- Vonnis van 17 januari 2011

17/01/2011 - 5408/05

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Vonnis - Integrale tekst

ARBEIDSRECHTBANK VAN BRUSSEL

30ste Kamer - openbare zitting van 17 januari 2011

VONNIS

A.R. nr. 5408/05 Aud. nr 2005/4/04/17

Kinderbijslagen werknemers

Rep. nr. 11/1102

Tussenvonnis aanstelling deskundige

INZAKE :

A.

Eisende partij, vertegenwoordigd door Meester Jordan Wouters, advocaten ;

TEGEN :

De V.Z.W. Kinderbijslagfonds ATTENTIA, met zetel gevestigd te 1050 Brussel, Louizalaan 251/4, (voorheen VZW Kinderbijslagfonds van Brabant),

Verwerende partij, vertegenwoordigd door Meester Anne Wallaert, advocaat;

Gelet op de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek;

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

I. De procedure

De rechtbank nam kennis van volgende procedurestukken :

- het verzoekschrift van eisende partij, aangetekend verzonden op 1 april 2005,

- het tussenvonnis van 15 september 2008 van deze kamer waarbij Dokter Lydia Van Hulst werd aangesteld als deskundige,

- het deskundige verslag, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 13 juli 2010,

- conclusies voor eisers, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 20 september 2010.

De partijen werden regelmatig opgeroepen voor de openbare zitting van 15 november 2010.

Partijen hebben gepleit ter openbare zitting van 15 november 2010 en mevrouw N. Van Den Brande, Substituut Arbeidsauditeur heeft haar advies na sluiting der debatten gegeven, waarop niet werd gerepliceerd door de partijen en waarna de zaak in beraad werd genomen.

II. De vordering

Eisers vorderen de vernietiging van de beslissing van 28 januari 2005 waarbij het kinderbijslagfonds meedeelde dat de Federale Overheidsdienst ("FOD") Sociale Zekerheid (voorheen "Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu") besliste dat hun dochter L. niet erkend werd als minstens 66% lichamelijk of geestelijk ongeschikt overeenkomstig de oude wetgeving (KB van 3 mei 1991).

In het bijzonder had de FOD Sociale Zekerheid beslist dat L. :

- vanaf 1 november 2004 en voor onbepaalde duur geen lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid vertoont van tenminste 66%

- en overeenkomstig de nieuwe wetgeving (KB van 28 maart 2003) vanaf 1 mei 2003 en voor onbepaalde duur geen 4 punten in pijler 1 van de medisch-sociale schaal en slechts 5 punten op de medisch-sociale schaal heeft verkregen.

In conclusies na het deskundig verslag hebben eisers hun vordering uitgebreid en vorderen zij :

- De beslissing waarbij overeenkomstig de oude wetgeving (KB van 3 mei 1991) L. vanaf 1 november 2004 en voor onbepaalde duur geen lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid vertoont van tenminste 66% en volgends de nieuwe wetgeving (KB van 28 maart 2003) vanaf 1 mei 2005 en voor onbepaalde duur geen 4 punten heeft verkregen in pijler 1 van medisch-sociale schaal en 5 punten op de medisch-sociale schaal, te horen vernietigen,

- Te horen zeggen voor recht dat L. een blijvende lichamelijke invaliditeit van achtenzeventig % (78%) vertoont vanaf 1 november 2004.

- Te horen zeggen voor recht dat verweerster ertoe gehouden is de toestand op het vlak van de aan eisers toekomende kinderbijslagen m.b.t. L. te regulariseren met ingang vanaf 1 november 2004, meer de wettelijke rente.

III. De feitelijke situatie

(1)

L. is geboren in 2001.

Het Ministerie van sociale zaken had met een beslissing van 8 januari 2002 aan het Kinderbijslagfonds van Brabant medegedeeld dat L. :

- een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid vertoonde van tenminste 66%

- en een graad van zelfredzaamheid vertoonde van 0 tot 3 punten voor de periode 1 oktober 2002 tot 31 oktober 2004.

Na een nieuwe aanvraag van verlenging werd door de FOD Sociale Zekerheid op 19 januari 2005 beslist dat L. :

- op basis van de oude wetgeving (K.B. van 3 mei 1991) geen lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid vertoonde van tenminste 66%, vanaf 1 november 2004 en voor onbepaalde duur

- en op basis van de nieuwe wetgeving (K.B. van 28 maart 2003) geen 4 punten heeft verkregen in pijler 1 van de medisch-sociale schaal en slechts 5 punten verkregen heeft op de medisch-sociale schaal vanaf 1 mei 2003 (en niet 2005 zoals verkeerdelijk vermeld in het tussenvonnis en nadien overgenomen in de conclusies van eisers).

Bij brief van 28 januari 2005 heeft het kinderbijslagfonds de beslissing van de FOD van 19 januari 2005 medegedeeld aan eisers waarbij verkeerdelijk werd gesteld dat eisers wel recht hadden op een verhoogde kinderbijslag voor een kind met een aandoening vanaf 1 november 2004.

Nadien heeft het Kinderbijslagfonds opgemerkt dat het een fout had begaan en dat vanaf 1 november 2004 de verhoogde kinderbijslag niet kon worden uitbetaald omdat minimum 6 punten op de medisch-sociale schaal moet worden behaald.

Bij brief van 21 april 2005 vorderde het Kinderbijslagfonds het teveel betaalde terug voor de periode 1 november 2004 tot 31 maart 2005 (331,25 euro). Het kinderbijslagfonds heeft dit bedrag ingehouden op de kinderbijslag vanaf 1 mei 2005 a rato van 10%.

(2)

De zaak werd ingeleid op 27 februari 2006, waarna zij op verzoek van de partijen naar de bijzondere rol werd verzonden.

Vervolgens werd de zaak op verzoek van partijen van 5 december 2008 vastgesteld op de zitting van 4 mei 2009.

Bij tussenvonnis van 15 september 2009 werd Dr. Lydia Van Hulst aangesteld als deskundige. De deskundige onderzocht L. op 27 november 2009. Zij zond op 31 mei 2010 haar voorlopig verslag aan de partijen, die geen opmerkingen maakten.

De deskundige legde vervolgens op 13 juli 2010 haar definitief verslag neer ter griffie met volgend besluit:

"L. vertoont een aangeboren aandoening, het Hallermann Streiff syndroom met verwikkelingen op meerdere vlakken. Een aangeboren staar waarvoor ze 2 maanden oud geopereerd werd en waarvoor haar visus dient gecorrigeerd te worden met een staarbril? De visus kan niet optimaal gecorrigeerd worden en is beperkt tot respectievelijk 0.4 en 0.2. De bril correctie van +16.50 dioptrie is de enige mogelijkheid om haar momenteel beter te laten zien maar heeft als groot nadeel dat haar gezichtsveld vernauwd wordt tot de optische zone, dus tot temporaal 40° i.p.v. 85°, nasaal tot 35° i.p.v. 55° en hetzelfde naar boven en naar beneden.

De mindere visus links t.o;v. rechts wordt veroorzaakt door het convergent strabisme met een "lui oog" waarvoor een amblyopie nodig was en is.

Naast de oogafwijkingen vertoont L. een groeiachterstand, haar-, tand- en orthopedische afwijkingen waarvoor ze momenteel en in de toekomst behandeld en gevolgd wordt en zal worden in het U.Z. Gasthuisberg te Leuven. Deze frequente onderzoeken en controles zijn onmogelijk zonder de inspanningen van de ouders, zowel voor de verplaatsingen als voor de opvang als voor de behandelingen, met het tijdverlies en werkverlet voor hen en schoolverzuim voor L. zelf. Laattijdige verwikkelingen op elk medisch deelvlak zijn zeker niet uit te sluiten, zonder rekening te houden met de psychische weerslag tijden de (pre)puberteit en/of op oudere leeftijd. Ze lijdt aan een aangeboren aandoening en die genezen helaas nooit.

De blijvende invaliditeit op oogheelkundig gebied wordt bepaald door drie verschillende elementen : de verminderde gezichtsscherpte, de bilaterale afakie en het concentrisch vernauwd gezichtsveld aan beide ogen.

Mijn antwoorden op de vragen van de Rechtbank luiden derhalve als volgt :

"L. vertoont een blijvende lichamelijke invaliditeit van achtenzeventig % (78 %) vanaf 1 november 2004."

De partijen maakten opnieuw geen opmerkingen, ook niet ter zitting van 15 november 2010.

(3)

Tot 1 mei 2003 werd de verhoogde kinderbijslag voor kinderen met een aandoening geregeld door het koninklijk besluit van 3 mei 1991 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 96 van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen.

Sinds 1 mei 2003 is een nieuwe reglementering van toepassing, waarbij andere evaluatiecriteria worden gehanteerd (Koninklijk besluit van 28 maart 2003 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 88 van de programmawet (I) van 24 december 2002).

De minister vatte de wijzigingen in de reglementering als volgt samen:

-De oude regeling (het koninklijk besluit van 3 mei 1991) is gestoeld op het bestaan van een handicap, die uitgedrukt wordt in een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid die ten minste 66 pct. moet bedragen.

Deze regeling brengt mede dat sommige kinderen met een eerder matige handicap, ondanks de ernstige gevolgen ervan voor hun familiale omgeving, niet rechtgevend zijn op kinderbijslag. Daarenboven brengt de goede verzorging door de ouders soms met zich mee dat de ongeschiktheid daalt tot onder de drempel van 66 % ongeschiktheid, wat als gevolg heeft dat het kind niet meer rechtgevend is op de bijkomende bijslag of zelfs de gewone kinderbijslag (kinderen van meer dan 18 jaar die niet meer studeren).

- In de nieuwe regeling worden de gevolgen van de aandoening van het kind gemeten. Hierbij gaat het niet alleen over de gevolgen voor het kind, doch ook om de gevolgen voor zijn familiale omgeving.

De gevolgen voor het kind betreffen enerzijds zijn lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid (pijler 1) en anderzijds zijn graad van activiteit en participatie (pijler2). De lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid uit de oude regeling wordt dus behouden, doch de minimumvoorwaarde van 66 pct. wordt weggelaten.

De belangrijkste innovatie van de nieuwe regeling is dat voortaan rekening gehouden wordt met de gevolgen van de aandoening voor de familiale omgeving van het kind (pijler 3), bvb. op het vlak van de opvolging van de behandeling thuis of de geboden hulp aan het kind.

(vgl het Verslag van Minister van Sociale Zaken de heer F. Vandenbroucke aan de Koning gevoegd bij het ontwerp van het K.B.met de nieuwe reglementering)

(4)

Er geldt een overgangsregeling in functie van ondermeer de geboortedatum van het kind:

Concreet geldt het volgende voor L. :

- zij is geboren na 1 januari 1996:

- Er gebeurt een dubbele evaluatie voor wat betreft de periode vanaf 1 november 2004(= de dag na de einddatum van de geldigheid van de lopende medische beslissing van de FOD van 10 december 2002)

- Het kinderbijslagfonds past de oude regeling toe op voorwaarde dat de toepassing van deze regeling op 1 november 2004 voordeliger is voor het kind dan de toepassing van de nieuwe regeling. Het kinderbijslagfonds mag evenwel de oude regeling slechts toepassen gedurende maximaal 3 jaar te rekenen vanaf 1 november 2004, hetzij dus tot 31 oktober 2007.

Het kinderbijslagfonds past de nieuwe regeling retroactief toe vanaf 1 mei 2003 op voorwaarde dat de toepassing van deze regeling een hoger bedrag oplevert voor het kind dan het bedrag dat het kind reeds genoot, en dit telkens dit het geval is tijdens deze periode. Voor de retroactieve periode gebeurt enkel een evaluatie op basis van de nieuwe regeling (de drie pijlers) gezien het kind reeds erkend was op basis van de ouder regeling.

(vgl. artikel 14 van het K.B. van 28 maart 2003).

Over deze principes bestaat geen betwisting tussen partijen (zie ondermeer het formulier "aanvraag tot medische vaststelling" van 10 mei 2004 ingevuld door het kinderbijslagfonds en de conclusies van eisers).

(5)

Het deskundig onderzoek dient daarom vervolledigd te worden zoals nader bepaald in de hierna omschreven aanvullende opdracht van de deskundige.

De deskundige zal namelijk een zogenaamde "dubbele evaluatie" moeten maken:

- enerzijds op basis van de oude reglementering

- en anderzijds op basis van de nieuwe reglementering.

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gehoord Mevrouw N. Van Den Brande, Substituut van de Arbeidsauditeur, in haar mondeling advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 15 november 2010;

Rechtsprekende na tegensprekelijk debat ;

Vooraleer uitspraak te doen over de grond van de zaak, stelt tot deskundige aan

Mevrouw Lydia VAN HULST, met kabinet te 1853 Strombeek-Bever, Verbeytstraat 1/bus 2,

met de volgende opdracht :

- alle nodige navorsingen door de voeren, onder meer het onderzoek van de medische stukken die de partijen kunnen verschaffen, het inwinnen van alle nuttige inlichtingen, die de geneesheren - aan te duiden door partijen - kunnen verstrekken,

- zo nodig L., die zich kan laten bijstaan door haar behandelende geneesheer, opnieuw aan een medisch onderzoek te onderwerpen,

- vervolgens aan de rechtbank advies te verstrekken teneinde de rechtbank toe te laten te beslissen over het volgende :

I Op basis van de oude reglementering (K.B. van 3 mei 1991, in het bijzonder de artikelen 2 en 3)

A. Te bepalen OF en VANAF WELKE DATUM het kind VANAF 1 NOVEMBER 2004 getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct :

1° aan de hand van de " Officiële Belgische Schaal ter bepaling van de graad van invaliditeit " ("OBSI"), goedgekeurd bij Regentsbesluit van 12 februari 1946 (de bepalingen in de schaal inzake het uitsluiten van een aandoening of het verminderen van het ongeschiktheidspercentage, dat voortvloeit uit een vroeger verworven of aangeboren staat, zijn niet van toepassing);

2° en/of aan de hand van de lijst van aandoeningen, gevoegd bij het K.B. van 3 mei 1991.

In geval van meervoudige ongeschiktheid wordt het globale ongeschiktheidspercentage berekend op de volgende wijze : in het geval waarbij geen enkele van de gedeeltelijke aandoeningen een totale ongeschiktheid met zich brengt, wordt het ongeschiktheidspercentage volledig toegekend voor de zwaarste aandoening en, voor elk van de bijkomende aandoeningen wordt het proportioneel berekend volgens de overblijvende geschiktheid. De verscheidene aandoeningen worden daartoe gerangschikt in dalende orde van het werkelijk ongeschiktheidspercentage. Deze berekeningswijze wordt slechts toegepast wanneer de gedeeltelijke aandoeningen verschillende ledematen of functies aantasten.

Een rationele ramingswijze wordt aangewend zo meervoudige aandoeningen een lidmaat of een functie aantasten en dat door de berekening van meervoudige ongeschiktheden beschreven in voorgaande paragraaf het percentage dat alzo wordt bekomen voor dit lidmaat of deze functie het verlies overschrijdt dat gelijk is aan het percentage van de totaliteit van het lidmaat of van de aangetaste functie; het bedoelde percentage kan datgene, bepaald voor het totaal anatomisch of functioneel verlies van het desbetreffende lidmaat of de fysiologische functie, niet overschrijden.

De schaal (OBSI) is bindend of indicatief naargelang zij een vast percentage aanduidt dan wel ruimte laat bij de evaluatie. Nochtans blijft zij in dit laatste geval bindend voor de minimale en maximale percentages.

Er wordt een percentagevermeerdering toegekend van 20 pct. voor de aandoeningen die aan al de vijf hiernavolgende voorwaarden voldoen en een percentagevermeerdering van 15 pct. voor de aandoeningen die aan vier van de vijf hiernavolgende voorwaarden voldoen :

a) de aandoeningen moeten, ondanks de beschikbare therapie, gepaard gaan met ernstige klinische verschijnselen;

b) de therapie dient, wanneer degelijk en volledig toegepast, complex en zwaar belastend te zijn voor het kind en zijn omgeving;

c) de algemene toestand dient gekenmerkt te zijn door een wankele stabiliteit bedreigd door tussentijdse complicaties;

d) ondanks een blijvende, nauwgezette, regelmatig bijgestuurde en intensieve therapie zal er een progressieve chronische aantasting van verschillende orgaansystemen optreden.

e) de levensverwachting wordt beïnvloed.

B. Indien het kind getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct, de graad van zelfredzaamheid van het kind te bepalen,

aan de hand van de bij het K.B. van 3 mei 1991 gevoegde handleiding, waarin rekening wordt gehouden met de volgende functionele categorieën :

1° het gedrag

2° de communicatie

3° de lichaamsverzorging

4° de verplaatsing

5° de lichaamsbeheersing in bepaalde situaties en de handigheid

6° de aanpassing aan de omgeving.

Waarbij aan elk van deze functionele categorieën een cijfer wordt toegekend volgens onderstaande schaal :

- 0 punten : voldoende zelfredzaamheid

- 1 punt : aanwezigheid van een moeilijkheid

- 2 punten : niet voortdurende hulp van een derde persoon

- 3 punten : voortdurende hulp van een derde persoon

(Van deze functionele categorieën worden enkel de drie functionele categorieën, die de hoogste punten hebben bekomen, behouden voor de totalisatie van de punten die in aanmerking moeten worden genomen voor het bepalen van het bedrag van de in artikel 47 van de samengeordende wetten bedoelde bijkomende kinderbijslag).

II Op basis van de nieuwe reglementering, voor de periode vanaf 1 mei 2003 (K.B. van 28 maart 2003, in het bijzonder de artikelen 6 en 7):

Te bepalen OF en VANAF WELKE DATUM het kind een aandoening heeft die gevolgen heeft voor hemzelf, op het vlak van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of op het vlak van de activiteit en de participatie, of voor zijn familiale omgeving op basis van de volgende criteria, die moeten worden beoordeeld aan de hand van de als bijlage 1 bij het KB van 28 maart 2003 gevoegde medisch-sociale schaal:

1° pijler 1 behelst de gevolgen van de aandoening op het vlak van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van het kind (maximum 6 punten);

Naargelang het percentage lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van het kind, vastgesteld zoals bepaald hierna, worden op de volgende wijze punten toegekend :

- 0 % tot 24 % : 0 punten

- 25 % tot 49 % : 1 punt

- 50 % tot 65 % : 2 punten

- 66 % tot 79 % : 4 punten

- 80 % tot 100 % : 6 punten

De vaststelling van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van het kind, gebeurt :

1° aan de hand van de " Lijst van pediatrische aandoeningen " opgenomen als bijlage 2 bij het KB van 28 maart 2003;

2° aan de hand van de " Officiële Belgische Schaal ter bepaling van de graad van invaliditeit " ("OBSI"), goedgekeurd bij Regentbesluit van 12 februari 1946, met uitzondering van het voorwoord.

De onder 1° bedoelde Lijst bevat een limitatieve opsomming van aandoeningen.

De onder 2° bedoelde Schaal wordt aangewend voor alle aandoeningen of functies die niet in de Lijst zijn opgenomen, alsook voor die aandoeningen van de Lijst die verwijzen naar een artikel van deze Schaal.

Bij de evaluatie heeft de Lijst voorrang op het gebruik van de Schaal. Dit betekent dat de criteria en de ongeschiktheidpercentages die sommige nummers van de Lijst vermelden, imperatief moeten opgevolgd worden.

Voor het gebruik van de Lijst en de Schaal, gelden de volgende regels :

1° In geval van meervoudige ongeschiktheid wordt het globale ongeschiktheidpercentage berekend op de volgende wijze. In het geval waarbij geen enkele van de gedeeltelijke aandoeningen een totale ongeschiktheid met zich meebrengt, wordt het ongeschiktheidpercentage volledig toegekend voor de zwaarste aandoening en voor elk van de bijkomende aandoeningen wordt het proportioneel berekend volgens de overblijvende geschiktheid. De verscheidene aandoeningen worden daartoe gerangschikt in dalend orde van het werkelijk ongeschiktheidpercentage. Deze berekeningswijze wordt slechts toegepast wanneer de gedeeltelijke aandoeningen verschillende ledematen of functies aantasten.

2° Een rationele ramingswijze wordt toegepast indien één lidmaat of functie aangetast is door verschillende ongeschiktheden en wanneer de berekening bedoeld in 1° tot een hoger percentage leidt dan het totale verlies van het betrokken lidmaat of de functie : het ongeschiktheidpercentage kan het percentage voorzien voor het totaal verlies van het desbetreffende lidmaat of functie nooit overschrijden.

3° De Lijst en de Schaal zijn bindend of indicatief naargelang zij een vast percentage aanduiden dan wel ruimte laten bij de evaluatie. Nochtans blijven zij in dit laatste geval bindend voor de minimale en maximale percentages.

2° pijler 2 behelst de gevolgen van de aandoening op het vlak van de activiteit en de participatie van het kind. Pijler 2 bestaat uit de hiernavolgende functionele categorieën, die desgevallend onderverdeeld zijn in subcategorieën en waaraan punten worden toegekend volgens graduele criteria :

a. leren, opleiding en sociale integratie;

b. communicatie;

c. mobiliteit en verplaatsing;

d. zelfverzorging.

Voor de totalisatie van de punten in pijler 2 wordt het hoogste aantal punten, toegekend binnen elk van de vier functionele categorieën, samengeteld. Voor deze pijler bedraagt het maximum aantal punten 12.

3° pijler 3 behelst de gevolgen van de aandoening voor de familiale omgeving van het kind.

Pijler 3 bestaat uit de hiernavolgende categorieën, die desgevallend onderverdeeld zijn in subcategorieën en waaraan punten worden toegekend volgens graduele criteria :

a. opvolging van de behandeling thuis;

b. verplaatsing voor medisch toezicht en behandeling;

c. aanpassing van het leefmilieu en leefwijze.

Voor de totalisatie van de punten in pijler 3 wordt het hoogste aantal punten, toegekend binnen elk van de drie categorieën, samengeteld en wordt het aldus berekende aantal punten vermenigvuldigd met twee. Voor deze pijler bedraagt het maximum aantal punten, na vermenigvuldiging met twee, 18.

4° Het eindresultaat van de vaststelling van de gevolgen van de aandoening wordt bekomen door samentelling van de getotaliseerde punten van elke pijler en bedraagt maximaal 36 punten ( de gevolgen van de aandoening van het kind zullen uiteindelijk slechts in aanmerking genomen worden voor een verhoogde kinderbijslag indien het kind als eindresultaat minimum 6 punten behaalt of indien het kind in pijler 1 minimum 4 punten behaalt).

III

- Te bepalen wanneer het kind opnieuw door de bij een Geneesheer aangeduid door de Bestuursdirectie van uitkeringen aan personen met een handicap, FOD Sociale Zekerheid, moet worden onderzocht.

De rechtbank zegt dat de deskundige als volgt tewerk zal gaan :

- hij zal zich dienen te gedragen naar de bepalingen van de artikelen 962 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek;

- hij zal binnen een termijn van 15 dagen na de kennisgeving van dit vonnis door de griffie, PLAATS, DAG en UUR bepalen waarop hij zijn werkzaamheden zal aanvatten;

- hij zal de partijen uitnodigen om hem overeenkomstig artikel 972 bis §2 van het Gerechtelijk Wetboek hun volledig dossier met inventaris en de naam van hun raadgevend geneesheer te bezorgen en hij zal kennis nemen van deze dossiers;

- hij zal eisende partij ten laatste binnen de maand na de kennisgeving van dit vonnis door de griffie, een eerste maal op tegensprekelijke wijze onderzoeken;

- indien het strikt noodzakelijk is, zal hij beroep doen op geneesheren - specialisten overeenkomstig het Koninklijk Besluit van 14 november 2003;

- hij zal zijn VOORLOPIG verslag aan de rechtbank, de partijen en hun raadslieden sturen en zal de termijn van ten minste 15 dagen bepalen waarbinnen de partijen hun opmerkingen kunnen maken;

- hij zal een EINDVERSLAG opstellen met vermelding van zijn werkzaamheden en vaststellingen en het ter griffie neerleggen binnen de ZES MAANDEN vanaf de datum waarop de griffie hem kennis gaf van zijn opdracht ;

- indien er redenen zouden zijn om de termijn voor het indienen van het eindverslag te verlengen, zal de deskundige daartoe een gemotiveerd verzoek aan de rechtbank richten met vermelding van de noodzakelijke termijn (art.974 §2 Gwb)

- hij zal zijn gedetailleerde staat van kosten en ereloon opstellen in overeenstemming met het K.B. van 14 november 2003, dat eveneens van toepassing is op de geneesheren - specialisten waarop hij beroep heeft gedaan.

Zegt dat de zaak vervolgens opnieuw door de rechtbank zal behandeld worden op verzoek van de meest gerede partij;

Houdt de beslissing over de kosten aan.

Aldus gevonnist door de 30ste kamer van de Arbeidsrechtbank van Brussel waar zitting hielden:

Mevrouw C. CORBISIER, Rechter, voorzitter van de Kamer,

De heer L. ARDIES, Rechter in sociale zaken - werkgevers,

De heer M. EL OUALKADI, Rechter in sociale zaken - werknemers,

en uitgesproken ter openbare zitting van 17/01/2011

waar aanwezig waren:

Mevrouw C. CORBISIER, Rechter,

bijgestaan door A. Genetello, Afgevaardigd Griffier.

De Afg. Griffier, De Rechters in Sociale Zaken, De Rechter,

A. GENETELLO L. ARDIES M. EL OUALKADI C. CORBISIER

Vrije woorden

  • verhoogde kinderbijslag

  • werknemers

  • lichamelijke of geestelije ongeschiktheid