- Vonnis van 7 maart 2012

07/03/2012 - 12/2757/A

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Vonnis - Integrale tekst

ARBEIDSRECHTBANK VAN BRUSSEL

33ste kamer - openbare zitting van 7 maart 2012

VONNIS

A.R. nr 12/2757/A

Sociale verkiezingen Aud. nr

Rép. nr 12/

IN ZAKE :

Het ALGEMEEN BELGISCH VAKVERBOND (A.B.V.V.), representatieve werknemersorganisatie, met zetel te 1.000 Brussel, Hoogstraat 42,

eisende partij, vertegenwoordigd door Mr. Remi SWENNEN, advocaat te 1731 ZELLIK, Noorderlaan, 30 ;

TEGEN

DE NV NEUHAUS, met maatschappelijke zetel te 1602 VLEZENBEEK, Postweg, 2, met ondernemingsnummers 0406.774.844,

verwerende partij, vertegenwoordigd door Mr Rafael CLAES, advocaat te 1150 BRUSSEL, Tervurenlaan 192 ;

IN AANWEZIGHEID VAN :

1) HET ALGEMEEN CHRISTELIJK VAKVERBOND (A.C.V.), representatieve werknemersorganisatie, met zetel gevestigd te 1031 BRUSSEL, Haachtsesteenweg, 579,

in het geding betrokken partij, die niet verschijnt ;

2) DE ALGEMENE CENTRALE DER LIBERALE VAKBONDEN VAN BELGIE (A.C.L.V.B.), representatieve werknemersorganisatie met sociale zetel gevestigd te 1070 BRUSSEL, Poincarélaan, 72-74 en met administratieve zetel gevestigd te 9000 GENT, Koning Albertlaan, 95,

in het geding betrokken partij, vertegenwoordigd door Mevr. Katrien VAN SINAY, gevolmachtigde afgevaardigde ;

3) DE NATIONALE CONFEDERATIE VOOR KADERPERSONEEL (N.C.K.), representatieve organisatie van kaderleden, met zetel gevestigd te 1030 BRUSSEL, Lambermontlaan, 171, bus 4,

in het geding betrokken partij, die niet verschijnt ;

* * *

Gelet op de wet van 15 juni 1935 houdende het gebruik der talen in gerechtszaken ;

Gelet op de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek ;

I. PROCEDURE.

De rechtbank nam kennis van volgende procedurestukken:

- het verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 28 februari 2012

- de besluiten en synthesebesluiten van verweerster van 5 maart 2012

- de besluiten van eiser van 5 maart 2012

- het dossier van verwerende partij

De partijen werden per aangetekend schrijven van 29 februari 2012 opgeroepen voor de zitting van 2 maart 2012, waarop eisende partij, verwerende partij en het ACLVB verschenen zijn, terwijl de betrokken partijen, het ACV en de NCK niet verschenen zijn.

De zaak werd tegensprekelijk uitgesteld naar de zitting van 5 maart 2012 ;

De partijen werden gehoord op de zitting van 5 maart 2012. Het openbaar ministerie werd gehoord in zijn advies, waarop partijen niet gerepliceerd hebben.

De debatten werden gesloten en de zaak werd in beraad genomen.

II. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN

Bij verzoekschrift van 28 februari 2012 vordert het ABVV :

De vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en te zeggen voor recht dat de NV NEUHAUS gehouden is tot aanpassing van het bericht X met dien verstande dat de verdeling der mandaten per categorie enkel dient te gebeuren op basis van de "voorlopig kiezerslijsten" en dit met uitsluiting van de uitzendkrachten d.w.z. :

- arbeiders : 5;

- bedienden : 1;

- jeugdige werknemers : 0;

- kaderleden : 1;

Dit alles onder de verbeurte van een dwangsom lastens de NV NEUHAUS van 1000 Eur per dag vertraging in de uitvoering van dit vonnis;

Verder vordert het ABVV het te vellen vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren ondanks alle verhaal en zonder borgstelling en het te vellen vonnis bovendien bindend te verklaren aan alle in deze procedure opgeroepen partijen;

Tenslotte vordert het ABVV verweerster te veroordelen tot de kosten van het geding, hetzij een R.P.V. 1.2010 Eur;

NEUHAUS besluit tot de ongegrondheid van voormelde vordering.

Subsidiair vraagt zij de vordering om een dwangsom op te leggen ongegrond te verklaren.

Uiterst subsidiair vraagt zij te zeggen voor recht dat deze pas verbeurd zal zijn ten vroegste drie werkdagen na de verzending van het vonnis door de griffie bij gerechtsbrief.

In elk geval vraagt zij het A.B.V.V. te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op een rechtsplegingsvergoeding van 1.320 EUR.

Het ACLVB heeft ter zitting medegedeeld dat zij het standpunt van NEUHAUS bijtreedt.

III. DE ONTVANKELIJKHEID.

Beroepstermijn

Dag X situeert zich bij deze werkgever op 11 februari 2012.

Tegen deze beslissing werd op 28 februari 2012 een verzoekschrift neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Brussel, dit overeenkomstig en binnen de termijn voorzien door artikel 4 van de Wet van 4 december 2007 tot regeling van de gerechtelijke beroepen ingesteld in het kader van de procedure aangaande de sociale verkiezingen.

Belang

Het ABVV beschikt over het vereiste belang voorzien in de artikelen 17 en 18 van het gerechtelijk wetboek voor het instellen van deze vordering.

De representatieve werknemersorganisaties hebben de bevoegdheid een vordering in te stellen tot de beslechting van alle geschillen in verband met de toepassing van de wetgeving inzake sociale verkiezingen (art 24 Bedrijfsorganisatiewet; artikel 79 Wet Welzijn op het werk).

Het belang van de representatieve werknemersorganisaties blijkt aldus uit de wet zelf

(Arbrb Brussel, 31 januari 2008, AR nr. 08/314/A ).

Het beroep van het ABVV is ontvankelijk.

IV. DE FEITEN.

1. Neuhaus stelt gemiddeld 310 werknemers te werk (een 220-tal arbeiders en een 90-tal bedienden).

Daarnaast zijn er regelmatig uitzendkrachten aan de slag, met seizoensgebonden pieken, zoals tegen het jaareinde, om alle bestellingen te kunnen leveren.

De uitzendkrachten die bij een seizoengebonden piek worden tewerkgesteld zijn overwegend arbeiders.

Op dag X waren geen uitzendkrachten - arbeiders tewerkgesteld, enkel 10 uitzendkrachten - bedienden.

2. Op 13 december 2011 (X -60) heeft Neuhaus de procedure voor de sociale verkiezingen aangevat.

4. Op 11 februari 2011 (X) heeft Neuhaus het bericht "X" aangeplakt met, onder meer, de datum van de verkiezingen, die vastgesteld werd op 11 mei 2011, en het aantal mandaten per orgaan en per categorie van werknemers.

Voor de ondernemingsraad werd de volgende mandaatverdeling per categorie van werknemers meegedeeld:

Arbeiders: 4 mandaten

Bedienden: 2 mandaten

Kaders: 1 mandaat

Jonge werknemers: 0 mandaat

In de huidige ondernemingsraad zijn de mandaten als volgt verdeeld:

Arbeiders: 5 mandaten (3 A.B.V.V., 2 A.C.V.);

Bedienden: 1 mandaat (1 A.C.V.);

Kaders: 1 mandaten (1 A.C.V.);

Jonge werknemers: 0 mandaten.

6. Bij aangetekende brief van 14 februari 2012 formuleerde het A.B.V.V. bezwaren tegen de voorgestelde verdeling van mandaten per categorie.

Volgens het A.B.V.V. dient de mandaatverdeling als volgt te zijn:

Arbeiders: 5 mandaten

Bedienden: 1 mandaat

Kaders: 1 mandaat

Jonge werknemers: 0 mandaten

Het A.B.V.V. gaat daarbij uit van een tewerkstelling op dag X van 332 werknemers, uitgesplitst als volgt:

- 220 arbeiders;

- 77 bedienden;

- 35 kaderleden.

Volgens de stelling in de brief van 14 februari 2012 van het A.B.V.V. dient er bij de verdeling van mandaten geen rekening gehouden te worden met de uitzendkrachten op dag X.

7. Neuhaus was uitgegaan van een tewerkstelling op dag X van 342 werknemers, rekening houdende met volgende uitsplitsing:

Arbeiders: 220

Bedienden: 87 (77 bedienden en 10 uitzendkrachten-bedienden)

Leidinggevenden: 6

Kaderleden: 29

Neuhaus hield verder rekening met de volgende gegevens.

Op dag X waren er 10 uitzendkrachten tewerkgesteld. Het ging allemaal om bedienden.

Op die basis werd als volgt de verdeling gemaakt.

Het aantal mandaten voor de ondernemingsraad bedroeg 6 (het totaal aantal werknemers meer dan 101 en minder dan 500) én 1 extra mandaat omwille van kadervertegenwoordiging (een extra mandaat vermits tussen de 15 en 99 kaderleden), wat leidde tot een totaal van 7 mandaten.

Er kwam geen aparte vertegenwoordiging jeugdige werknemers, want er waren slechts 22 jeugdige werknemers (dus minder dan 25 werknemers).

Er kwam wel een aparte vertegenwoordiging van kaderleden, want er waren 29 kaderleden. Omdat er een aparte vertegenwoordiging van de kaderleden was, werd het leidinggevend personeel bij de categorie van de kaderleden ingedeeld voor de verdeling van de mandaten.

9. Op 22 februari 2012 werd de problematiek van de uitzendkrachten besproken in een bijzondere ondernemingsraad.

10. Partijen kwamen niet tot een vergelijk ter gelegenheid van deze bijzondere ondernemingsraad van 22 februari 2012.

11. Tegen de aankondiging van dag X werd op 28 februari 2012 een verzoekschrift neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Brussel.

V. TEN GRONDE.

Probleemstelling.

Het aantal mandaten dat overeenkomstig artikel 23 van de wet van 4 december 2007, zoals gewijzigd door de Wet van 28 juli 2011, vastgesteld werd, moet tussen de verschillende werknemerscategorieën die bestaan in het kader van de sociale verkiezingen verdeeld worden (arbeiders, bedienden, jeugdige werknemers en, voor de ondernemingsraad, kaderleden) overeenkomstig de artikelen 34 t.e.m. 28 van deze wet.

De vraag stelt zich of men rekening moet houden met de uitzendkrachten voor het verdelen van de mandaten tussen deze verschillende werknemerscategorieën.

Stelling NEUHAUS.

NEUHAUS is van mening dat de uitzendkrachten, die geen vaste werknemer bij de gebruiker vervangen, wel degelijk dienen in rekening te worden gebracht bij de berekening van de verdeling van de mandaten per categorie.

Het ACLVB treedt het standpunt van NEUHAUS bij.

NEUHAUS en het ACLVB steunen zich op artikel 25, eerste lid, van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, hierna Uitzendarbeidswet genoemd, dat stelt dat voor de toepassing van de bepalingen van de wetten en verordeningen die steunen op het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld, de ter beschikking van een gebruikende onderneming gestelde uitzendkrachten eveneens in aanmerking komen voor de berekening van de personeelssterkte, tewerkgesteld door die onderneming.

NEUHAUS en het ACLVB verwijzen naar een Cassatiearrest van 30 maart 2009, waarin wordt gesteld dat het bepaalde in artikel 25, eerste lid, van de Uitzendarbeidswet geldt voor alle wettelijke bepalingen die steunen op het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld, dit is zowel voor wettelijke bepalingen die de drempel bepalen voor de oprichting van een orgaan als voor wettelijke bepalingen die de drempel bepalen voor andere of ondergeschikte verplichtingen. Het geldt ook zowel voor wettelijke bepalingen die steunen op het "aantal werknemers" dat door een onderneming wordt tewerkgesteld als voor wettelijke bepalingen die steunen op het "gemiddeld aantal werknemers" dat door een onderneming wordt tewerkgesteld.

NEUHAUS en het ACLVB menen dat de artikelen 24 tot en met 28 van de wet van 4 december 2007 wettelijke bepalingen zijn die de drempel bepalen voor andere of ondergeschikte verplichtingen en aldus met de uitzendkrachten rekening dient te worden gehouden bij het verdelen van de verschillende mandaten.

Stelling ABVV

Het ABVV van haar kant argumenteert dat het Hof van Cassatie in het arrest van 30 maart 2009 enkel uitspraak gedaan over artikel 23 van de wet van 4 december 2007 en dus enkel uitspraak heeft gedaan over de wijze van de vaststelling van het aantal mandaten voor de ondernemingsraad en/of het comité voor preventie en bescherming op het werk.

Het ABVV stelt dat de verdeling van de mandaten dient beoordeeld op basis van de gewone vaste personeelsleden van de onderneming, zoals deze voorkomen op de "voorlopige kieslijsten", en dat hierbij geen rekening dient gehouden met de uitzendkrachten toevallig tewerkgesteld op X en waarvan deze tewerkstelling op X zeker niet van aard is om een juist beeld te geven van de diverse categorieën van werknemers in de onderneming.

Indien de uitzendkrachten tewerkgesteld op X in aanmerking dienen genomen om het aantal mandaten per orgaan in de gebruikende onderneming te bepalen, betekent dit dus niet dat dan ook met deze uitzendkrachten rekening dient gehouden voor de interne verdeling van de mandaten per categorie van werknemers. Deze verdeling dient enkel te gebeuren op basis van de "voorlopige kiezerslijsten", temeer daar het ook niet steeds duidelijk is in welke hoedanigheid deze uitzendkrachten zijn tewerkgesteld en er in hoofde van de werkgever ook geen verplichting bestaat om dienaangaande de nodige informatie te verschaffen bij het opstellen bericht X.

Dit betekent volgens het ABVV dat de uitzendkrachten niet in aanmerking moeten worden genomen bij de verdeling van het totaal aantal mandaten tussen de verschillende categorieën van werknemers.

Stelling van de rechtbank.

1.

Overeenkomstig artikel 23 van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen, zoals gewijzigd door de Wet van 28 juli 2011 wordt het aantal mandaten bepaald volgens het aantal werknemers die in de onderneming tewerkgesteld worden op de datum van aanplakking van het bericht waarbij de verkiezingen worden aangekondigd.

Met betrekking tot het aantal mandaten voor de ondernemingsraad werd voorzien dat er 7 mandaten waren. Daarbij werd rekening gehouden met de uitzendkrachten die geen vaste werknemer bij de gebruiker vervangen. Over deze wijze van vaststelling van het aantal mandaten bestaat geen betwisting tussen partijen.

2.

Het aantal mandaten dat overeenkomstig artikel 23 van de wet van 4 december 2007 vastgesteld werd, in casu 7, moet tussen de verschillende werknemerscategorieën die bestaan in het kader van de sociale verkiezingen verdeeld worden (arbeiders, bedienden, jeugdige werknemers en, voor de ondernemingsraad, kaderleden).

De wijze waarop dergelijke verdeling dient te gebeuren, wordt bepaald in de artikelen 24 tot en met 28 van de wet van 4 december 2007.

Artikel 28 bepaalt dat bij de verdeling van de mandaten van de personeelsafgevaardigden rekening moet worden gehouden met het aantal personeelsleden van de verschillende categorieën in dienst in de onderneming op de dag van de aanplakking van het bericht waarbij de datum der verkiezingen wordt aangekondigd. Het leidinggevend personeel is begrepen in de categorie van kaderleden.

3.

Het Cassatiearrest van 30 maart 2009, waarop het ACV en het ACLVB zich steunen, stelt het volgende :

"Krachtens artikel 25, eerste lid, van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, hierna Uitzendarbeidswet genoemd, komen voor de toepassing van de bepalingen van de wetten en verordeningen die steunen op het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld, de ter beschikking van een gebruikende onderneming gestelde uitzendkrachten eveneens in aanmerking voor de berekening van de personeelssterkte, tewerkgesteld door die onderneming.

Krachtens artikel 25, tweede lid, van de Uitzendarbeidswet, geldt het eerste lid niet voor de uitzendkrachten die vaste werknemers vervangen als bedoeld in artikel 1, §2, 1°, van die wet.

Artikel 25, derde lid, van de Uitzendarbeidswet bepaalt: "Wat de wetgeving op de ondernemingsraden en de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen betreft, bepaalt de Koning de wijze van berekening van het gemiddelde van de uitzendkrachten die door een gebruiker worden tewerkgesteld."

4.Het bepaalde in artikel 25, eerste lid, van de Uitzendarbeidswet geldt blijkens zijn uitdrukkelijke bewoordingen voor alle wettelijke bepalingen die steunen op het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld, dit is zowel voor wettelijke bepalingen die de drempel bepalen voor de oprichting van een orgaan als voor wettelijke bepalingen die de drempel bepalen voor andere of ondergeschikte verplichtingen. Het geldt ook zowel voor wettelijke bepalingen die steunen op het "aantal werknemers" dat door een onderneming wordt tewerkgesteld als voor wettelijke bepalingen die steunen op het "gemiddeld aantal werknemers" dat door een onderneming wordt tewerkgesteld.

Artikel 25, derde lid, van de Uitzendarbeidswet verleent aan de Koning de bevoegdheid te bepalen hoe de gemiddelde tewerkstelling van uitzendkrachten moet worden berekend voor de erin aangeduide wetgeving welke bepalingen bevat die steunen op het gemiddeld aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld. Het strekt er niet toe de toepassing van artikel 25 van de Uitzendarbeidswet te beperken tot alleen die wettelijke bepalingen welke steunen op het "gemiddeld aantal werknemers" dat door een onderneming wordt tewerkgesteld.

5.Krachtens artikel 23, eerste lid, van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008, is de personeels-afvaardiging in de raad en in het comité samengesteld uit: "4 gewone leden voor een onderneming met minder dan 101 werknemers; 6 gewone leden voor een onderneming met 101 tot 500 werknemers; (...), op de datum van aanplakking van het bericht waarbij de datum der verkiezingen wordt aangekondigd".

Krachtens artikel 23, vijfde lid, van deze wet bestaat de afvaardiging bovendien uit plaatsvervangende leden waarvan het aantal gelijk is aan dat van de gewone leden.

6.Artikel 23, eerste lid, van de voormelde wet van 4 december 2007 is een wetsbepaling die steunt op het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld, zoals bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Uitzendarbeidswet.

Hieruit volgt dat de uitzendkrachten die op de datum van aanplakking van het bericht waarbij de datum der verkiezingen wordt aangekondigd, ter beschikking van een gebruikende onderneming zijn gesteld, eveneens in aanmerking komen voor de berekening van de personeelssterkte van die onderneming en dus voor de vaststelling van het aantal leden en plaatsvervangende leden van de personeelsafvaardiging in de ondernemingsraad en in het comité voor preventie en bescherming op het werk."

4.

Het Hof van Cassatie heeft in dit arrest van 30 maart 2009 enkel uitspraak gedaan over de draagwijdte van artikel 23 van de wet van 4 december 2007 en dus over de wijze van de vaststelling van het aantal mandaten voor de ondernemingsraad en/of het comité voor preventie en bescherming op het werk.

Het Hof van Cassatie heeft beslist dat artikel 23 eerste lid, van de voormelde wet van 4 december 2007 een wetsbepaling is die steunt op het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld, zoals bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Uitzendarbeidswet omdat het een wettelijke bepaling betreft die de drempel bepaalt voor een andere of ondergeschikte verplichting aan deze van de oprichting van een orgaan, m.n. stelt deze bepaling dat de personeels-afvaardiging in de raad en in het comité is samengesteld uit: "4 gewone leden voor een onderneming met minder dan 101 werknemers; 6 gewone leden voor een onderneming met 101 tot 500 werknemers; (...), op de datum van aanplakking van het bericht waarbij de datum der verkiezingen wordt aangekondigd.

Het Hof van Cassatie heeft gesteld dat aangezien het een wetsbepaling is die steunt op het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld, artikel 25, eerste lid, van de wet Uitzendarbeidswet toepassing vindt en dus de uitzendkrachten die op de datum van aanplakking van het bericht waarbij de datum der verkiezingen wordt aangekondigd, ter beschikking van een gebruikende onderneming zijn gesteld, eveneens in aanmerking komen voor de berekening van de personeelssterkte van die onderneming en dus voor de vaststelling van het aantal leden en plaatsvervangende leden van de personeelsafvaardiging in de ondernemingsraad en in het comité voor preventie en bescherming op het werk.

5.

De vraag die rijst is dus te weten of de bepalingen die betrekking hebben op de verdeling van de mandaten per categorie eveneens blijkens hun bewoordingen wetsbepalingen zijn die steunen op het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld en dus op de personeelssterkte van de onderneming, zoals bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Uitzendarbeidswet.

De rechtbank is van oordeel dat de bepalingen die betrekking hebben op de verdeling van de mandaten per categorie geen wetsbepalingen zijn die steunen op het "aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld", zoals bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Uitzendarbeidswet.

Ten eerste blijkt uit deze bepalingen dat het criterium voor de verdeling van de mandaten niet langer "de personeelssterkte van de onderneming" is, zoals vereist in artikel 25 van de Uitzendarbeidswet, maar wel het aantal arbeiders in de onderneming, of het aantal bedienden in de onderneming of nog het aantal kaderleden of het aantal jeugdige werknemers in de onderneming.

Er is een tweede fundamenteel verschil tussen artikel 23 van de wet van 4 december 2007 waarover het Hof van Cassatie zich uitgesproken heeft en de artikelen 24 tot en met 28 van de wet van 4 december 2007, waarvoor de criteria verschillend zijn.

Artikel 28 bepaalt dat bij de verdeling van de mandaten van de personeelsafgevaardigden rekening moet worden gehouden met het aantal personeelsleden van de verschillende categorieën in dienst in de onderneming op de dag van de aanplakking van het bericht, waarbij de datum der verkiezingen wordt aangekondigd.

Artikel 28 specificeert dus duidelijk dat de verdeling van de mandaten niet gebeurt op basis van het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld, zoals het geval is bij artikel 23 van de wet, maar wel op basis van de personeelsleden die "in dienst" zijn in de onderneming, wat dus inhoudt dat ze deel uitmaken van het personeel en werken in dienstverband, wat inhoudt dat ze verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst met de onderneming zelf.

Dit is ook logisch, aangezien het huidige artikel 28 bedoeld is om de opmaak van de kiezerslijsten en de samenstelling van de kiescolleges en -bureaus mogelijk te maken, terwijl de uitzendkrachten bij de gebruikende onderneming niet aan de verkiezingen kunnen deelnemen, noch door er kandidaat te zijn, noch door er te gaan stemmen.

Het Hof van Cassatie stelde dienaangaande in een arrest van 12 februari 2001:

"Overwegende dat, naar luid van artikel 25 van voornoemd besluit, bij de verdeling van de mandaten van de personeelsafgevaardigden, rekening moet worden gehouden met het aantal personeelsleden van de verschillende categorieën in dienst in de onderneming op de dag van de aanplakking van het bericht waarbij de datum der verkiezingen wordt aangekondigd;

Dat voornoemde bepaling, die bedoeld is om de opmaak van de kiezerslijsten en de samenstelling van de kiescolleges en -bureaus mogelijk te maken, aldus de verdeling van de mandaten in de sociale organen grondt op de toestand van het personeel in de onderneming op de dag van aanplakking van het bij artikel 11 van het koninklijk besluit van 25 mei 1999 voorgeschreven bericht, waarin onder meer de datum en de uurregeling van de verkiezingen, het aantal mandaten per raad of comité en per categorie, alsook de voorlopige kiezerslijsten of de plaatsen waar zij kunnen worden geraadpleegd ter kennis van de werknemers worden gebracht."

NEUHAUS legt ter staving van haar stelling een nota van SD Worx neer waarin wordt gesteld dat indien de uitzendkrachten meetellen voor de samenstelling van de noemer (= het aantal werknemers dat men bekomt door toepassing van artikel 23), het logisch is dat ze ook meetellen in de teller.

Deze nota gaat uit van een verkeerde premisse.

Wanneer de uitzendkrachten niet worden meegerekend voor de verdeling van de mandaten, komen zij noch in te teller, noch in de noemer voor. De noemer bevat dan immers overeenkomstig artikel 28 van de voornoemde wet enkel de personeelsleden van de verschillende categorieën in dienst in de onderneming op de dag van de aanplakking van het bericht waarbij de datum der verkiezingen wordt aangekondigd. De teller bevat enkel het aantal arbeiders ( of andere categorie ) in dienst in de onderneming op de dag van de aanplakking van het bericht waarbij de datum der verkiezingen wordt aangekondigd.

Tenslotte stelt de rechtbank ook vast dat het niet meerekenen van de uitzendkrachten bij de verdeling van de mandaten conform is aan de bepalingen van artikel 7 van de Europese Richtlijn van 19 november 2008 betreffende de uitzendarbeid (Pb. L. 327/11, 5 december 2008) ;

Dit artikel bepaalt :

"Vertegenwoordiging van de uitzendkrachten

A. In het uitzendbureau worden de uitzendkrachten, onder door de lidstaten vastgestelde voorwaarden, meegeteld bij de berekening van de drempel waarboven de vertegenwoordigingsorganen van de werknemers waarin het Gemeenschaps- en nationaal recht of collectieve overeenkomsten voorzien, moeten worden opgericht.

B. De lidstaten kunnen, onder de voorwaarden die zij vaststellen, bepalen dat deze uitzendkrachten in de inlenende onderneming worden meegeteld voor de berekening van de drempel -waarboven de werknemersvertegenwoordigende organisaties waarin het Gemeenschaps- en nationaal recht of collectieve overeenkomsten voorzien, mogen worden opgericht, op de dezelfde wijze als werknemers die rechtstreeks door de inlenende onderneming voor dezelfde duur zijn of zouden zijn aangesteld.

C. De lidstaten die gebruikmaken van de in lid 2 geboden mogelijkheid, zijn niet verplicht de bepalingen van lid 1 toe te passen."

De Europese richtlijn voorziet dus enkel de verplichting om de uitzendkrachten desgevallend in de inlenende onderneming mee te tellen voor de berekening van de drempel waarboven de werknemersvertegenwoordigende organisaties mogen worden opgericht, meer niet.

De rechtbank besluit derhalve dat de uitzendkrachten niet in aanmerking moeten worden genomen bij de verdeling van het aantal mandaten over de verschillende categorieën personeelsleden in dienst bij NEUHAUS op dag X.

De vordering is derhalve gegrond.

Er zijn in het dossier geen elementen aanwezig die erop wijzen dat Neuhaus de procedure sociale verkiezingen niet te goeder trouw uitvoert, noch enige beslissing van de Arbeidsrechtbank naast zich zou neerleggen.

Er is dan ook geen grond om een dwangsom op te leggen.

Alle andere middelen zijn ter zake niet dienend.

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gehoord de heer Jan GEYSEN, substituut arbeidsauditeur in zijn andersluidend mondeling advies ;

Verklaart de vordering van eisende partij ontvankelijk en gegrond ;

Zegt voor recht dat het aantal effectieve mandaten voor de ondernemingsraad moet bepaald worden op 7 mandaten in totaal.

Zegt voor recht dat de uitzendkrachten niet in aanmerking moeten worden genomen bij de verdeling van het aantal mandaten over de verschillende categorieën personeelsleden in dienst bij NEUHAUS op dag X.

Zegt dat de mandaten derhalve als volgt moeten worden verdeeld over de diverse categorieën: 5 mandaten voor de arbeiders, 1 mandaat voor de bedienden, 0 mandaten voor de jeugdige werknemers en 1 mandaat voor de kaderleden;

Zegt voor recht dat de sociale verkiezingen op 11 mei 2012 in de onderneming NEUHAUS NV moeten worden georganiseerd en verder voorbereid op basis van deze beslissing.

Veroordeelt verwerende partij tot de kosten van het geding tot op heden begroot op 1320 euro zijnde de rechtsplegingsvergoeding in hoofde van eisende partij ;

Aldus gevonnist door de 33ste Kamer van de Arbeidsrechtbank van Brussel waar zitting hielden :

Mevrouw Alexandra SCHOENMAEKERS, rechter,

Mijnheer Willy HERREMANS, Rechter in sociale zaken, werkgever

Mijnheer Geert LEFERE, rechter in sociale zaken, bediende

En uitgesproken ter openbare zitting van 07 MAART 2012 waar aanwezig waren :

Mevrouw Alexandra SCHOENMAEKERS, rechter

bijgestaan in de uitspraak door Mevrouw Sabine DE BRUYCKER, griffier - Hoofd van Dienst ;

De Griffier-Hoofd van Dienst, De Rechters in Sociale Zaken, De Rechter,

S. DE BRUYCKER G. LEFERE & W. HERREMANS A. SCHOENMAEKERS

Vrije woorden

  • SOCIALE VERKIEZINGEN

  • UITZENDKRACHTEN