- Beslissing van 23 februari 2012

23/02/2012 - M11-7-1021/8476

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Beslissing - Integrale tekst

I. Feiten

Charlotte X., dochter van verzoeker, 21 jaar op het ogenblik van de feiten dd. 21 april 2010, reed met de fiets huiswaarts na een feestje in de buurt van de campus.

Plots werd zij van de fiets gesleurd, vastgebonden en misbruikt.

II. Vervolging

Bij vonnis dd. 18 november 2010 van de rechtbank van eerste aanleg te ... werden onder meer de volgende tenlasteleggingen bewezen verklaard in hoofde van de genaamde Robbie Z. (° 1980), en waarvoor deze veroordeeld werd tot 9 jaar gevangenisstraf:

" A. te ... op 21 april 2010

De misdaad van verkrachting gepleegd te hebben op de persoon van X. Charlotte, geboren te ... (Nederland) op ../../1989, de verkrachting zijnde elke daad van seksuele penetratie van welke aard en met welk middel ook, gepleegd op een persoon die daar niet in toestemt, de daad met name opgedrongen zijnde door middel van geweld, dwang of list of mogelijk

gemaakt zijnde door een onvolwaardigheid of een lichamelijk of geestelijk gebrek van het slachtoffer, de verkrachting gepleegde zijnde onder bedreiging van een wapen of een op een wapen gelijkend voorwerp;

B. te ... op 21 april 2010

Aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging gepleegd te hebben op een persoon van het mannelijke of vrouwelijke geslacht, namelijk X. Charlotte, geboren te ... (Nederland) op ../../1989, de aanranding van de eerbaarheid gepleegd zijnde onder bedreiging van een wapen of een op een wapen gelijkend voorwerp;"

Op burgerlijk vlak werd Z. bij zelfde vonnis veroordeeld tot betaling aan de burgerlijke partijen:

- X. Charlotte euro 7.500, provisioneel, moreel en materieel vermengd;

- verzoeker (vader) euro 1.000 ex aequo et bono voor morele schade + intresten;

- Y. Marijke (moeder) euro 1.000 ex aequo et bono voor morele schade + intresten.

Dr. Nathalie De Vos werd aangesteld als geneesheer-deskundige met de gebruikelijke opdrachten.

Dit vonnis bekwam kracht van gewijsde (attest griffie).

Er ligt nog geen definitieve uitspraak op burgerlijk gebied voor inzake de schade van dochter Charlotte. Voor verzoeker is de beslissing op burgerlijk vlak wél definitief.

III. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

III-1. De dader beschikt over geen inkomsten nu hij lange tijd in de gevangenis verblijft. Zijn raadsman deelt mee dat hij geen onroerende noch roerende goederen bezit.

III-2. Verzoeker verklaart op geen enkele verzekeringstussenkomst te kunnen beroep doen.

IV. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoeker vraagt om de toekenning van een hulp van euro 1.000 voor morele schade conform het vonnis.

V. Beoordeling door de Commissie

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

Luidens artikel 31 van de wet kan de Commissie een financiële hulp toekennen aan volgende categorieën van personen:

" 1° personen die ernstige lichamelijke of psychische schade ondervinden als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad;

2° erfgerechtigden, in de zin van artikel 731 van het Burgerlijk Wetboek, tot en met de tweede graad van een persoon die overleden is als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad of personen die in duurzaam gezinsverband samenleefden met de overledene;

3° ouders van een slachtoffer dat minderjarig is op het ogenblik van een opzettelijke gewelddaad en dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 31,1°, of personen die op dat ogenblik voorzagen in het onderhoud van de minderjarige;

4° erfgerechtigden, in de zin van artikel 731 van het Burgerlijk Wetboek, tot en met de tweede graad van een persoon die sinds meer dan een jaar vermist is indien deze vermissing naar alle waarschijnlijkheid te wijten is aan een opzettelijke gewelddaad of personen die in duurzaam gezinsverband samenleefden met de vermiste persoon;

5° hen die vrijwillig hulp bieden aan slachtoffers, niet in het kader van de uitoefening van een beroepsactiviteit in verband met de veiligheid en niet in het kader van een deelname aan eender welke gestructureerde vereniging teneinde hulp en bijstand te verlenen aan derden, en die « occasionele redders » genoemd worden of, in geval van overlijden, van de occasionele redder, zijn erfgerechtigden, in de zin van artikel 731 van het Burgerlijk Wetboek, tot en met de tweede graad of personen die in duurzaam gezinsverband met hem samenleefden. "

De Commissie stelt vast dat verzoeker niet kan worden ondergebracht onder één van de geciteerde categorieën.

Hij kan zich niet beroepen op artikel 31, 1°, van de wet, aangezien deze bepaling de personen beoogt op wiens persoon zelf de gewelddaad rechtstreeks werd gepleegd. In casu werden de feiten gepleegd op zijn meerderjarige dochter.

Verzoeker behoort ook niet tot de tweede categorie aangezien zijn dochter niet overleden is ingevolge de op haar gepleegde feiten.

Verzoeker behoort evenmin tot de derde categorie aangezien het rechtstreeks slachtoffer (zijn dochter) niet meer minderjarig was op het ogenblik van de feiten.

Evenmin kan verzoeker onder één van de overige categorieën ondergebracht worden om evidente redenen: zijn dochter was geen vermist persoon en verzoeker is geen ‘occasionele redder'.

In die omstandigheden dient het verzoek als onontvankelijk te worden beschouwd.

De Commissie wenst evenwel te beklemtonen dat het afwijzen van het verzoek evident geen afbreuk doet aan het feit dat verzoeker ongetwijfeld geleden heeft onder hetgeen zijn dochter overkwam en waarvoor de Commissie alle begrip toont. Als administratief rechtscollege heeft de Commissie zich echter te houden aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die haar werking regelen.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek onontvankelijk.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 23 februari 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN C. DELESIE

Vrije woorden

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 26 september 2011 waarbij verzoeker om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.