- Vonnis van 17 februari 2011

17/02/2011 - 17604/08

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Vonnis - Integrale tekst

ARBEIDSRECHTBANK VAN BRUSSEL

24 ste kamer -openbare zitting van 17 februari 2011

VONNIS

A.R. nr. 17604/08

Arbeidsovereenkomst-bediende Aud. nr

Rep. nr 11/

IN ZAKE :

1°- De heer A

2°- De heer B

3°- De heer C

4°- De heer D

5°- De heer E

eisende partijen, vertegenwoordigd door meester Harry CLAES, advocaat, met kantoor te 3970 Leopoldsburg, Maarschalk Fochstraat 35;

EN:

De heer X,

eisende partij die vrijwillig is tussengekomen, eveneens vertegenwoordigd door meester Harry CLAES;

TEGEN:

De heer Jimmy VLAEMINCK, advocaat, met kantoor te 1210 Brussel, Middaglijnstraat 13, in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de VZW VOLLEYBALCLUB LENNIK, in vereffening, met zetel te 1755 Gooik, Hoevestraat 25;

verwerende partij, vertegenwoordigd door meester Linde DIERICKX loco meester Dirk MERCKX, advocaat, met kantoor te 1600 Sint-Pieters-Leeuw, Victor Nonnemansstraat 15B;

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtzaken;

Gelet op de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek;

I. Procedure.

De rechtbank nam kennis van de volgende procedurestukken:

- de gedinginleidende dagvaarding voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen d.d. 18 april 2008;

- de conclusies voor verwerende partij, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen d.d. 12 augustus 2008;

- het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen d.d. 18 december 2008 waarbij deze de zaak op verzoek van partijen verwees naar de arbeidsrechtbank te Brussel;

- de beschikking overeenkomstig artikel 747 § 2 van het Gerechtelijk Wetboek d.d. 24 februari 2009;

- de conclusies voor eisende partijen d.d. 24 april 2009;

- de syntheseconclusies voor verwerende partij d.d. 23 juni 2009;

- het verzoekschrift in vrijwillige tussenkomst van de heer X, neergelegd ter griffie d.d. 6 oktober 2009;

- de syntheseconclusies voor verwerende partij d.d.23 oktober 2009;

- de syntheseconclusies voor verwerende partij d.d. 16 april 2010;

- de syntheseconclusies na vrijwillige tussenkomst voor eisende partijen d.d. 18 juni 2010;

- de syntheseconclusies voor verwerende partij d.d. 21 oktober 2010;

- de bundels van partijen.

De verzoeningspoging ter zitting van 9 december 2010 mislukte.

De partijen hebben gepleit op de openbare zitting van 9 december 2010, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad genomen werd.

II. De vorderingen

De vorderingen van de eisers, zoals uiteengezet in hun laatste gezamelijke syntheseconclusies, strekken tot betaling van:

- 3.901,73 euro in hoofde van de heer A;

- 1.288,41 euro in hoofde van de heer B;

- 2.975,78 euro in hoofde van de heer C;

- 470,80 euro in hoofde van de heer D;

- 5.995,89 euro in hoofde van de heer E;

- 1.741,02 euro in hoofde van de heer X;

wegens het niet betalen van de lonen overeenkomstig de arbeidsovereenkomst.

De bedragen te vermeerderen met de moratoire intresten vanaf de ingebrekestelling en de gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding.

Op basis van de schending van de loonbeschermingswet verweerster te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding ten bedrage van 490,40 euro wegens het niet betalen van de groepsverzekering aan de heer D.

De heer D voorbehoud te verlenen voor de vordering tot betaling van belastingen op deze groepsverzekering.

Ondergeschikt de vordering te stoelen op een misdrijf, nl. de schending van de loonbeschermingswet.

Vervolgens verweerster te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding ten bedrage van:

- 3.901,73 euro in hoofde van de heer A;

- 1.288,41 euro in hoofde van de heer B;

- 2.975,78 euro in hoofde van de heer C;

- 470,80 euro in hoofde van de heer D;

- 5.995,89 euro in hoofde van de heer E;

- 1.741,02 euro in hoofde van de heer X;

Deze bedragen te vermeerderen met de moratoire intresten vanaf de ingebrekestelling en de gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding.

Verweerster te veroordelen tot de kosten van het geding.

III. De feiten

De eisers zijn allen in dienst geweest van de vzw Volleybalclub Lennik op basis van een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaar (in de jaren 2002 tot 2005 naargelang het geval).

De vzw Volleybalclub Lennik werd bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 23 oktober 2009 op verzoek van een schuldeiser, ontbonden en in vereffening gesteld. De rechtbank stelde meester Jimmy Vlaeminck aan als vereffenaar.

Nadat de spelers waren uit dienst getreden kregen zij van de belastingcontrole (in de loop van 2005 tot 2007, naar gelang het geval) een bericht van wijziging met betrekking tot hun inkomsten in het kader van hun tewerkstelling bij de vzw Volleybalclub Lennik.

De belastingadministratie had kennis gekregen van een aantal voordelen die de vzw Volleybalclub Lennik had toegekend, namelijk:

- forfaitaire onkostenvergoedingen;

- jeugdopleidingsvergoedingen;

- de huur van een appartement;

- een bedrijfswagen.

De belastingadministratie stelde vast dat het om belastbare bezoldigingen/voordelen ging en dat noch de club noch de spelers hadden aangetoond dat het om vergoedingen van kosten eigen aan de werkgever ging.

Eisers vroegen dat de club hen het bedrag van de bijkomende aanslagen zou betalen.

Uiteindelijk lieten zij op 18 april 2008 de club dagvaarden.

IV. Bespreking

De club stelt enerzijds dat de vorderingen verjaard zijn. Anderzijds verwijst zij naar de verklaringen die een aantal spelers na hun indiensttreding ondertekenenden en die volgens haar een afstand van recht inhielden. Tenslotte verwijt zij de spelers dat deze haar niet betrokken hebben in het geschil met de belastingadministratie.

1.1 Wat betreft de heer A:

(1)

Deze speler was in dienst van de club van 1 augustus 2003 tot 30 april 2004.

In de schriftelijke arbeidsovereenkomst werden volgende vergoedingen en voordelen

toegekend:

- een "netto-loon van 1240 euro ";

- een onkostengoeding van 460 euro netto per maand;

- een vergoeding voor jeugdopleiding van 495 euro netto per maand;

- een tussenkomst in de huur van zijn appartement van 200 euro netto per maand;

- tenslotte werd een bedrijfswagen toegekend waarmee de speler maximaal

30.000 km mocht rijden.

De speler legt de loonstaten neer waaruit blijkt dat de club daarin enkel het eerst vermeldde loon vermeldde en enkel voor dit loon sociale bijdragen en bedrijfsvoorheffing betaalde.

Verder legt de speler briefwisseling neer vanwege de belastingadministratie, waaruit

blijkt dat de club voor het jaar 2003 een fiche 281.10 had opgemaakt waarin zij het

totale bedrag van de onkostenvergoedingen en de jeugdopleidingvergoedingen als

belastbare bezoldigingen had vermeld. De administratie besliste dat dit bedrag en ook

het voordeel van de bedrijfswagen in de belastbare inkomsten van 2003 moesten opgenomen worden.

Het blijkt uit de stukken dat de speler opmerkingen maakte en dat de

belastingadministratie slechts bereid was om het voordeel van de bedrijfswagen te beperken tot de verplaatsingen tussen zijn appartement te Y. en de club,

De speler ontving een gelijkaardige beslissing voor het aanslagjaar 2005 (inkomsten

2004); hier werd bovendien belasting geheven op de terugbetaling van de huur (4 x

200 euro ).

(2)

Gedurende de arbeidsovereenkomst wist de speler aan de hand van de loonstaten dat de club geen enkele bedrijfsvoorheffing betaalde op de onkostenvergoeding, de

jeugdopleidingvergoedingen, de bedrijfswagen en de huur. Hij maakte daarover niet

het minste voorbehoud en gaf deze vergoedingen/voordelen ook niet aan in zijn

belastingaangifte.

De wijze waarop de overeenkomst werd uitgevoerd toont aan dat het de bedoeling

was van de partijen om deze vergoedingen/voordelen, anders dan het gewone vast

loon, niet als belastbare loonvoordelen te beschouwen.

Hieruit volgt dat de club zich niet schuldig maakte aan een misdrijf bepaald in artikel

42 van de Loonbeschermingswet. Zij betaalde immers elke maand het

overeengekomen (netto)loon en kende de andere nettovergoedingen toe zoals overeengekomen.

De club maakte zich ook niet schuldig aan het misdrijf bepaald in artikel 449 WIB/92

dat bepaalt "Onverminderd de administratieve sancties, wordt hij, die met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten overtreedt, gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van 250 EUR tot 725.000 EUR of met één van die straffen alleen."

Het blijkt inderdaad niet dat de club handelde "met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden" toen zij de kostenvergoeding, de jeugdopleidingsvergoeding, de tussenkomst in de huur van een appartement en de bedrijfswagen, beschouwde als niet-belastbare vergoedingen en met betrekking tot deze vergoedingen, met medeweten van de speler, geen bedrijfsvoorheffing betaalde. Blijkbaar heeft ook de belastingadministratie niets ondernomen tegen de club.

Verder blijkt ook niet dat de club in de betrokken periode reeds op de hoogte was van het feit dat de belastingadministratie systematisch bijkomende aanslagen zou vestigen. Uit het arrest van het arbeidshof te Brussel van 16 januari 2007 in een vergelijkbaar geschil tussen de club en een andere speler waarnaar eiseres in dat verband verwijzen, blijkt dat deze speler de club weliswaar op 12 maart 2004 had gedagvaard. Dit betrof echter slechts één speler zodat de club daar toen niet noodzakelijk moest uit afleiden dat zich bij alle spelers hetzelfde probleem zou stellen of dat het probleem met de belastingcontrole niet kon worden opgelost.

Het blijkt ook niet dat de feiten als een ander misdrijf zouden kunnen gekwalificeerd

worden in hoofde van de club. De speler vermeldt in conclusies ook geen andere

misdrijven dan deze omschreven in artikel 42 van de Loonbeschermmgswet en artikel

449 WIB/92.

De vordering van de speler is bijgevolg niet onderworpen aan de verjaringstermijn

van artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek Strafvordering, maar wel

aan de verjaringstermijn van artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de

arbeidsovereenkomsten.

(3)

Artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten bepaalt:

"De rechtsvorderingen die uit de overeenkomst ontstaan, verjaren één jaar na het

eindigen van deze overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is

ontstaan, zonder dat deze termijn één jaar na het eindigen van deze overeenkomst

mag overschrijden."

Ook de rechtsvorderingen tot vergoeding van schade die steunen op de contractuele

aansprakelijkheid van de werkgever vallen onder artikel 15 van de

arbeidsovereenkomstenwet (vgl. Cass. 14 januari 2008, JTT, 2008, 302).

Waar de partijen in de arbeidsovereenkomst uitdrukkelijk vermeld hadden dat de

bedragen netto bedragen waren, betekende dit dat de speler deze bedragen zou

ontvangen, zonder dat er nog belastingen in mindering op deze bedragen zouden

komen en dat de club de eventuele belastingen zou ten laste nemen.

De club heeft blijkbaar niets ondernomen om tegenover de belastingadministratie aan te tonen dat het om de terugbetaling van kosten eigen aan de

werkgever ging. Integendeel blijkt dat de club achteraf, zonder op enige wijze de

speler daarin te betrekken, deze netto betaalde onkosten en jeugdopleidingsvergoedingen in een fiscale fiche 218.10 als belastbare bezoldigingen heeft aangegeven.

Het blijkt voldoende uit de stukken dat de speler niets kon veranderen aan de

bijkomende aanslag. De belastingsadministratie had blijkbaar een controle uitgevoerd

bij de club. Waar bleek dat noch de club noch de speler konden aantonen dat de

tussenkomst in de huur, het gebruik van de bedrijfswagen, de onkosten-en

jeugdopleidingsvergoedingen de terugbetaling van kosten eigen aan de werkgever

vormden, was de belastingheffing onvermijdelijk.

In die omstandigheden is de club aan de speler het bedrag verschuldigd van de belasting die werd geheven op de voordelen waarvoor de partijen uitdrukkelijk een netto bedrag waren overeengekomen, dit zijn in het geval van de heer A, de kostenvergoeding, de jeugdopleidingsvergoeding en de tussenkomst in de huur van een appartement.

De club had daarentegen geen netto voordeel gegarandeerd met betrekking tot de

bedrijfswagen. De speler is hoe dan ook zelf de inkomstenbelasting verschuldigd op

het voordeel dat hij van zijn werkgever ontving.

De vordering tot schadevergoeding ontstond pas op het ogenblik dat de speler de

bijkomende belastingaanslag ontving. Artikel 2257 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de

verjaring niet loopt ten aanzien van een schuldvordering die van een voorwaarde

afhangt, zolang die voorwaarde niet vervuld is. Bijgevolg ving de éénjarige

verjaringstermijn van artikel 15 arbeidsovereenkomstenwet pas aan op het ogenblik

van de belastingaanslag (vgl. Cass. 13 november 2006, JTT, 2007, 224).

Voor de inkomsten van 2003 dateert het aanslagbiljet met het te betalen bedrag van

21 december 2006 (stuk 1 G van de heer A): de vordering van de speler tegen de club tot betaling van het bedrag van de bijkomende belasting (2.497,38 euro ) was dus verjaard op het ogenblik van de dagvaarding van 18 april 2008.

Voor de inkomsten van 2004 dateert het aanslagbiljet met het te betalen bedrag van

13 december 2007 (stuk 1 P van de heer A): de vordering van de speler tegen de club tot betaling van het bedrag van deze bijkomende belasting was dus NIET verjaard op het ogenblik van de dagvaarding van 18 april 2008.

De heer A vordert voor het jaar 2004 een bedrag van 1.404 euro . De heer A legt stukken neer waaruit blijkt dat deze belasting definitief werd opgelegd nadat zijn formeel bezwaarschrift werd verworpen (stuk 1.5. van de heer A). Het kan niet anders dan dat de heer A dit bedrag heeft moeten betalen.

Dit bedrag stemt overeen met de belasting op de volgende inkomsten die werden toegevoegd door de

belastingcontrole:

3.820,00 euro onkostenvergoeding + jongerenopleiding

374,57 euro bedrijfswagen

800,00 euro huur

4.994,57 euro

Het aandeel van de belasting op de bedrijfswagen dient als volgt berekend te worden:

4.994,57 euro : 374,57 = 13,33 euro

1.404 euro : 13,33 = 105,32 euro .

De club dient aan de heer A te betalen: 1.404 euro -105,32 euro =1.298,68 euro

2.2. Wat betreft de heer C:

Deze speler was in dienst van de club van 1 augustus 2002 tot 31 mei 2005.

In de arbeidsovereenkomst werden eveneens netto loon, netto vergoedingen en het voordeel van een bedrijfswagen overeengekomen zoals bij de heer A. Met betrekking tot de netto jeugdopleidingsvergoeding werd zelfs uitdrukkelijk vermeld dat de eventuele taksen ten laste van de club waren.

De heer C legt stukken neer waaruit blijkt dat hij na zijn uitdiensttreding een bijkomende aanslag kreeg voor de inkomsten van het jaar 2002, ook hier omdat geen bedrijfsvoorheffing was betaald met betrekking tot de onkostenvergoedingen, de jeugdopleidingsvergoeding en de bedrijfswagen.

Om dezelfde redenen als uiteengezet onder 1.1. hierboven, blijkt niet dat de club zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf.

De éénjarige verjaringstermijn van artikel 15 van de arbeidsovereenkomstenwet ving aan op het ogenblik van de bijkomende belastingaanslag, dit was 22 december 2005 (stuk 3.e van de heer C). De heer C betaalde de belasting overigens reeds op 22 februari 2006.

Zijn vordering was dus verjaard op het ogenblik van de dagvaarding van 18 april 2008.

2.3 Wat betreft de heer B

Deze speler was in dienst van de club van 1 augustus 2004 tot 30 april 2005.

In de arbeidsovereenkomst werd een netto loon overeengekomen. Dit werd (net als bij de andere spelers) betaald en de club betaalde de sociale bijdragen en de bedrijfsvoorheffing. Daarover bestaat geen betwisting.

De heer B legt stukken neer waaruit blijkt dat hij na zijn uitdiensttreding een bijkomende aanslag kreeg voor de inkomsten van het jaar 2004, ook hier omdat geen bedrijfsvoorheffing was betaald met betrekking tot de onkostenvergoedingen, de jeugdopleidingsvergoeding en de bedrijfswagen. De bijkomende belastingaanslag werd verzonden op 19 december 2007 (stuk 2.f van de heer B).

In de arbeidsovereenkomst van deze speler werd helemaal niet bepaald dat de club netto vergoedingen/voordelen garandeerde of dat de club de speler zou vergoeden voor eventuele belastingen.

Om dezelfde redenen als uiteengezet onder 1.1. hierboven, blijkt niet dat de club zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf door geen bedrijfsvoorheffing te betalen.

De speler wist dat de bijkomende vergoedingen werden betaald respectievelijk een bedrijfswagen werd ter beschikking gesteld, zonder deze aan te geven bij de belastingadministratie. Het is pas na een controle bij de club dat de belastingadministratie kennis kreeg van deze vergoedingen/voordelen en beslist heeft dat deze als belastbare bezoldiging moesten aangegeven worden.

De heer B was zelf de belasting op deze vergoedingen en voordelen verschuldigd indien de belastingadministratie niet aanvaardde dat het om kosten eigen aan de werkgever ging. Hij kan het bedrag van deze belasting niet verhalen op de werkgever gezien er geen overeenkomst bestond tussen de partijen over hogere (bruto)bedragen dan de bedragen die vermeld stonden in de overeenkomst en die de club hem integraal betaalde ten titel van onkostenvergoeding en jeugdopleidingsvergoeding.

Bovendien heeft hij na zijn uitdiensttreding tegenover de werkgever verzaakt aan eventuele vorderingen op basis van zijn arbeidsovereenkomst. Op 16 juni 2005 sloot hij immers een overeenkomst met daarin de volgende verklaring "De werknemer verklaart hierbij dat de werkgever aan al zijn verplichtingen heeft voldaan en zal bijgevolg op geen enkel moment stappen van welke aard ondernemen ten opzichte van de werkgever." (stuk 4 verwerende partij). De speler stelt dat de club bedrieglijk handelde door hem dergelijke overeenkomst te laten ondertekenen nadat zij kennis had gekregen van de bijkomende aanslagen bij andere spelers. Waar de club zich tegenover deze speler niet tot netto vergoedingen had verbonden en de speler wist dat geen belastingen waren betaald, blijkt niet dat de club de speler heeft willen benadelen of hem schade heeft berokkend.

Deze vordering is dus ongegrond.

2.3 Wat betreft de heer D

(1) Wat betreft de vordering wegens bijkomende belastingen.

Deze speler was in dienst van de club van 1 augustus 2004 tot 15 april 2007.

In de eerste arbeidsovereenkomst werd een netto loon overeengekomen ; in de tweede overeenkomst was sprake van een bruto en dus hoger bedrag. Dit loon werd steeds betaald en de club betaalde de sociale bijdragen en de bedrijfsvoorheffing. Daarover bestaat geen betwisting.

De heer D legt stukken neer waaruit blijkt dat hij na zijn uitdiensttreding een bijkomende aanslag kreeg voor de inkomsten van het jaar 2004, ook hier omdat geen bedrijfsvoorheffing was betaald met betrekking tot de onkostenvergoedingen, de jeugdopleidingsvergoeding en de bedrijfswagen. De bijkomende belastingaanslag werd verzonden op 24 maart 2006 (stuk 4.c van de heer D).

Ook in de arbeidsovereenkomst van deze speler werd helemaal niet bepaald dat de club netto vergoedingen/voordelen garandeerde of dat de club de speler zou vergoeden voor eventuele belastingen.

Om dezelfde redenen als uiteengezet onder 1.1. hierboven, blijkt niet dat de club zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf door geen bedrijfsvoorheffing te betalen.

De speler wist dat de bijkomende vergoedingen werden betaald respectievelijk een bedrijfswagen ter beschikking gesteld, zonder deze aan te geven bij de belastingadministratie. Het is pas na een controle bij de club dat de belastingadministratie kennis kreeg van deze vergoedingen/voordelen en beslist heeft dat deze als belastbare bezoldiging moesten worden aangegeven.

De heer D was zelf de belasting op deze vergoedingen en voordelen verschuldigd indien de belastingadministratie niet aanvaardde dat het om kosten eigen aan de werkgever, respectievelijk belastingvrije voordelen ging. Hij kan het bedrag van deze belasting niet verhalen op de werkgever gezien er geen overeenkomst bestond tussen de partijen over hogere (bruto)bedragen dan de bedragen die vermeld stonden in de overeenkomst en die de club hem integraal betaalde ten titel van onkostenvergoeding en jeugdopleidingsvergoeding.

Bovendien heeft hij na zijn uitdiensttreding tegenover de werkgever verzaakt aan eventuele vorderingen op basis van zijn arbeidsovereenkomst. Op 21 april 2007 sloot hij immers een overeenkomst met daarin de volgende verklaring:

"(...) Beide partijen verklaren uitdrukkelijk geen enkele vordering meer tegen elkaar te zullen instellen en verklaren elkaar niets meer verschuldigd te zijn indien wel te verstaan de betalingen van de groepsverzekering tot en met de maand april werden voldaan, alsook het loon van 1 tot 15 april 2007 en de onkostenvergoeding van 200 euro . De heer D verklaart zich akkoord dat de eventuele schade aan zijn bedrijfswagen en de kosten hieraan verbonden, verrekend kunnen worden met de nog resterende betalingen."

De speler stelt dat de club bedrieglijk handelde door hem dergelijke overeenkomst te laten ondertekenen nadat zij kennis had gekregen van de bijkomende aanslagen bij andere spelers. Waar de club zich tegenover deze speler niet tot netto vergoedingen had verbonden en de speler wist dat geen belastingen waren betaald, blijkt niet dat de club de speler heeft willen benadelen of hem schade heeft berokkend.

Deze vordering is dus ongegrond.

(2) Wat betreft de groepsverzekering.

De partijen ondertekenden op 14 augustus 2006 een overeenkomst waarin bepaald werd dat de club per seizoen 2.250 euro zou storten in een groepsverzekering (niet genummerd stuk van de heer D). De heer D legt geen stukken neer waarin werd overeengekomen dat het om een nettobedrag zou gaan.

De heer D legt de individuele pensioenfiche van 17 september 2007 neer die hij ontving van KBC Life Benefit Plan; hij stelt dat hij slechts een bruto bedrag van 1.759,60 euro heeft ontvangen van de groepsverzekering en maakt aanspraak op het verschil (2.250 euro -1.759,60 euro =) 490,40 euro .

Verwerende partij stelt dat zij alles heeft betaald maar dat de betalingen globaal gebeurden zodat zij geen betalingsbewijs kan voorleggen.

De rechtbank kan slechts vaststellen dat uit de pensioenfiche niet blijkt welk bruto bedrag de club heeft betaald. De partijen moeten een afrekening opvragen bij de verzekeraar KBC. De debatten worden heropend voor dit onderdeel van de vordering.

2.4 Wat betreft de heer E

De speler was in dienst van de club in het seizoen 2002-2003.

Deze speler legt geen arbeidsovereenkomst neer. Het blijkt niet en hij beweert ook niet dat hem netto vergoedingen zouden gegarandeerd zijn geweest.

Ook deze speler legt stukken neer waaruit blijkt dat hij na zijn uitdiensttreding bijkomende aanslagen kreeg voor de inkomsten van het jaar 2002 en het jaar 2003, ook hier omdat geen bedrijfsvoorheffing was betaald met betrekking tot de onkostenvergoedingen, de jeugdopleidingsvergoeding en de bedrijfswagen.

Om dezelfde redenen als uiteengezet onder 1.1. hierboven, blijkt niet dat de club zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf door geen bedrijfsvoorheffing te betalen.

De speler wist dat de bijkomende vergoedingen werden betaald, respectievelijk een bedrijfswagen ter beschikking gesteld, zonder deze aan te geven bij de belastingadministratie. Het is pas na een controle bij de club dat de belastingadministratie kennis kreeg van deze vergoedingen/voordelen en beslist heeft dat deze als belastbare bezoldiging moesten worden aangegeven.

De heer E was zelf de belasting op deze vergoedingen en voordelen verschuldigd indien de belastingadministratie niet aanvaardde dat het om kosten eigen aan de werkgever respectievelijk belastingvrije voordelen ging. Hij kan het bedrag van deze belasting niet verhalen op de werkgever gezien er geen overeenkomst bestond tussen de partijen over hogere (bruto)bedragen dan de bedragen die de club hem integraal betaalde ten titel van onkostenvergoeding en jeugdopleidingsvergoeding.

Deze vordering is dus ongegrond.

2.5 Wat betreft de heer X

Deze speler was in dienst van de club van 1 augustus 2000 tot 31 mei 2002.

De "overeenkomst sportbeoefening" die de partijen sloten, voorzag enkel in de betaling van een onkostenvergoeding (322,30 euro , later 371,80 euro per maand) en een premie per gewonnen wedstrijd (75 euro , later 99,15 euro ).

De club betaalde enkel deze vergoedingen en stelde een bedrijfswagen ter beschikking.

Het blijkt niet dat aan de heer X netto vergoedingen zouden gegarandeerd zijn geweest.

De heer X legt stukken neer waaruit blijkt dat hij na zijn uitdiensttreding een bijkomende aanslag kreeg voor de inkomsten van het jaar 2001 en het jaar 2002, ook hier omdat geen bedrijfsvoorheffing was betaald met betrekking tot de onkostenvergoedingen en de bedrijfswagen.

Om dezelfde redenen als uiteengezet onder 1.1. hierboven, blijkt niet dat de club zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf door geen bedrijfsvoorheffing te betalen.

De speler wist dat de bijkomende vergoedingen werden betaald, respectievelijk een bedrijfswagen ter beschikking gesteld, zonder deze aan te geven bij de belastingadministratie. Het is pas na een controle bij de club dat de belastingadministratie kennis kreeg van deze vergoedingen/voordelen en beslist heeft dat deze als belastbare bezoldiging moesten worden aangegeven.

De heer X was zelf de belasting op deze vergoedingen en voordelen verschuldigd indien de belastingadministratie niet aanvaardde dat het om kosten eigen aan de werkgever respectievelijk belastingvrije voordelen ging. Hij kan het bedrag van deze belasting niet verhalen op de werkgever gezien er geen overeenkomst bestond tussen de partijen over hogere (bruto)bedragen dan de bedragen die de club hem integraal betaalde ten titel van onkostenvergoeding en jeugdopleidingsvergoeding.

Deze vordering is dus ongegrond.

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK

Rechtsprekende op tegenspraak en in eerste aanleg;

Verklaart de vorderingen van de heer A gedeeltelijk gegrond: veroordeelt verwerende partij tot betaling van 1.298,68 euro , verhoogd met de verwijlsinterest vanaf de ingebrekestelling (4 februari 2008) en de gerechtelijke interest vanaf de dagvaarding,

Verklaart de vorderingen van de heer B,C, E en X ongegrond,

Verklaart de vordering van de heer D tot betaling van 470,80 euro ongegrond,

Alvorens uitspraak te doen over de vordering van de heer D tot betaling van 490,40 euro , beveelt de heropening van de debatten opdat de partijen bij de groepsverzekeraar een precieze afrekening opvragen van de bijdragen die de vzw Volleybalclub Lennik heeft betaald en deze stukken neer te leggen ter griffie uiterlijk op 4 mei 2011.

Bepaalt overeenkomstig artikel 775 van het Gerechtelijk Wetboek de termijnen waarbinnen de partijen hun conclusies en stukken dienen neer te leggen, als volgt:

- conclusies na heropening van debatten voor verwerende partij: uiterlijk op 4 juli 2011;

- conclusies na heropening van debatten voor de heer D: uiterlijk op 5 september 2011;

- repliekconclusies voor verwerende partij: uiterlijk op 5 oktober 2011;

Stelt de zaak vast ter zitting van de 24ste kamer van donderdag 10 november 2011 om 09.30 u (zaal 05) voor een pleitduur van 30 minuten.

Zegt dat elke partij haar kosten zal dragen.

Aldus gevonnist door de 24ste kamer van de Arbeidsrechtbank van Brussel, waar zitting hielden:

C. CORBISIER, Rechter,

M. HAUTMAN, Rechter in sociale zaken - werkgever,

F. BUGGENHOUDT, Rechter in sociale zaken - werknemer,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van alwaar aanwezig waren:Mevrouw C. CORBISIER, Rechter, bijgestaan door T. DUBELLOY, Griffier, 17 februari 2011

de griffier, de Rechters in sociale zaken, De Rechter,

T. DUBELLOY F. BUGGENHOUDT M. HAUTMAN C. CORBISIER

Vrije woorden

  • arbeidsovereenkomsten-betaalde sportbeoefenaars-gewaarborgd netto-loon

  • bijkomende aanslag

  • verjaring