- Beslissing van 26 januari 2012

26/01/2012 - M10-1-0886/7593

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Beslissing - Integrale tekst

(...)

I. Feiten

Volgens vonnis dd. 15/12/2009

" Uit de voorliggende feiten van het strafdossier blijkt dat er zich op 2 maart 2008 te ... op het K. D...plein een zeer tragisch incident heeft voorgedaan waarbij beklaagde betrokken was en tengevolge waarvan Z. [nota verslaggever: de echtgenoot van verzoeker] overleden is

Op basis van diverse verklaringen uit het strafdossier blijkt dat het slachtoffer zich de avond van het gebeuren in het café V. bevond en aldaar alcoholische dranken gebruikte. Uit het gevoerde onderzoek door Prof. Dr. H. N. blijkt dat het slachtoffer op het ogenblik van de feiten een alcoholconcentratie in zijn bloed vertoonde van 1.5 g/l, hetgeen bij 82% van de personen wijst op een duidelijke dronkenschap. Het feit dat het slachtoffer op het ogenbik van de feiten ernstig onder de invloed van alcohol was, wordt mede bevestigd door talrijke voorliggende verklaringen in het strafdossier.

Uit de verklaringen van de genaamden K. Nikita, H. Stefhanie en G. Liselot blijkt vervolgens dat het slachtoffer zowel in het cafe V., als nadien buiten, de drang had om toenadering te zoeken tot deze meisjes en duidelijk niet begreep dat zij daar niet zo mee opgezet waren.

Ofschoon uit hun verklaringen blijkt dat het slachtoffer vriendelijk bleef, werden zij enigszins verveeld door zijn opdringerige houding. Uit de verklaring van G. Sofie, zijnde de zus van G. Liselot, blijkt dat deze laatste zich zelfs wat ongemakkelijk voelde door het gedrag van het slachtoffer.

Gezien deze vaststellingen mag de rechtbank dan ook stellen dat alhoewel het geenszins wordt beweerd of wordt aangetoond dat het slachtoffer handelde met slechte bedoelingen, zijn optreden door de voormelde meisjes toch niet over de ganse lijn werd geapprecieerd.

Het is duidelijk dat het slachtoffer als gevolg van de gebruikte alcohol zich daar niet meteen van bewust was en toenadering tot de meisjes bleef zoeken, zonder dat hieruit slechte bedoelingen kunnen worden uit afgeleid. Vervolgens blijkt dat de meisjes de toestand onder controle hadden en dat het slachtoffer door hen kon worden afgescheept.

Beklaagde die de meisjes zou naar huis brengen, had blijkbaar de drang om zich te moeien bij het optreden van het slachtoffer en verzocht hem afstand te nemen. Uit de voorliggende politionele verklaringen blijkt dat er alsdan een discussie is ontstaan tussen beklaagde en het slachtoffer, met een handgemeen tot gevolg. Daar waar G. Liselot stelt niet te weten wie van de beiden als eerste naar de andere heeft uitgehaald, verklaren zowel K. Nikita, als H. Stefhanie, alsook de getuige V. (aanwezig in het café V.) dat het het slachtoffer was die als eerste een duw heeft gegeven aan beklaagde.

Hierop werd er dan heen en weer geduwd tussen de beide betrokkenen, waarbij beklaagde het slachtoffer een slag gaf. Volgens de betrokken meisjes verloor het slachtoffer hierbij het evenwicht en trok hij beklaagde in zijn val mee, zodat beklaagde op het slachtoffer viel.

De genaamde Chris K., zijnde een taxichauffeur die toevallig ter plaatse was en de feiten nauwgezet kon volgen, stelt dat het slachtoffer gevallen is zonder gebruik te maken van zijn handen om zichzelf op te vangen. Deze getuige beschrijft verder uitvoerig hetgeen aan de valpartij van het slachtoffer is vooraf gegaan.

Deze getuige was geenszins betrokken partij bij de feiten, zodat de rechtbank dan ook van oordeel is dat zijn verklaring de meeste waarborgen van objectiviteit heeft en derhalve doorslaggevend dient te zijn bij de beoordeling van de voorliggende feiten.

Hoe schrijnend de afloop van het gebeuren ook is en de rechtbank alle respect heeft voor het leed van de burgerlijke partijen, dan toch dient zij uit de verklaring van deze getuige af te leiden dat het slachtoffer zelf een zeer bepalende rol heeft gespeeld in het ontstaan en het gevolg van het tragische incident.

Deze getuige stelt immers zeer uitdrukkelijk dat het slachtoffer een zeer uitdagende houding aannam en ondanks het verzoek van beklaagde om zich te verwijderen, deze laatste bleef uitdagen. Deze getuige stelt zelfs dat beklaagde veel geduld aan de dag heeft gelegd opzichtens het slachtoffer.

Uit de verklaring van deze getuige blijkt derhalve onbetwistbaar dat beklaagde door het gedrag van het slachtoffer werd uitgelokt en ingevolge dit gedrag, het slachtoffer de slag heeft toegebracht waardoor deze op de grond is terechtgekomen.

Alleszins blijkt uit de voorliggende gegevens van het strafdossier geenszins dat de slag die door beklaagde uiteindelijk aan het slachtoffer werd toegebracht van die aard was dat hierdoor een dergelijke harde valpartij kan worden verklaard, noch dat beklaagde het tragische gevolg van deze slag op dat ogenblik had kunnen voorzien.

Gezien deze vaststellingen dient de rechtbank dan ook vast te stellen dat het slachtoffer niet alleen de feiten zelf, doch ook de gevolgen van de feiten door zijn eigen gedrag heeft beïnvloed.

Het standpunt van beklaagde dat er in casu sprake is van uitlokking, wordt door de rechtbank gezien het voorgaande dan ook bijgetreden.

Uitlokking is evenwel een verschoningsgrond die niet leidt tot een vrijspraak, doch die wel invloed heeft op de straftoemeting. Gezien deze vaststelling dient beklaagde dan ook schuldig te worden verklaard aan het misdrijf zoals omschreven in de inleidende dagvaarding.

Gezien de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten enerzijds, het strafrechtelijk verleden van beklaagde anderzijds en het feit dat de rechtbank uitlokking weerhoudt, kan ingegaan worden op het verzoek dat beklaagde bij monde van zijn raadsman deed om hem een werkstraf op te leggen.

Er wordt aanvaard dat toelichting werd verstrekt over de draagwijdte van de werkstraf en dat beklaagde zijn instemming met een werkstraf heeft verleend.

Er zijn geen redenen, noch gronden aanwezig om niet te kiezen voor een werkstraf. In casu zal een werkstraf van 100 uren of een vervangende gevangenisstraf van 5 maanden worden opgelegd.

Aangezien de feiten bewezen zijn, is de rechtbank bevoegd om kennis te nemen van de vordering van de burgerlijke partijen.

Bij de beoordeling van de gestelde schadevorderingen, dient de rechtbank evenwel rekening te houden met de eigen fout in hoofde van het slachtoffer.

Deze heeft de feiten blijkens hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet alleen uitgelokt, doch heeft ook de gevolgen van de feiten beïnvloed door zich te laten vallen zonder zichzelf op te vangen, hetzij om reden dat hij te veel gedronken had, hetzij om reden dat hij beklaagde meesleurde naar de grond.

Anderzijds staat ook het optreden van beklaagde in oorzakelijk verband met de veroorzaakte schade, doordat deze enerzijds zich in het gesprek tussen het slachtoffer en de meisjes heeft gemoeid, terwijl uit geen enkel element blijkt dat daartoe noodzaak was en doordat hij anderzijds, weliswaar nadat hij daartoe werd uitgelokt, aan het slachtoffer de fatale slag heeft toegebracht.

De rechtbank is van oordeel dat zowel het optreden van beklaagde als de eigen houding van het slachtoffer in gelijke mate hebben bijgedragen tot het ontstaan van de valpartij en de daardoor veroorzaakte schade.

Gezien deze vaststelling kunnen de burgerlijke partijen aan wie de eigen fout van het slachtoffer toerekenbaar is, dan ook maar aanspraak maken op de helft van hun schade."

II. Vervolging

II-1. Bij vonnis dd. 15 december 2009 van de rechtbank van eerste aanleg te ... werd de volgende tenlastelegging bewezen verklaard in hoofde van de genaamde Michel W.

(° 1974) en waarvoor deze veroordeeld werd tot een werkstraf van 100 uren:

"Verdacht van: te ... op 2 maart 2008:

Opzettelijk, maar zonder het oogmerk om te doden, slagen of verwondingen te hebben toegebracht aan Z. Abdelrahman, geboren te ... (Soedan op ../../1962 en toch de dood hebben veroorzaakt."

II-2. Op burgerlijk vlak werd W. bij zelfde vonnis onder meer veroordeeld tot betaling aan verzoeker de som van euro 2.500 (helft van euro 5.000) voor morele schade, meer de intresten.

W. werd tevens veroordeeld tot betaling van één rechtsplegingsvergoeding van euro 5.000 aan de drie burgerlijke partijen (Petra Y. + haar twee zonen).

III. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

III-1. De veroordeelde bewoont een caravan die niet van hem is. Hij ontvangt enkel werkloosheidsuitkeringen.

III-2. (De moeder van) verzoeker heeft een familiale verzekering met luik rechtsbijstand afgesloten maar conform artikel 34 van de polisvoorwaarden is tussenkomst uitgesloten bij feiten begaan onder invloed van alcoholintoxicatie.

IV. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoeker vraagt een hulp van euro 2.500 voor morele schade, meer de intresten.

V. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

De Commissie verzekert geen integrale schadeloosstelling. Ze kan, naar billijkheid, een financiële hulp toekennen aan "erfgerechtigden, in de zin van artikel 731 van het Burgerlijk Wetboek, tot en met de tweede graad van een persoon die overleden is als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke

gewelddaad of personen die in duurzaam gezinsverband samenleefden met de overledene" (art. 31, 2°, W. 1.08.1985) voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, § 2, met name:

1° de morele schade;

2° de medische kosten en de ziekenhuiskosten;

3° het verlies aan levensonderhoud voor personen die op het ogenblik van de gewelddaad ten laste waren van het slachtoffer;

4° de begrafeniskosten;

5° de procedurekosten;

6° de schade die voortvloeit uit het verlies van een of meer schooljaren.

‘Intresten' zijn niet opgenomen in deze limitatieve lijst en komen dus niet in aanmerking voor een hulp. De zienswijze van de Commissie ten aanzien van de intresten werd overigens bevestigd bij arrest nr. 165.787 van de Raad van State d.d. 12 december 2006.

Rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak, zoals hierboven geschetst meent de Commissie naar billijkheid het gevraagde hulpbedrag van euro 2.500 zonder meer te kunnen toewijzen.

In deze context wenst de Commissie nog te benadrukken dat, naar haar oordeel, moreel leed, zoals pijn of smart, niet louter door een geldelijke tegemoetkoming kan gelenigd worden. Hooguit is de financiële hulp een erkenning van dit leed, een vorm van troost, een middel om het leed draaglijker te maken. Dienvolgens kan het toegekende bedrag slechts een abstracte begroting zijn.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent verzoeker een hulp toe van euro 2.500.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 26 januari 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN P. DE SMET

Vrije woorden

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 4 augustus 2010 waarbij verzoeker om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.