- Advies van 6 juli 2011

06/07/2011 - 14/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De Commissie spreekt zich niet uit over de wetsontwerpen die behoren tot het wegvervoerspakket

die haar niet ter advies worden voorgelegd. Zij behoudt de mogelijkheid om desgewenst uit eigen

beweging hierover later advies te verlenen.

Het voorontwerp combineert enerzijds een aantal specifieke elementen35 die een hoger risico voor

de bescherming van de persoonlijke levenssfeer inhouden, en anderzijds bevat het een aantal

lacunes ten opzichte van zowel Europese reglementering inzake gegevensbescherming (Verordening

1071/200936 en Richtlijn 95/46/EG) als de WVP. Wat dit laatste betreft wijst de Commissie vooral op

de onduidelijkheden37 in de tekst die een eenduidige toepassing van de machtigingsvereiste en de

verantwoordelijkheidstoewijzing in de weg staan in hoofde van het SCFO in de sector vervoer en

mobiliteit en daarbuiten.

Gelet op het aantal en het belang van deze elementen acht de Commissie zich genoodzaakt om een

negatief advies uit te brengen over het voorliggende voorontwerp.

De Commissie wijst er de wetgever ook uit eigen beweging op dat een aantal opmerkingen in dit

advies ook indirect betrekking heeft op de gedetecteerde noodzaak tot verduidelijking en aanpassing

van de analoog verwoorde onduidelijkheden in de wetten van 19 mei 2010 (kruispuntbank

voertuiggegevens) en 14 april 2011 (kruispuntbank rijbewijzen)

De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer blijft zich ter beschikking

houden voor eventueel verder overleg en voor verdere besprekingen of advies.


Advies - Integrale tekst

De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;

Gelet op de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte

van de verwerking van persoonsgegevens (hierna WVP), inzonderheid artikel 29;

Gelet op het verzoek om advies van de Staatssecretaris voor Mobiliteit ontvangen op 08/06/2011;

Gelet op het verslag van de heer De Schutter;

Brengt op 06/07/2011 het volgend advies uit:

I. ONDERWERP EN CONTEXT VAN HET ADVIES

A. Europese context van het voorontwerp

1. Volgens de aanvraag om advies is het voorontwerp "(...) dringend noodzakelijk om te

voldoen aan art. 16 van de Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad

van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden

waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot

intrekking van Richtiijn 96/26/EG van de Raad. Deze Verordening is verwant met de Verordeningen

(EG) nrs. 1072/2009 en 1073/2009 die de toegang tot de markt reglementeren van respectievelijk

het goederenvervoer en het personenvervoer overweg. Uiterlijk op 4 december 2011 moeten alle

lidstaten van de Europese Unie beschikken over een centraal elektronisch register waarin alle

vergunde ondernemingen van goederen- en reizigersvervoer over de weg en de vervoersmanagers

zijn opgenomen. Vervolgens moeten uiterlijk op 31 december 2012 deze nationale registers op

Europees vlak met elkaar verbonden zijn.

B. Voorwerp van de adviesaanvraag

2. De Commissie onderzoekt hierna enkel het wetsontwerp betreffende het eRegister van

Wegvervoersondernemingen. De andere wetsontwerpen die deel uitmaken van het zogenaamde

"wegvervoerpakket" waaronder ook een apart wetsontwerp betreffende het goederenvervoer en het

wetsontwerp betreffende het reizigersvervoer werden niet voor advies voorgelegd. De Commissie

behoudt zich de mogelijkheid voor om desgewenst uit eigen beweging advies te verlenen over deze

wetsontwerpen.

C. Doeleinde van het voorontwerp

3. De aanvraag stelt "Het wetsontwerp betreffende het eRegister beoogt voor deze

elektronische databank een wettelijk kader te scheppen, dat rekening houdt met de bescherming

van de persoonsgegevens. Het maakt deel uit van het zgn. "wegvervoerpakket" waartoe ook een

apart wetsontwerp betreffende het goederenvervoer en een wetsontwerp betreffende het

reizigersvervoer behoren."

4. De Europese (beleids)doelstellingen van het eRegister worden in de Memorie van toelichting

concreet omschreven als :

"- het bevorderen van de bestuurlijke samenwerking tussen de lidstaten om het toezicht te

verbeteren op de ondernemingen die actief zijn in verschillende lidstaten en de beheerskosten van

de controles reduceren;

-het verbeteren van de transparantie door aan de "klanten" van de vervoersondernemingen een

instrument ter beschikking te stellen dat hen de mogelijkheid geeft na te gaan of de betrokken

ondernemingen wel de juiste vergunningen bezitten;

-de lidstaten toelaten verslag uit te brengen aan de Commissie over de betrouwbaarheid, de

vakbekwaamheid en de financiële draagkracht van de wegvervoersondernemingen (opmaken van

statistieken);

-het voorkomen van het plegen van inbreuken door vervoersondernemingen in andere lidstaten dan

de lidstaat waarin zij gevestigd zijn."

D. Twee niveaus van gegevensuitwisseling

5. Concreet gaat het volgens de Memorie van Toelichting over twee niveaus van

gegevensuitwisselingen, met name over "ernstige" inbreuken op vervoersreglementering (door niet

ingezeten vervoerders), en over de betrouwbaarheid van vervoerders.

E. Beschrijving gegevens eigen aan elk niveau van gegevensuitwisseling

a. Gegevens mbt uitwisseling tussen administraties (ernstige inbreuken op vervoersreglementering)

6. De uitgewisselde gegevens voor de eerste gegevensflux betreffen "ten minste"

-een beschrijving van de inbreuk, de datum en het tijdstip waarop deze werd gepleegd;

-de categorie, het type en de ernst van de inbreuk;

-de opgelegde sanctie en de uitgevoerde sanctie."

7. De gegevens betreffende de correspondentie tussen de administraties van lidstaten en de

staat van de vergunning dienen hieronder ook te worden begrepen. De Memorie van toelichting stelt

verder "De lidstaat van ontvangst kan bovendien de bevoegde instanties van de lidstaat van

vestiging verzoeken om bepaalde sancties op te leggen. De lidstaat van vestiging zal passende

maatregelen nemen, zoals bijvoorbeeld de intrekking van de vergunning van de vervoerder, van de

gewaarmerkte kopieën van die vergunning of van het bestuurdersattest. De bevoegde instanties van

de lidstaat van vestiging zijn vervolgens verplicht de bevoegde instantie van de lidstaat waar de

inbreuk is geconstateerd, zo spoedig mogelijk en uiterlijk 6 weken na het definitieve besluit ter zake

op de hoogte te brengen of en welke sancties er zijn opgelegd."

8. Actueel worden vergunningen toegekend aan ondernemingen (niet direct aan hun

chauffeurs) op basis van vereisten van betrouwbaarheid, vakbekwaamheid en financiële

draagkracht1. Deze "betrouwbaarheidseis" wordt verder toegelicht in artikel 6.1 tweede lid van de

Verordening (EG) nr. 1071/2009, waar o.m. wordt gesteld dat ook de "veroordelingen, sancties of

inbreuken van de onderneming zelf, haar vervoersmanagers en andere door de lidstaat vastgestelde

relevante personen" kunnen in aanmerking komen voor de beoordeling van de betrouwbaarheidseis

van de (vervoers)onderneming. Deze sancties of inbreuken kunnen volgens de Verordening

betrekking hebben op diverse domeinen waaronder handelsrecht, insolventierecht, loon-en

arbeidsrecht (voor zover toepasselijk voor het beroep van vervoerder), wegverkeerswetgeving,

beroepsaansprakelijkheid en mensen- of drugshandel.

b. Gegevens mbt de betrouwbaarheid van de vervoerders

9. Daarnaast stelt de Memorie van Toelichting dat de ongeschiktheid of onbetrouwbaarheid

van een vervoerder "afhangt" van " het feit of deze niet veroordeeld is geweest voor enig strafbaar

feit en of hem geen sanctie is opgelegd voor zware inbreuken, met name op de communautaire

wetgeving inzake het wegvervoer.

II. ALGEMEEN ONDERZOEK

A. Algemene overwegingen in verband met toepasselijkheid van en consistentie met deWVP

a. Toepasselijkheid WVP

10. Volgens artikel 3 van het voorontwerp is de WVP van toepassing op de in deze wet bedoelde

persoonsgegevens. De Verordening 1071/2009 bevestigt eveneens in overweging 82 dat de

identificatie van de betrokken natuurlijke personen een doelstelling is, en in overweging 14 dat de

lidstaten "dienen derhalve de nodige maatregelen te nemen om te garanderen dat Richtlijn

95/46/EG (...) wordt nageleefd, met name wat betreft de controle op de verwerking van

persoonlijke gegevens door de overheid, het recht op informatie van de betrokkenen, hun recht van

toegang en hun recht van verzet. (...)"

b. Betrokken personen

11. Volgens de artikelen 2 punt 43, 4 en 6 punt 1 alinea 2 van de Verordening 1071/2009 en

artikel 6 van het voorontwerp blijken de betrokken personen te zijn :

i. de wegvervoersondernemingen of ondernemers (in de mate het gaat om natuurlijke

personen);

iii. "andere door de lidstaat vastgestelde relevante personen"

c. Concordantiebepaling met de WVP.

12. Artikel 3 van het voorontwerp bepaalt "in geval van tegenstrijdigheid tussen de bepalingen

van deze wet en die van de wet van 8 december 1992, geldt de reglementering die het meest

voordelig is voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de natuurlijke personen."

13. De Memorie van toelichting is hiermee niet op alle punten consistent aangezien deze

bovenaan p. 5 bepaalt dat bij tegenstrijdigheid tussen de bepalingen van het voorontwerp en de

WVP "heeft deze wet als bijzondere wet voorrang op de algemene wet". De Commissie verzoekt

daarom om deze passage uit de Memorie van toelichting te schrappen.

B. Duidelijkheid van het voorontwerp/ rechtszekerheid

14. In tegenstelling tot de situatie voor 2009 acht de Commissie het positief dat de wetgever

inzake de materie van mobiliteit er blijkbaar herhaaldelijk4, en ook opnieuw in het voorliggende

voorontwerp, ernaar streeft om de essentiële elementen van de verwerkingen in de wet vast te

leggen (artikel 22 Grondwet). Met name de gebruiksdoeleinden (artikel 5), de eRegistergegevens

(artikel 6) zijn duidelijk apart onderscheiden in het voorontwerp, net als de bevoegdheid van het

Sectoraal Comité voor de Federale Overheid (hierna het "SCFO").

15. Dit belet evenwel niet dat de Commissie toch een aantal onduidelijkheden in de tekst

vaststelt.

a. Doelstellingen

6

16. Artikel 5 van het voorontwerp bevat volgende lijst van doelstellingen waarvoor de gegevens

in het eRegister kunnen worden gebruikt :

"1° het opleggen van administratieve sancties mogelijk maken:

2° de opsporing, de vaststelling en de vervolging van misdrijven mogelijk maken;

3° het opmaken van anonieme statistieken mogelijk maken;

4° het beheer en de controle mogelijk maken van de vervoersvergunningen en de voorwaarden

inzake toegang tot het beroep en tot de markt van de wegvervoersondernemingen;

5° de handhaving van de regelgeving coördineren en vergemakkelijken door gegevensuitwisseling

met de lidstaten van de Europese Unie zodat de vervoersondernemingen niet het risico nemen

ernstige inbreuken te begaan;

6° een doeltreffende bestuursrechtelijke samenwerking tussen de lidstaten van de Europese Unie

bewerkstelligen zodat de kosten van de controles door de overheid, evenals de administratieve las

ten van de vervoersondernemingen, verminderen."

17. De Commissie onderzoekt de bepalingen onder 1° en 2° verder onder de bespreking van het

proportionaliteitsbeginsel

b. Terminologie "verantwoordelijke voor de verwerking" vs. "beheersdienst"

18. Volgens artikel 1 § 4 WVP is (in de hypothese dat het doel en de middelen voor de

verwerking door of krachtens een wet zijn bepaald) (...) "de verantwoordelijke voor de verwerking

de natuurlijke persoon, de rechtspersoon, de feitelijke vereniging of het openbaar bestuur die door

of krachtens de wet, het decreet of de ordonnantie als de voor de verwerking verantwoordelijke

wordt aangewezen".

19. Volgens artikel 7 van het voorontwerp is de beheersdienst "de verantwoordelijke voor het

beheer en de verwerking van de persoonsgegevens die zich in het eRegister bevinden."

Beheersdienst is volgens artikel 2,3° van het voorontwerp "het bestuur dat in de federale

Overheidsdienst bevoegd is voor het vervoer over de weg".

20. Los van het gegeven dat de aanwijzing van de openbaar bestuur (binnen de FOD Mobiliteit)

duidelijker en explicieter had gekund, is het gebruik van de alternatieve terminologie "beheer" en

"beheersdienst"5 in plaats van de eigen terminologie die eigen is aan de WVP zoals

"verantwoordelijke voor de verwerking" en "verwerker" geen noviteit in het voorliggende

voorontwerp. Deze termen waren immers eerder ook terug te vinden in de wet houdende diverse

bepalingen van 14 april 20116 (kruispuntbank rijbewijzen - advies Commissie nr 14/2010 van 31

maart 2010) en de wet van 19 mei 2010 houdende oprichting van de Kruispuntbank van de

voertuigen7 (derde advies Commissie nr. 06/2009 van 18 maart 20098)

21. De Commissie merkt op dat het stelselmatig gebruik en invoeren van dergelijke nieuwe

terminologie voor verwarring kan zorgen bij het bepalen van de normadressant en

verantwoordelijkheidstoewijzing onder de WVP, zeker indien het gaat om complexe

netwerktoepassingen (bvb consultatie en/of wijziging van het ERegister op afstand), of bij vragen

wie de aangifteplicht en informatieplicht dient te vervullen (artikel 9 WVP) met betrekking tot welke

verwerking(en).

22. De bewoording van artikel 7 van het voorontwerp geeft ook (ten onrechte) de indruk dat

men eerst de bevoegde dienst moet kennen binnen de FOD Mobiliteit alvorens men de

verantwoordelijkheid onder de WVP kan toewijzen. Volgens de Memorie van Toelichting werd de

concrete naamgeving van de bevoegde dienst in het wetsontwerp achterwege gelaten "om te

anticiperen op mogelijke nieuwe naamgevingen in de toekomst (t.g.v. herstructureringen)."

23. Deze aanpak is niet alleen onduidelijk voor de betrokkene, maar ook niet consistent is met

artikel 1 § 4 WVP en artikel 2 (d) Richtlijn 95/46/EG waarop dit artikel gebaseerd is. Het risicio is

bovendien dat dergelijke begrippen een eigen leven gaan leiden en eigen interpretatie in de

Belgische mobiliteitssector krijgen, die niet consistent is met de Richtlijn 95/46/EG en de Europese

interpretatie van de complexe begrippen "verantwoordelijke" en "verwerker"9.

24. De Commissie is derhalve in hoofdorde voorstander van het schrappen van dergelijke

nieuwe terminologie ("beheersdienst" en "beheren"). Zij beveelt in hoofdorde aan om in het vervolg

enkel neutralere terminologie te gebruiken die consistent is met zowel de Belgische en Europese

reglementering op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Deze opmerking geldt ook bij de

eventuele herziening van de wetgeving op de kruispuntbank voertuigen en rijbewijzen.

25. Subsidiair, mocht de Belgische wetgever desondanks deze noties ("beheersdienst" en

"beheren") willen blijven handhaven - omdat de redenering zou zijn dat zij ook reeds in voege zijn

in de bestaande wetten van 19 mei 2010 en 14 april 2011 - acht de Commissie het essentieel dat dit

steeds met nodige nauwkeurigheid wordt gedaan. De Commissie wijst ter zake op de volgende

punten:

i. exacte aanduiding van de dienst binnen de FOD Mobiliteit die de rol van verantwoordelijke

voor de verwerking op zich neemt, zodat de betrokkene dit niet zelf moet nagaan;

ii. aanduiding van het voorwerp van verantwoordelijkheid; Met andere woorden, op welke

verwerkingen heeft deze verantwoordelijkheid betrekking10?.

iii. Gevallen van eventuele gedeelde verantwoordelijkheid dienen ook duidelijker te worden

bepaald door de wetgever (bvb bij het leveren van gegevens aan de kruispuntbank).

iv. gebruik van correcte terminologie (verantwoordelijke voor de verwerking, verwerker,

derde,...) (cf. artikel 1 §§ 4 tot en met 7 WVP).

c. Bepalen van de "diensten die belast zijn met de primaire inzameling en actualisering van de

gegevens bedoeld in artikel 6"

26. Het voorontwerp is qua redactie van de tekst op bepaalde punten sterk geïnspireerd op

analoge wetten betreffende kruispuntbanken zoals de Wet van 19 mei 2010 (kruispuntbank

voertuigen) en de wet houdende diverse bepalingen van 14 april 2011 (kruispuntbank rijbewijzen).

27. Hoewel deze ontwerpen eerder voor advies werden voorgelegd aan de Commissie blijkt

intussen uit nieuwe bevraging (zie hierna) toch dat aan een aantal analoge bepalingen uit voormelde

wetten een aantal onduidelijkheden zijn gekoppeld. De Commissie ontving de afgelopen maanden

vragen tot interpretatie11 van zowel de FOD Mobiliteit als structurele verstrekkers van gegevens aan

de bestaande DIV (toekomstige kruispuntbank voertuigen)12.

28. De Commissie acht met name de omschrijving in artikel 8 van het voorontwerp onvoldoende

duidelijk ("diensten die belast zijn met de primaire inzameling en actualisering van de gegevens

bedoeld in artikel 6").

29. Een van de vragen die eerder opdook was of structurele verstrekkers van gegevens met het

oog op de uitvoering van de opdracht (bvb aangifte van schadegevallen bij de kruispuntbank

voertuigen) ook automatisch nood en dus recht zullen hebben aan "zoveel mogelijk" informatie die

die de FOD Mobiliteit wordt beheerd, en of deze verstrekkers daarom niet a priori moeten vrijgesteld

van de machtigingsvereiste.

30. De Commissie treedt niet de interpretatie bij dat elke dienst die volgens de wetgever "wordt

betrokken bij de kruispuntbank" (artikel 13 Wet van 19 mei 2010)13 of "wordt aangewezen door de

Koning als dienst die belast is met de primaire inzameling en actualisering van gegevens"

(bewoording in artikel 8 van het voorontwerp en in artikel 12 van de wet van 14 april 2011) ook

automatisch een gebruiksrecht heeft van gegevens uit de kruispuntbank, zonder dat moet worden

voldaan aan de machtigingsvereiste (zie infra onder machtiging SCFO).

31. De Commissie beveelt aan dat het recht op gebruik en de plicht tot het verstrekken van

gegevens duidelijker door de wetgever worden onderscheiden. Met andere woorden de plicht tot het

verstrekken van gegevens impliceert geen automatisch recht op gebruik van gegevens uit de

kruispuntbank, en mag evenmin worden verward met het actualiseren van de gegevens door de

verantwoordelijke van de verwerking aan de hand van de verstrekte gegevens.

d. aanwijzing van authentieke bronnen

32. De Commissie adviseert om de authentieke bronnen duidelijk alsdusdanig aan te wijzen. In

artikel 8 van het voorontwerp wordt hier hoogstwaarschijnlijk op gezinspeeld ( "diensten die belast

zijn met de primaire inzameling en met de actualisering van de gegevens") maar er wordt in de

huidige tekst niet letterlijk gesteld dat dit de authentieke bronnen zullen zijn. Bij de aanduiding van

de authentieke bronnen dient ook exact te worden verwoord welke gegevens onder hun

bevoegdheid vallen(dit opdat voor één gegeven slechts één authentieke bron zou worden

aangeduid).14

C. Rechten van de betrokkenen

a. Recht van toegang

33. Hoewel artikel 13 van het voorontwerp15 een recht op kosteloze toegang voorziet, blijkt

enerzijds een expliciete verwijzing naar artikel 10 WVP te ontbreken, en anderzijds lijkt de Memorie

van toelichting af te wijken van de bepaling van artikel 10 WVP16 en de artikelen 32 tot en met 35

an het K.B. van 13 februari 2001. Het recht van toegang is immers beperkter omschreven in de

memorie bij het voorontwerp dan in artikel 10 WVP (op grond van de memorie lijkt de betrokkene

bijvoorbeeld niet het recht te hebben om de categorieën ontvangers van de gegevens te kennen,

terwijl artikel 10 WVP dit wel voorziet). De Commissie ziet geen argumenten om ter zake een

afwijking op artikel 10 WVP te rechtvaardigen.

34. De Commissie verzoekt de Memorie van toelichting aan te passen door expliciet te verwijzen

naar artikel 10 WVP en het K.B. van 2001.

b. Bijkomende elementen gekoppeld aan het recht van toegang (volgrecht)

35. Als tegengewicht voor het extraterritoriaal volgrecht (van overheidsdiensten) die het

mogelijk maakt voor de bevoegde diensten om over betrokkenen onder de Verordening 1071/2009

gegevens uit te wisselen binnen de interne wegvervoersmarkt, kan worden aangemoedigd dat de

wetgever een aantal andere elementen koppelt aan het recht op kosteloze toegang, zoals

i. de kennis van nationale beroepsmogelijkheden (die ook ingegeven is op andere rechtsbasis

dan het recht van toegang, zoals het recht op eerlijk proces17),

ii. een volgrecht (voor de betrokkene). Dit wil zeggen dat, behoudens inzage in zijn

persoonsgegevens zelf, het inzagerecht in het kader van een uitwisselingsplatform eveneens kan

inhouden dat de betrokkene principieel het recht heeft na te gaan naar welke actoren/instanties zijn

gegevens via het eRegister worden verstuurd of door wie zijn gegevens worden geraadpleegd18.

Zulks zou in de tekst van voorontwerp kunnen worden verduidelijkt, in navolging van eerdere

precedenten in het kader van politiële en justitiële samenwerking19.

c. Recht van verbetering

36. Een recht van "kosteloze rechtzetting" is voorzien in artikel 14 van het voorontwerp, onder

meer voor het geval dat gegevensverwerkingen "strijdig zijn met de communautaire regelgeving,

deze wet of haar uitvoeringsbesluiten of met de wet van 8 december 1992". Wat dat laatste betreft

past het te wijzen op het gegeven dat het recht van verbetering toepassen op appreciatiegegevens

zoals de betrouwbaarheid van vervoerders op het eerste zicht geen evidentie is, zelfs indien artikel 6

van de Verordening enige objectieve criteria bevat om (onder meer) de betrouwbaarheid van de

betrokkenen te beoordelen.

37. Zo wordt doorgaans aanvaard dat de mogelijkheid moet worden voorzien om het feit van

betwisting van bepaalde beoordelingen (bvb tijdens een hangende beroepsprocedure tegen een

beslissing van de administratie) te vermelden naast een bepaalde beoordeling20 (zgn. "flaggen" van

beoordelingen), zodat eventuele ontvangers van gegevens zich op elk moment een correct beeld

kunnen vormen van de status en context van het beoordelingsgegeven.

d. Recht van verzet wegens zwaarwegende en gerechtvaardigde redenen die verband houden met

de bijzondere situatie van de betrokkene

38. Hoewel de Verordening dit recht expliciet vermeldt21 bevat het voorliggend voorontwerp

geen nadere toelichting mbt het bijzonder recht van verzet van de betrokkenen. De Commissie

verzoekt minstens expliciet een verwijzing naar het analoge artikel 12 § 1 tweede lid WVP op te

nemen.

D. Procedurele garanties, proportionaliteit en eerlijkheidsbeginsel (artikel 4, § 1, 1° en 3° WVP en artikel 8 EVRM)

a.proportionaliteitsbeginsel / verwoording van verwerkte gegevens betreffende "ernstige feiten"

39. De Memorie van toelichting22 blijkt voor de twee types van verwerkingen een zekere ernst te

vereisen. Met andere woorden : enkel gegevens betreffen "ernstige" feiten kunnen aanleiding geven

tot informatieuitwisseling of een oordeel over de betrouwbaarheid van vervoerders. Minder ernstige

feiten kunnen en moeten derhalve niet worden geregistreerd voor voormelde verwerkingen.

40. Ook de Verordening (EG) nr. 1071/2009 van 21 oktober 200923 bevat herhaaldelijk duidelijke

verwijzingen dat het enkel gaat om zware inbreuken. De Commissie wijst onder meer op volgende

bepalingen van deze Verordening : overwegingen 924, 15-16, 24 en artikel 6.

41. Deze logische beperking vinden we evenwel onvoldoende duidelijk terug in de tekst van het

voorontwerp, in het bijzonder in artikel 5,1° en 5,2° van het voorontwerp. Het voorontwerp geeft op

dat punt eerder de indruk dat de FOD Mobiliteit over elke vervoerder gelijke welke feiten over gelijk

welk misdrijf en gelijk welke administratieve of strafsanctie zou kunnen registreren, terwijl elders

(artikel 6 § 1,9°) toch sprake is van "de gegevens betreffende ernstige inbreuken die hebben geleid

tot een veroordeling of sanctie die krachtens de in dit artikel bedoelde regelgevingen de

betrouwbaarheid in het gedrang kunnen brengen".

42. De Commissie is van oordeel dat de eerste twee doelstellingen in artikel 525 wellicht te breed

zijn geformuleerd. De beoordeling van de noodzaak voor uitwisseling én de geschiktheid of

betrouwbaarheid van vervoerders dient in haar context te worden gezien (toepassing van normen

eigen aan vervoerssector in plaats van pakweg toepassing van de fiscale wetgeving), en wellicht zal

niet elke lichte administratieve sanctie (bvb een opgelegde retributie door een parkeeronderneming)

of elk misdrijf (bvb overtreding gevaarlijk parkeren) van aard zijn om meteen de geschiktheid van de

vervoerder meteen in vraag te kunnen stellen.

43. De appreciatie welk feit al dan niet zwaar is wordt verder grotendeels aan de administratie

gegeven.

44. De Commissie is van oordeel dat de wetgever op preciezere wijze minimumdrempels dient in

te bouwen, rekening houdend met de diverse factoren die hij dient te bepalen (bvb omstandigheden

zoals herhaalde feiten of recidive, bepaling welke inbreuken als ernstig moeten worden beschouwd

door de administratie)

b. Vereiste van een expliciete wettelijke vastlegging van de procedurele garanties

45. Het beoordelen van de geschiktheid van bestuurders raakt aan de toepassing van diverse

rechten en vrijheden. In dat verband is het van belang dat de overheid duidelijke wettelijke en

procedurele garanties voorziet op basis waarvan de administratie kan overgaan tot administratieve

beslissingen over de hoedanigheid of het positieve of negatieve "profiel" van een vervoerder of

zaakvoerder.

46. Gelet op het feit dat het voorontwerp de verwerking van gevoelige persoonsgegevens

impliceert in de zin van artikel 8 § 1 WVP en dat de Verordening 1071/2009 een beginsel van

algemene toegankelijkheid26 (tussen bevoegde diensten) voorziet , dient de wetgever (of minstens

de Koning) te voorzien in een aantal passende waarborgen (artikel 8.5 Richtlijn 95/46/EG en artikel

8 § 4 WVP). De Commissie denkt minimaal aan het voorzien van procedurele waarborgen van de

betrokkenen die voorzien zijn in de Verordening 1071/2009 zoals

i. het invoeren van een zogenaamd volgrecht door de wetgever (zie hiervoor)

ii. het voorzien van gemeenschappelijke procedures voor de verwerking van persoonsgegevens

tussen administraties, minimaal op het gebied van termijnen en aard van de uit te wisselen

gegevens27. De Koning zou op dat vlak een ruimere delegatie kunnen krijgen tot bepaling van de

bewaringsmodaliteiten, in plaats van enkel de maximale bewaringsduur (artikel 10 voorontwerp) of

de plaats van bewaring van de gegevens (artikel 8 lid 3 voorontwerp).

iii. het bepalen van de garanties en voorwaarden voor eventuele "algemene toegankelijkheid"28

van het nationale elektronische register na advies van de Commissie. Op dat vlak verwijst de

Commissie naar het relevante arrest van het Grondwettelijk Hof inzake medisch verantwoorde

sportbeoefening29, die een (zij het ruimere vorm van) publicatie van dopinggebruikers op een

website als disproportioneel beoordeelde.

iv. het voorzien van een motiveringsplicht voor beoordelingen van de betrouwbaarheidsstatus

(artikel 6.2 a) tweede lid van Verordening 1071/2009), indirect van belang indien men het recht op

verbetering wenst uit te oefenen.

E. Informatie aan de betrokken personen (artikel 9 WVP)

47. Artikel 7 van het voorontwerp bepaalt "De Koning kan, na het advies van het sectoraal

comité, bepalen op welke wijze en onder welke voorwaarden de beheersdienst en de diensten die

gegevens leveren verplicht zijn om hun informatieplicht overeenkomstig artikel 9 van de wet van 8

december 1992 na te leven".

48. Dit artikel staat in contrast met de sterkere en explicietere bepaling van artikel 17 a) van de

Verordening 1071/2009 die bepaalt "elke persoon wordt ingelicht wanneer gegevens die op hem

betrekking hebben, worden opgeslagen of wanneer het voornemen bestaat deze gegevens aan

derden door te geven. In de verstrekte mededeling moet de identiteit van de voor de verwerking

van de gegevens verantwoordelijke instantie worden gepreciseerd, alsook het type verwerkte

gegevens en de redenen voor zulke verrichtingen;"

49. De Commissie verwijst bovendien naar aanbeveling mbt de verstrekte informatieplicht zoals

voorzien in artikel 4 van de Europese aanbeveling onder het verdrag nr. 108 inzake de profilering

van natuurlijke personen30, in het bijzondere naar de punten waarover de wetgeving niet duidelijk is

naar de betrokkenen toe.

50. De Commissie verzoekt de wetgever derhalve om de tekst van artikel 17 a) van de

Verordening over te nemen in de bepaling van artikel 7 van het voorontwerp.

F. Voorafgaande Machtiging SCFO (artikel 36bis WVP)

51. De toegang tot het eRegister vereist volgens artikel 12 van het voorontwerp een

voorafgaande machtiging van het SCFO (zie artikel 36bis WVP).

52. De Commissie is van oordeel dat de uitzonderingen op deze machtigingsplicht31 - die in

artikel 12 § 2 (eerste streepje) van het voorontwerp zijn voorzien - niet stroken met een aantal

factoren zoals

i. de expliciete eis van de Verordening 1071/2009 om te voorzien in "controle op de

verwerking van persoonlijke gegevens door de overheid" (overweging 14), dus controle van de

controlerende overheid.

ii. de bepalingen van artikel 20 Richtlijn 95/46/EG, in die zin dat de vereiste tot voorafgaande

machtiging door het SCFO (net als de adviesbevoegdheid door de Commissie) dient te worden

begrepen als een maatregel van "voorafgaand onderzoek" die aangewezen is indien verwerkingen

mogelijk specifieke risico's voor de persoonlijke rechten en vrijheden inhouden. Het feit dat deze

specifieke risico's aanwezig moeten worden geacht door de combinatie van elementen zoals (onder

meer) de verwerking van gevoelige persoonsgegevens in de zin van artikel 8 WVP, en de verwerking

van persoonsprofielen van ondernemers, vervoersmanagers en (eventueel) vastgestelde relevante

personen (bvb bestuurders van autocars of vrachtwagens) zoals geregeld onder de Europese

aanbeveling onder het verdrag nr. 108 inzake de profilering van natuurlijke personen32

iii. de voorziene33 onderlinge koppeling en "algemene toegankelijkheid" van informatie in het

eRegister ten laatste tegen 31 december 2012, zij het "voor alle bevoegde instanties van de

betrokken lidstaat". Concreet dient de wetgever meer oog te hebben voor de specifieke risico's voor

de betrokkenen die eigen zijn aan mogelijks indirecte en onbedoelde verregaande vormen van

toegankelijkheid in bepaalde lidstaten waarover overweging 15 en artikel 16.5 van de Verordening

vaag blijven, bijvoorbeeld via commercieel hergebruik en/of samenwerking via onderaanneming van

databeheer. De ervaring leert immers dat de beschikbaarheid van informatie vroeg of laat een vraag

om toegang tot deze informatie door derden aanmoedigt. De vraag kan zich derhalve vroeg of laat

stellen of (in combinatie met andere Europese rechtsbronnen die worden toegepast op de

voorhanden zijnde gegevens in de nationale eRegisters) commercieel hergebruik en/of

samenwerking via onderaanneming met (bijvoorbeeld), handelsinformatiebedrijven van de

informatie die vermeld staat in artikel 16.2 van de Verordening 1071/200934 moet of kan worden

toegelaten.

G. Adviesbevoegdheid Commissie

53. Het voorontwerp kent in verschillende artikelen een adviesbevoegdheid toe aan het SCFO in

plaats van aan de Commissie zoals voorzien in artikel 29 WVP (onder meer artikel 7 al. 2, artikelen 8

en 15 van het voorontwerp).

54. Omwille van redenen van consistentie met de WVP en algemene inhoudelijke coherentie in

de adviesverlenende taken over de toepassing van de WVP naar de wetgever toe is de Commissie is

van oordeel dat deze adviesbevoegdheid best aan haar wordt toevertrouwd in plaats van aan het

SCFO. Zij verzoekt derhalve de artikelen in het voorontwerp aan te passen.

OM DEZE REDENEN,

Voor de Administrateur m.v. , De Voorzitter,

(get.) Patrick Van Wouwe (get.) Willem Debeuckelaere

Vrije woorden

  • Voorontwerp van wet betreffende het eRegister van Wegvervoersondernemingen (CO-A-2011-015)