisine.

Bevestigt het bestreden vonnis van de eerste rechter wat betreft de begroting, homologatie en tenlastelegging van de ereloon en onkostenstaat.

Kosteloze procedure.

Aldus gewezen en ondertekend door de elfde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, Kamervoorzitter,

bijgestaan door :

Dirk VAN DEN BROECKE, griffier.

Dirk VAN DEN BROECKE, Lieven LENAERTS.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van maandag 17 maart 2014 door:

Beatrix CEULEMANS Eerste Voorzitter,

bijgestaan door

Dirk VAN DEN BROECKE, griffier.

Dirk VAN DEN BROECKE, Beatrix CEULEMANS.

Vrije woorden

  • SCHULDOVERLAST

  • Kwijtschelding

  • Verkoop naakte eigendom.