- Beslissing van 20 augustus 2012

20/08/2012 - M10-3-1323/7821

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Beslissing - Integrale tekst

(...)

I. Feiten

Uit het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te ... d.d. 9 november 2010:

"Op zaterdag 19 april 2008 omstreeks 21.04 u. troffen de verbalisanten het levenloze lichaam aan van Koen X. in de woning gelegen in de straat 181 te ... (woning van Christophe W.). In de woning werden diverse drugsgerelateerde voorwerpen aangetroffen. In de ruimte waar het lichaam van Koen X. zich bevond lagen 5 zakjes met 10 ongebruikte insulinespuiten en een doosje reinigingsdoekjes voor de huid. De verbalisanten merkten op dat de kachel recent gebrand had. Uit latere verklaringen is gebleken dat via deze weg sporen waren vernietigd

In de woning werden beklaagden Kevin Z. en Cristophe W. aangetroffen. Na het afleggen van leugenachtige verklaringen moest beklaagde Kevin Z. uiteindelijk toegeven dat hij Koen X. in de nacht van vrijdag 18 op zaterdag 19 april 2008 en portie zuivere heroïne verschaft had. Een inbeuk op artikel 2bis § 3 c) drugwet vereist het bewijs van het causaal verband tussen het verschaffen van heroïne en de dood van het slachtoffer. De leverancier van een druggebruiker die zich daarvan een fatale dosis toedient, handelt zonder twijfel onder voormelde inbreuk. Dit geldt a fortiori wanneer deze leverancier zelf deze dosis bij het slachtoffer toedient. Ten onrechte betwist de verdediging van beklaagde Kevin Z. het oorzakelijk verband tussen het verschaffen van heroïne en het overlijden van Koen X.. Reeds uit het verhoor zelf van beklaagde Kevin Z. blijkt immers dat na het toedienen van de heroïne het grondig misliep met Koen X., vermits hij zat te zweten, raar deed, evenwichtsstoornissen had, continu in slaap viel en niet meer wakker kwam. Beklaagde Kevin Z. gaf trouwens toe dat hij hierdoor panikeerde.

Het verslag van de wetsgeneesheer betreffende de inwendige schouwing van Koen X. stelt dat de dood is ingetreden door een heroïnevergiftiging. Er werd een verse injectieplaats vastgesteld in de elleboogholte. Uit het toxicologisch onderzoek blijkt dat in het hart bloedconcentraties vrije morfine aanwezig waren die kunnen geassocieerd worden met een overdosis heroïne.

...

Uit het geloofwaardig verhoor van M. M. blijkt dat de beklaagde Kevin Z. de spuit met de fatale dosis aan het slachtoffer toediende. Koen X. had immers een ernstige kwetsuur aan de rechterhand waardoor hij drie vingers niet kon bewegen en daarnaast had hij schrik voor naalden. Beklaagde Cristophe W. verklaarde dat Kevin Z. had toegegeven de spuit bij Koen X. gezet te hebben "

...

Uit de verklaringen van beide beklaagden blijkt dat de situatie van Koen X. zeer ernstig was en dat beiden dat ook zeer goed wisten. Beklaagde Kevin Z. verklaarde dat net na de toediening van de heroïne, Koen X. serieus zat te zweten, raar begon te doen, evenwichtsstoornissen had en continu in slaap viel, in die mate dat Kevin Z. panikeerde. Het normbesef in dit op drugs gefocust milieu is kennelijk zo diep gedaald dat beklaagden Kevin Z. en Christophe W. zelfs overwogen om het lijk van Koen X. in de vaart te dumpen. Beklaagde Christophe W. zou dit voorgesteld hebben maar beklaagde Kevin Z. zou hiermee niet akkoord gegaan zijn."

II. Vervolging

Bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te ... d.d. 9 november 2010 werden de daders veroordeeld tot volgende straffen:

Kevin Z.: 2 jaar met uitstel voor 5 jaar en mits probatievoorwaarden;

A. wegens invoer het bezit, de verkoop of te koop gesteld, afgeleverd of aangeschaft te hebben, en dit buiten elke aankoop of bezet krachtens geneeskundig voorschrift, met de omstandigheid dat het gebruik dat ten gevolge van dit misdrijf van voornoemde stoffen is gemaakt, de dood heeft veroorzaakt, nl. heroïnum, meer bepaald, Kevin Z., een gebruikershoeveelheid heroïne te hebben verschaft aan Koen X., die op 19.04.2008 is overleden ten gevolge van de inname van de hem door de eerste inverdenkinggestelde verschafte drugs.

B. opzettelijk, maar zonder het oogmerk om te doden, slagen en verwondingen te hebben toegebracht aan Koen X., die toch de dood hebben veroorzaakt‘,

C. herhaaldelijk niet nader te bepalen hoeveelheden heroïne in het bezit te hebben gehad met het oog op eigen gebruik.

D. herhaaldelijk niet nader te bepalen hoeveelheden speed in het bezit te hebben gehad met het oog op eigen gebruik.

E. wanneer hij zonder ernstig gevaar voor zichzelf of voor anderen kon helpen, verzuimd te hebben hulp te verlenen aan een persoon die in groot gevaar verkeerde... .

Christophe W.: 18 maanden met uitstel voor 5 jaar en mits probatievoorwaarden wegens de tenlasteleggingen C, D, en E.

Beide daders werden op burgerlijk gebied solidair veroordeeld tot de volgende bedragen:

- euro 5.000,00 morele schade aan Gilbert X.

- euro 5.000,00 morele schade aan Agnes Y.

- euro 2.384,33 materiële schade (definitief) aan de huwgemeenschap X. en Y.

begrafeniskosten euro 4.098,40 : 2

grafkelder euro 670,26 : 2

"De feiten van de tenlasteleggingen A, B en E, welke bewezen werden verklaard, staan in oorzakelijk verband met de schade van de burgerlijke partijen.

"Het slachtoffer liet zich - als zwaar druggebruiker - verdovende middelen toedienen, hetgeen een foutief gedrag uitmaakt. Had hij zich geen verdovende middelen laten toedienen, dan was hij niet overleden.

De aansprakelijkheid moet aldus tussen het slachtoffer en de beklaagden worden verdeeld. Er zijn geen objectieve gronden om de ene fout als zwaarder te waarderen dan de andere.

Naar het oordeel van de Rechtbank hebben de fout van het slachtoffer en de feiten waarvoor de beklaagden veroordeeld werden, in gelijke mate tot de schade bijgedragen, zodat de aansprakelijkheid bij helften moet worden verdeeld. De burgerlijke partijen kunnen zodoende aanspraak maken op de helft van de door hen geleden schade."

Het vonnis is in kracht van gewijsde getreden.

III. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

De advocaat van Kevin Z. schrijft aan de raadsman van verzoeker: "Cliënt is insolvabel. Er is geen enkele mogelijkheid in te gaan op uw vraag tot betaling. Betekening en uitvoering lijkt mij ook totaal nutteloos". Kevin Z. is zonder beroep. Voor het overige werd de insolvabiliteit niet nagegaan.

Uit de beschikking van de Arbeidsrechtbank te ... d.d. 10 januari 2011 blijkt dat Christophe W. toegelaten werd tot de collectieve schuldenregeling. Er werd een schuldbemiddelaar aangesteld. Hij is eveneens zonder beroep en leeft van het OCMW.

IV. Begroting van de schade

De verzoeker vraagt aan de Commissie de som van euro 18.608,18. Dit is het bedrag dat hij voor de rechtbank van de daders gevorderd heeft.

morele schade euro 12.500,00

huwgemeenschap euro 6.109,18

vergunning grafkelder: euro 1.125,00

grafkelder: euro 885,78

begrafeniskosten: euro 4.098,40

euro 18.609,18

V. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen nageleefd te worden.

Artikel 33, § 1 van de wet van 1 augustus 1985 bepaalt dat: "De Commissie kan onder meer rekening houden met het gedrag van de verzoeker of van het slachtoffer indien dit gedrag rechtstreeks of onrechtstreeks heeft bijgedragen tot het ontstaan van de schade of de toename ervan." Het gedrag van het (overleden) slachtoffer werd opgenomen in dit gewijzigd artikel - van kracht sedert 25 januari 2010 - datum van inwerkingtreding van de wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen inzake Justitie (II). Dit artikel bepaalt tevens dat de Commissie kan rekening houden met de relatie tussen de verzoeker of het slachtoffer en de dader."

In dit verband wenst de Commissie bijkomend te benadrukken dat zij niet gebonden is door de uitspraak op burgerrechtelijk vlak. Immers, de Commissie verschilt in haar beoordelingscriteria van de burgerlijke rechter doordat zij enerzijds het limitatief karakter van de schadeposten die voor vergoeding in aanmerking komen moet respecteren, en anderzijds door het feit dat zij beslist ‘in billijkheid'. Bij de totstandkoming van de wet van 1 augustus 1985 is de wetgever vertrokken vanuit een heel andere filosofie dan de in het gemeenrecht toegepaste bestraffing van de fout, nu de Staat niet de veroorzaker is van de schade. De reeds aangehaalde notie "collectieve solidariteit tussen de leden van eenzelfde natie" is op haar beurt gestoeld op het begrip "abnormaal sociaal risico" dat tot de ongelijkheid van de burgers terzake van de openbare lasten leidt. Het aldus gecreëerd mechanisme van "buitengewone schadeloosstelling" is tevens gebaseerd op de idee dat de collectiviteit naar billijkheid moet instaan voor het herstel van de schade die op zich als een sociale kwaal wordt beschouwd.

In eerdere rechtspraak heeft de Commissie erop gewezen dat het hierboven uiteengezette principe van collectieve solidariteit tussen de leden van eenzelfde natie, op grond waarvan een schadeloosstelling kan toegekend worden zonder dat deze integraal is of een afdwingbaar recht inhoudt, door de verzoeker / het slachtoffer zelf wordt doorbroken wanneer deze door eigen gedrag of door het stellen van handelingen schade toebrengt aan de andere leden van de natie waartoe hij/zij behoort, door bijvoorbeeld bezit of handel in drugs. In die optiek meent de Commissie dat het nooit de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest dat de Staat, die bovendien de schade niet veroorzaakt heeft, moet opdraaien voor het herstel van de schade overkomen aan personen die willens nillens in een drugs- of ander crimineel milieu vertoeven en daardoor zelf een verhoogd risico opzoeken.

Uit de feiten blijkt dat het overleden slachtoffer aanwezig was in het appartement waar drugs werden verhandeld en dat hij als druggebruiker bewust opereerde binnen een crimineel kader waaraan ernstige risico's voor zowel de eigen veiligheid en gezondheid als deze van anderen verbonden zijn.

Welnu, de Commissie is van oordeel dat het hierboven uiteengezette principe van collectieve solidariteit tussen de leden van eenzelfde natie, op grond waarvan een schadeloosstelling kan toegekend worden zonder dat deze integraal is of een afdwingbaar recht inhoudt, door het slachtoffer - zonder hier zijn proces te willen overdoen - zelf werd doorbroken door zich te begeven in een milieu dat bestond uit individuen die door hun handelingen anderen schade toebrachten. In die omstandigheid meent de Commissie dat het nooit de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest dat de Staat moet instaan voor het herstel van de schade berokkend aan personen, hetzij aan hun erfgerechtigden in geval van overlijden, die zelf het risico opzoeken van onderlinge afrekeningen (zie ook Parl. St. Kamer, 2008-2009, nr. 2161/001, 36: "Het lijkt weinig billijk dat in een systeem, waarvan de basis gevormd wordt door het beginsel van "de collectieve solidariteit tussen de leden van eenzelfde natie" en door het begrip "abnormaal sociaal risico" gekenmerkt door de ongelijkheid van de burgers ten aanzien van de openbare lasten, geen rekening zou mogen gehouden worden met de betrokkenheid van de overledene bij de feiten waarvan hij of zij het slachtoffer werd. Deze redenering vindt ook steun in artikel 8.1 van het Europees Verdrag inzake de schadeloosstelling van slachtoffers van geweldmisdrijven, gedaan te Straatsburg op 24 november 1983 en door België geratificeerd op 23 maart 2004. De commissie moet dus in staat zijn om, indien zij dit nodig acht, rekening te houden met het gedrag van het slachtoffer en met diens relatie met de dader. Het lijkt inderdaad noodzakelijk de commissie de nodige bewegingsruimte te bieden om maatschappelijk onaanvaardbare toestanden te vermijden.").

Gebaseerd op de overwegingen dat :

- het volledig herstel geenszins gewaarborgd is;

- de Commissie aan de wet haar appreciatiebevoegdheid ontleent zowel terzake de opportuniteit van de toekenning van de hulp als terzake de vaststelling van het bedrag ervan;

- zij rekening kan houden met het gedrag van het slachtoffer (art. 33, §1, van de wet van 1 augustus 1985);

is de Commissie de mening toegedaan dat het onbillijk voorkomt een hulp, eveneens een exponent van de maatschappelijke solidariteit, toe te kennen die de schade van het slachtoffer of van zijn nabestaande dekt. De Commissie zou dit immers niet kunnen verantwoorden ten opzichte van de medeburger die wel zijn schadebeperkings- en alle andere maatschappelijke verplichtingen nakomt.

De Commissie wenst evenwel te beklemtonen dat het afwijzen van het verzoek niet gebaseerd is op laakbaar gedrag van de verzoeker en ook geen afbreuk doet aan het feit dat verzoeker ongetwijfeld geleden heeft onder hetgeen zijn zoon overkwam en waarvoor de Commissie alle begrip toont.

Als administratief rechtscollege heeft de Commissie zich echter te houden aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die haar werking regelen.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk doch niet gegrond.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 20 augustus 2012.

De secretaris a.i., De voorzitter,

P. VERHOEVEN P. DRAULANS

Vrije woorden

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 1 december 2010 waarbij verzoeker om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.