- Beslissing van 20 april 2012

20/04/2012 - BM11-7-0849/8369

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Beslissing - Integrale tekst

(...)

I. Feiten

Verzoekster schrijft op het voorgedrukt verzoekschriftformulier:

" 28-2-2008 en 29-2-2008 in L. Hotel ...

Op de hotelkamer heeft de heer Z. mijn borsten en vagina betast en heeft hij mij gevingerd.

Gedurende deze twee dagen is dit meerdere malen gebeurd. "

Z. (° 1948) heeft later bevestigd dat hij met de op dat ogenblik 16 jarige verzoekster in eenzelfde kamer geslapen had.

II. Vervolging

Verzoekster heeft bij de politie van ... klacht neergelegd tegen de genaamde Gijsbert Z., onder meer inzake de vermelde feiten, hoofdzakelijk nopens zedenfeiten gepleegd op het Nederlands grondgebied.

Het Gerechtshof te 's G. heeft bij arrest van 21 december 2011 omwille van een territorialiteitsbeginsel enkel uitspraak gedaan over de laatste feiten en dus niet over het gebeurde in ....

III. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

Verzoekster verklaart dat de dader haar nog niet vergoed heeft en dat zij op geen enkele verzekeringstussenkomst beroep kan doen.

IV. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoekster kruist het vakje ‘hoofdhulp' aan zonder het hulpbedrag te specificeren (in het niet-aangekruiste vakje ‘noodhulp' vult zij evenwel het bedrag van euro 2.760 in).

Zij verklaart zich te gedragen naar de wijsheid van de Commissie m.b.t. het gevraagde bedrag en sluit zich aan bij de in België geldende richtlijnen terzake de immateriële schadevergoedingen.

V. Beoordeling door de Commissie

Niettegenstaande in het verslag van 12 januari 2012 gesteld wordt dat het verzoekschrift ‘kennelijk onontvankelijk' lijkt gelet op de afwezigheid in het dossier van bepaalde essentiële gegevens en stukken, wordt voorliggende zaak behandeld in voltallige kamer aangezien verzoekster alsnog het dossier vervolledigd heeft middels haar schriftelijke reactie op het verslag (art. 16bis, K.B. van 18 december 1986).

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

Zoals uitgelegd werd aan verzoekster, in persoon verschenen op rechtszitting van 21 maart 2012 kan, op grond van artikel 31bis, § 1, 4° van de wet van 1 augustus 1985, een financiële hulp worden toegekend indien er een strafrechterlijke beslissing is genomen over de strafvordering én indien verzoekster schadevergoeding heeft nagestreefd door middel van een burgerlijke partijstelling, een rechtstreekse dagvaarding of een vordering voor een burgerlijke rechtbank.

In het voorliggend dossier ligt er wel een strafrechterlijke beslissing voor (het arrest van het Gerechtshof te 's G. van 21 december 2011) maar dit arrest doet geen uitspraak over de feiten die het voorwerp uitmaken van voorliggend geding.

Er ligt geen bewijs voor van een burgerlijke partijstelling in hoofde van verzoekster. Evenmin werd een rechtstreekse dagvaarding of een vordering voor een burgerlijke rechtbank ingeleid.

In deze omstandigheden kan de Commissie niet anders dan voorliggend verzoekschrift afwijzen. Evident doet dit geen afbreuk doet aan het leed waarmee zij geconfronteerd wordt en waarvoor de Commissie alle begrip betoont. Als administratief rechtscollege heeft de Commissie zich evenwel te houden aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die haar werking regelen.

Tot slot staat het verzoekster vrij om via de geëigende kanalen en via de mogelijkheden geboden door de wet alsnog een schadeloosstelling na te streven.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek onontvankelijk.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 20 april 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN P. DE SMET

Vrije woorden

  • verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 9 augustus 2011, daarbij Geassisteerd door het Nederlands Schadefonds Geweldsmisdrijven conform Richtlijn 2004/80/EG dd. 29 april 2004 van de Raad van de Europese Unie, waarbij verzoekster om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.