- Beslissing van 5 april 2012

05/04/2012 - M11-7-0848/8368

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Beslissing - Integrale tekst

(...)

I. Feiten

Op 16 september 2010 omstreeks 14u 50 hoorde de echtgenoot van verzoekster lawaai afkomstig uit de slaapkamer. Aldaar werd hij met een onbekend persoon geconfronteerd. Deze man, de genaamde Petr Z., poogde het slaapkamervenster te openen teneinde te kunnen vluchten.

De echtgenoot van verzoekster trachtte Z. tegen te houden. Er volgde een schermutseling waarbij Z. hem in de bovenarm beet. Terwijl hij de politie belde, kon Z. ontkomen.

II. Vervolging

Bij vonnis dd. 30 mei 2011 van de rechtbank van eerste aanleg te ... werd onder meer volgende tenlastelegging bewezen verklaard in hoofde van de genaamde Petr Z. (° 1988), verstekmakend (op dat ogenblik in de gevangenis te Praag verblijvend) en waarvoor deze veroordeeld werd tot 18 maanden hoofdgevangenisstraf met uitstel:

"Verdacht van :

A. de vijfde

Een zaak die hem niet toebehoorde, bedrieglijk weggenomen te hebben, met de omstandigheid dat de dief op heterdaad betrapt werd en geweld of bedreigingen heeft gebruikt hetzij om in het bezit van de weggenomen voorwerpen te kunnen blijven, hetzij om zijn vlucht te verzekeren, met de omstandigheid dat het misdrijf gepleegd werd door middel van braak,

namelijk

- een polshorloge merk Esprit,

- [...].

Ten nadele van X. Dieter,

Te 9000 ..., op 16.9.2010 "

Op burgerlijk vlak werd de vordering van verzoekster integraal toegekend: euro 750 meer de intresten en een RPV van euro 412,50.

III. Gevolgen van de feiten

Verzoekster benadrukt in haar verzoekschrift vooral de opgelopen morele schade.

"Verzoekers hebben ten gevolge de feiten d.d. 16.09.2010 morele schade.

Enerzijds hebben zij sinds de inbraak in hun woning een onveiligheidsgevoel dat slapeloze nachten met zich meebrengt. Verzoekers voelen zich vaak niet veilig in hun eigen huis. Zij durfden in het begin hun woning nauwelijks te verlaten. Deze angstgevoelens hadden zelfs tot gevolg dat verzoekers amper hun radio of tv durfden aanzetten uit schrik dat zij niet zouden horen indien er iemand zou trachten in te breken of reeds in huis zou vertoeven.

Anderzijds heeft eerste verzoeker gedurende enkele maanden in onzekerheid geleefd betreffende een eventuele besmetting met het Hiv-virus of Hepatitis. Immers, in de jas van de heer Z. die werd aangetroffen, zaten enkele spuiten waardoor de verbalisanten wisten dat het om een druggebruiker ging. Beide aandoeningen zijn immers overdraagbaar door een bijtwonde zoals toegebracht door de heer Z..

Eerste verzoeker was op 17.09.2010 dan ook arbeidsongeschikt. Eerste verzoeker heeft dan ook verscheidene tests moeten ondergaan en wist pas na verloop van 6 maanden met zekerheid dat hij niet besmet was. Gedurende een half jaar heeft eerste verzoeker bijgevolg met een angst geleefd over een al dan niet levensbedreigende besmetting.

Hij diende daarenboven in afwachting van het resultaat van de testen HW -werende medicatie te nemen. Deze zware medicatie heeft enkele niet te onderschatten nevenwerkingen met als voornaamste maag- en darmproblemen en een gewichtstoename.

Er werd aan eerste verzoeker als morele schadevergoeding een bedrag van euro 1.000,00 toegekend.

Deze onzekerheid had niet enkel een invloed op eerste verzoeker, doch ook op tweede verzoekster. Daar verzoekers reeds geruime tijd een kinderwens hadden die zij wensten te veruitwendigen, hebben zij hun plannen een half jaar dienen stil te leggen. Om deze reden werd aan tweede verzoekster een morele schadevergoeding toegekend ten belope van euro 750,00. "

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

IV-1. De veroordeelde heeft geen gekende woonplaats in België en vertoeft in de gevangenis te Praag. Hij bezit geen financiële middelen om de schade van verzoekers te voldoen. Hij verklaart dat hij in zijn levensonderhoud voorzag door zich schuldig te maken aan diefstal.

IV-2. Verzekeraar EUROMEX komt enkel tussen in geval van onopzettelijke ongevallen.

V. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoekster vraagt een hulpbedrag dat overeenstemt met de civielrechtelijk toegekende vergoeding van euro 750 voor morele schade.

VI. Beoordeling door de Commissie

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

In haar verslag van 25 oktober 2011 wijst de verslaggeefster op een mogelijk ontvankelijkheidsprobleem in voorliggend verzoekschrift:

"Luidens artikel 31, 1°, van de wet van 1 augustus 1985 kan de Commissie een financiële hulp toekennen aan "personen die ernstige lichamelijke of psychische schade ondervinden als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad."

Volgens vaste rechtspraak van de Commissie kunnen personen, die getuige waren van een opzettelijke gewelddaad, met een rechtstreeks slachtoffer worden gelijkgesteld, op voorwaarde dat er ernstige bedreigingen tegen hun persoon geuit werden.

Uit de stukken blijkt nergens dat verzoekster getuige zou zijn geweest van de voorliggende feiten.

De partijen worden uitgenodigd te concluderen nopens de ontvankelijkheid van het verzoekschrift van mevrouw Y.. "

De minister van Justitie adviseert om het verzoekschrift af te wijzen:

"De gewelddaad is niet gepleegd op de persoon van de verzoekster zodat, om de reden aangehaald in het verslag, zij niet kan aanzien worden als slachtoffer in de zin van de wet van 1 augustus 1985. De wetgever voorziet een limitatieve opsomming van voor een hulp in aanmerking komende categorieën van slachtoffers.

Ook was verzoekster geen getuige van een ernstige gewelddaad gepleegd op de persoon van haar man, zodat verzoekster ook niet kan gelijkgesteld worden met een rechtstreeks slachtoffer. "

Verzoekster is het met deze stellingname niet eens :

" De wet bepaalt "personen die ernstige lichamelijke of psychische schade ondervinden als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad;" (eigen onderlijning). Nergens in de wet wordt bepaald dat de opzettelijke gewelddaad op de persoon diende gepleegd te worden die ernstige lichamelijke of psychische schade ondervond ten gevolge daarvan.

Het verplicht opbergen van de veruitwendiging van de kinderwens van verzoekers is een rechtstreeks gevolg van de beet die de heer Z. aan eerste verzoeker gaf.

De psychische schade die tweede verzoekster hierdoor leed is een rechtstreeks gevolg van de opzettelijke gewelddaad (beet) gepleegd op eerste verzoeker. Zij is dus wel degelijk een rechtstreeks slachtoffer van de opzettelijke gewelddaad. "

Verzoekster heeft het bij het rechte eind waar zij stelt dat de wet van 1 augustus 1985 niet vereist dat, wil een verzoek(st)er in aanmerking komen voor een financiële hulp, de opzettelijke gewelddaad op zijn/haar persoon moet zijn gepleegd.

Dit is trouwens de reden waarom de Commissie ‘getuigen van een opzettelijke gewelddaad' soms gelijkstelt met de ‘rechtstreekse slachtoffers van een opzettelijke gewelddaad' waardoor zij onder de toepassing van artikel 31, 1° komen te vallen. Aangezien in voorliggende casus de geweldfeiten niet rechtstreeks op verzoekster in persoon werden gepleegd - hierover is geen discussie - verklaart dit waarom de verslaggeefster in haar verslag uitwijkt naar de overblijvende optie ‘getuigen' (maar ook daaraan lijkt verzoekster niet te voldoen...).

Naar het oordeel van de Commissie kan niet om het even welke ‘getuige' worden gelijkgesteld met een ‘rechtstreeks slachtoffer' conform artikel 31,1. Zo is één van de criteria aan dewelke de Commissie een casus toetst, dat er ernstige bedreigingen tegen de persoon van de getuige geuit werden. Zie bijvoorbeeld CHSOG, A.R. M70611, beslissing dd. 30/04/2008: "In die omstandigheden is de Commissie van oordeel dat verzoekster niet ernstig bedreigd werd door de overvallers, nu zij niet oog in oog heeft gestaan met hen ".

De verklaring waarom de Commissie restrictieve criteria hanteert door - zo men hieraan een epitheton wil toevoegen - enkel ‘rechtstreekse getuigen' te aanvaarden, is te vinden in artikel

31, 1° : "personen die ernstige lichamelijke of psychische schade ondervinden als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad."

Men kan evenwel in de voorliggende zaak niet om het feit heen dat de schade zich bij verzoekster post factum manifesteerde. Pas nadat verzoekster via een ander persoon (in dit geval wellicht haar echtgenoot zelf) op de hoogte werd gebracht van de feiten en de mogelijke HIV-besmetting met bijhorende weerslag op het huwelijksleven, is zij zichzelf als een persoonlijk slachtoffer (kunnen) gaan beschouwen.

Het punt dat de Commissie hiermee wil duidelijk maken, is dat naar haar oordeel, verzoekster onmiskenbaar psychische schade heeft geleden als onrechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad aangezien zij zelf niet oog in oog geconfronteerd werd met de agressie maar wel met de consequenties daarvan achteraf.

Dat verzoekster vanuit haar oogpunt persoonlijk (volgens haar bewoordingen: ‘rechtstreeks') schade ondervindt, impliceert niet automatisch dat het causaal verband tussen de geweldfeiten an sich en de schade een rechtstreeks karakter vertoont (cf. iemand wiens partner overlijdt wordt ook geconfronteerd met persoonlijk leed, hetgeen hem/haar nog niet tot rechtstreeks slachtoffer maakt).

Dat verzoekster daadwerkelijk een slachtoffer is/was, lijdt niet de minste twijfel en de Commissie brengt hiervoor dan ook alle begrip op. Schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad overkomen aan een ander persoon doet zich des te meer gevoelen wanneer beiden onder een zelfde dak wonen. Echter, toelating van de casus van verzoekster tot de categorie personen vermeld onder artikel 31, 1° zou neerkomen op:

- 1° een jurisprudentiële negatie van de notie ‘rechtstreeks' in de wetsbepaling;

- 2° creatie van een nieuwe categorie slachtoffers, hetgeen manifest behoort tot het bevoegdheidsdomein van de wetgever en niet tot dat van de administratieve rechter.

In deze omstandigheden dient het verzoek te worden afgewezen als onontvankelijk.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek onontvankelijk.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 5 april 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN C. DELESIE

Vrije woorden

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 9 augustus 2011 waarbij verzoekster om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.