- Arrest van 27 juni 2012

27/06/2012 - M11-5-0667/8274

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Arrest - Integrale tekst

(...)

I. Feiten

Op 17 augustus 2006 werd de heer Sead X. (° 1978), de stiefvader van verzoeker, te ... doodgeschoten door de heer Suad Z. (° 1969).

De heer Z. is de ex-echtgenoot van mevrouw Ismeta X. (M11-5-0665), terwijl de heer Sead X. haar tweede echtgenoot was.

Op voornoemde datum hadden beide mannen te ... een ontmoeting gepland om de recente problemen uit te praten welke nog bestonden tussen de heer Z. en zijn ex-vrouw Ismeta X. (intussen gehuwd met Sead X.).

Sead X. was toevallig vergezeld van een vriend (de heer V.) die hij een lift wou geven en die ongevraagd meereed naar .... Aldaar kwam het tot een woordenwisseling, waarna de dader geheel onverwacht een pistool uit zijn broekzak haalde en met meerdere kogels de vluchtende Sead X. doodschoot. Ook de heer V. werd meermaals beschoten, maar hij overleefde de schietpartij.

II. Vervolging

Bij arrest van het Hof van Assisen van de provincie ... d.d. 29 mei 2010 werd de heer Suad Z. wegens het plegen van onder meer de sub I vermelde feiten (gekwalificeerd als doodslag) veroordeeld tot 27 jaar opsluiting.

Bij arrest d.d. 25 februari 2011 werd hij veroordeeld tot betaling van een morele schadevergoeding van euro 7.500 (zoals gevorderd) meer intresten aan verzoeker.

III. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

In zijn brief van 17 juni 2011 deelde de raadsman van verzoeker mee dat het onmogelijk is om gelden te recupereren bij de dader: hij zit reeds vijf jaar in de gevangenis en heeft geen bezittingen.

Luidens het verzoekschrift beschikt verzoeker niet over enige verzekering in dekking van de geleden schade.

IV. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoeker vraagt om de toekenning van een hulp van euro 8.400:

- morele schade: euro 7.500,00 (cf. arrest d.d. 25.02.11)

- rechtsplegingsvergoeding: euro 900,00 (idem)

V. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen nageleefd te worden.

Luidens artikel 31, 2°, van voornoemde wet kan een financiële hulp worden toegekend aan "erfgerechtigden, in de zin van artikel 731 van het Burgerlijk Wetboek, tot en met de tweede graad van een persoon die overleden is als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad of personen die in duurzaam gezinsverband samenleefden met de overledene."

Artikel 731 B.W. luidt als volgt: "De erfenissen komen toe aan de kinderen en afstammelingen van de overledene, aan zijn noch uit de echt noch van tafel en bed gescheiden echtgenoot, aan zijn bloedverwanten in de opgaande lijn (aan zijn bloedverwanten in de zijlijn en aan zijn wettelijk samenwonende binnen de grenzen van de rechten die hem zijn toegekend), in de orde en overeenkomstig de regels die hierna worden bepaald."

Aangezien verzoeker als stiefzoon van Sead X. geen graad van bloedverwantschap met hem vertoont, kan hij slechts voor de toekenning van een hulp in aanmerking komen indien hij op het ogenblik van de feiten "in duurzaam gezinsverband" met hem samenleefde (art. 31, 2°, in fine, van de wet).

Uit de gegevens van het dossier blijkt dat dit laatste inderdaad het geval was, zodat aan verzoeker een financiële hulp kan worden toegekend.

Artikel 33, § 1, eerste lid, van voornoemde wet bepaalt uitdrukkelijk dat de hulp naar billijkheid wordt bepaald. Volgens de voorbereidende werken is de beoordeling naar billijkheid zelfs het basisbeginsel van het stelsel (Parl.St. Senaat, 1984-85, nr. 873/2/1°, 8). Dit uitgangspunt geeft aan de Commissie een ruime appreciatiebevoegdheid, zowel met betrekking tot de opportuniteit van de toekenning van een financiële hulp als met betrekking tot de bepaling van de omvang ervan.

Een en ander impliceert dat de door de Commissie toegekende hulp niet noodzakelijk overeenstemt met de volledige schadeloosstelling van het nadeel dat verzoeker heeft geleden. Het betekent eveneens dat de Commissie niet gebonden is door de schadevergoeding die door de rechter werd toegekend.

Wat het voorliggend dossier betreft is de Commissie van oordeel dat de toekenning van een globaal hulpbedrag van euro 4.500 voor de morele schade en de rechtsplegingsvergoeding redelijk en gepast is.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006.

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent een hulp toe van euro 4.500.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 27 juni 2012.

De secretaris, De voorzitter,

G. VAN DEN ABBEELE L. VULSTEKE

Vrije woorden

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 22 juni 2011, waarbij verzoeker om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.