- Beslissing van 23 augustus 2012

23/08/2012 - M12-1-0093/8726

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Beslissing - Integrale tekst

(...)

I. Feiten

Verzoekster was in de periode van 8 januari 2004 tot 2 oktober 2006 het slachtoffer van partnergeweld.

II. Vervolging

Bij arrest dd. 19 oktober 2011 van het Hof van Beroep te ... werd de volgende tenlastelegging bewezen geacht in hoofde van de heer Patrick Z. (° 1965), en waarvoor deze veroordeeld werd tot 1 jaar gevangenisstraf met uitstel:

"D. Meermaals op niet-nader bepaalde tijdstippen tussen 8 januari 2004 en 2 oktober 2006, en onder meer op 13 april 2004, 6 mei 2006, 3 juni 2006, 27 juni 2006 en 1 oktober 2006:

Opzettelijke verwondingen of slagen te hebben toegebracht aan X. , die voor deze een tijdelijke ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge gehad hebben, met de omstandigheid dat de schuldige het misdrijf pleegde tegen de persoon met wie hij samenleeft of samengeleefd heeft en een duurzame affectieve en seksuele relatie heeft of gehad heeft; "

Op burgerlijk vlak werd Z. bij zelfde arrest veroordeeld tot betaling aan verzoekster de hoofdsom van euro 3.722,36 meer de intresten en een RPV van euro 715.

- morele schade euro 3.375,00

- medische kosten en verplaatsingskosten euro 347,36

Dit arrest bekwam kracht van gewijsde (attest griffie).

III. Gevolgen van de feiten

Conclusies van gerechtsdeskundige dr. J. P. in zijn verslag van 29/09/2009:

1. Samengevat : Zeer ongelukkige echtscheiding, lees : vechtscheidingsproblematiek tussen Mevr. X. en haar ex Z. Patrick. Psychische en fysische problemen met slagen en verwondingen, reeds vlug na het huwelijk in 1986. De slagen en verwondingen en volgens huisdokter en betrokkene ook verkrachting op verschillende tijdstippen. Patiënt werd i.v.m. de slagen en verwondingen verscheidene malen nagekeken op de spoedgevallen in verschillende ziekenhuizen o.a. in ... . Er was schijnbaar toch vrij strikte follow-up en behandeling en begeleiding door de huisdokter. Uiteindelijk na heel wat problemen binnen het huwelijk volgde een officiële scheiding in 2005. De jongste zoon is bij de papa gaan inwonen. De dochter woont bij de mama die ondertussen een nieuwe vriend heeft sinds 1 jaar, er zijn huwelijksplannen. De hoger beschreven feiten op verschillende tijdstippen.

2. Subjectief blijven er klachten van: Patiënt vermeldt een gevoelige nekstreek, vooral bij

hyperextensie o.a. tijdens het werken; dikwijls begeleidende helmvormige hoofdpijn tot frontaal toe ; goede en slechte dagen ; soms spannings- en houdingafhankelijke uitstralende last naar de beide schouders ; soms inspanningsafhankelijke lage rug last ; soms nog herbeleven doch weinig opvallend in de nieuwe relatie ; geen cognitieve stoornissen; geen opvallende seksuele stoornissen; nachten vlot.

3. Bij objectief onderzoek vinden we eigenlijk geen duidelijke tekens van posttraumatische

stressstoornissen ; er zijn lichte sequelen op cervicaal niveau.

4. Werkonbekwaamheid voortvloeiend uit de feiten:

Door de huisdokter werden geattesteerd bij Mevr. X., tengevolge van slagen en verwondingen toegebracht door ex-echtgenoot:

100% tijdelijke arbeidsongeschiktheden: 09.05.2006 tot en met 14.05.2006

07.07.2006 tot en met 21.07.2006

01.10.2006 tot en met 04.10.2006

Cfr. attest in bijlage van de werkgever: nog andere data afwezigheden verscheidene maanden vanaf januari 2006 tot maart 2007 worden vermeld. Het is niet heel duidelijk of die vermelde afwezigheden medegedeeld door de gedelegeerd bestuurder van de werkgever wel degelijk in verband staan met de feiten slagen en verwondingen door de echtgenoot.

5. Inderdaad er kan in deze casus best geconsolideerd worden op datum onderzoek 05.06.2008 met een blijvende fysische ongeschiktheid zonder meerinspanning van 3%.

6. Esthetische schade: geen.

7. Voorbehoud, reserves: geen.

8. Er werd geen advies ingewonnen bij collega's geneesheer specialisten.

9. Uiteindelijk hebben de vernoemde kwetsuren, verwondingen en trauma's geen aanleiding

gegeven tot duidelijke toepassing van art. 400 van het Strafwetboek, cfr. consolidatjedatum en cijfers.

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

IV-1. De veroordeelde.werd toegelaten tot het systeem van collectieve schuldenregeling. Verzoekster deed op 5/12/2011 aangifte van haar schuldvordering. Ondanks diverse malen aandringen geeft de schuldbemiddelaar taal noch teken.

IV-2. In de clausule ‘onvermogen van derden' in de rechtsbijstandpolis wordt tussenkomst inzake morele schade uitgesloten. Verzoekster werd derhalve enkel vergoed voor de medische kosten en verplaatsingskosten, in totaal euro 347,36 + intresten, zoals toegekend bij arrest.

V. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoekster vraagt om de toekenning van een hulp van euro 4.814 meer de intresten, begroot als volgt:

- morele schade toegewezen bij arrest euro 3.375,00

- procedurekosten (2 x RPV ad euro 715 meer kopiekosten ad euro 9) euro 1.439,00

- intresten

Terzake de morele schade (arrest dd. 19/10/2011, f° 11):

"... wordt de morele schade begroot ex aequo et bono, rekening houdend met de veelheid van de feiten, de aard van de kwetsuren en pijnen en het bestaan van een blijvende lichamelijke aantasting van 3%, op een bedrag van 3.375,00 EUR, ..."

VI. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

De Commissie verzekert geen integrale schadeloosstelling. Ze kan, naar billijkheid, een financiële hulp toekennen voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985:

"Voor de toekenning van een hulp aan de personen als bedoeld in artikel 31, 1°, steunt de commissie uitsluitend op de volgende bestanddelen van de geleden schade:

1° de morele schade, rekening houdend met de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

2° de medische kosten en de ziekenhuiskosten, met inbegrip van de prothesekosten;

3° de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

4° een verlies of vermindering aan inkomsten ten gevolge van de tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid;

5° de esthetische schade;

6° de procedurekosten;

7° de materiële kosten;

8° de schade die voortvloeit uit het verlies van een of meer schooljaren."

‘Intresten' zijn daarbij niet opgenomen en komen dus niet in aanmerking voor een financiële hulp. Het principe dat de bijzaak de hoofdzaak volgt is hier niet van toepassing; immers de schuldenaar van de toegekende hulp, zijnde de Belgische Staat, is niet de veroorzaker van de schade. De zienswijze van de Commissie ten aanzien van de intresten werd bevestigd bij arrest nr. 165.787 van de Raad van State d.d. 12 december 2006.

Uit artikel 33, § 1 van de wet van 1 augustus 1985 blijkt dat het bedrag van de hulp naar billijkheid wordt bepaald. Volgens de voorbereidende werken is die beoordeling naar billijkheid zelfs het basisbeginsel van het stelsel (Parl.St., Senaat 1984-85 nr. 873/2/1°,8). Dit uitgangspunt verleent aan de Commissie een appreciatiebevoegdheid, zowel inzake de opportuniteit van de toekenning van een financiële hulp als inzake de bepaling van de omvang van het hulpbedrag.

Het voorgaande impliceert dat de Commissie voor bepaalde schadeposten andere tarieven kan (mag) hanteren dan die waarvan de correctionele rechter zich bedient. Hierdoor kan de door de Commissie toegekende hulp in meerdere of mindere mate afwijken van de in gemeenrecht toegewezen schadevergoeding.

Zo neemt de Commissie in voorliggend dossier de inhoud van het deskundigenverslag van dr.

J. Populaire in acht waarin wordt gesteld dat verzoekster "reeds vlug na het huwelijk in 1986" slachtoffer was van slagen, verwondingen en seksueel misbruik door haar toenmalige echtgenoot maar het tot 2005 duurde alvorens uit de echt te scheiden.

Uiteraard is op geen enkele wijze fysiek noch psychisch geweld toelaatbaar of zelfs maar te vergoelijken maar een slachtoffer, dat enerzijds een aantal rechten geniet, moet zich er van bewust zijn dat het ook een aantal plichten heeft. Zo rust op hem/haar de ‘schadebeperkingsplicht‘. Van hem/haar wordt dus verwacht dat hij/zij zijn/haar best doet om het nadeel te begrenzen.

Het komt derhalve de Commissie onbillijk voor om een financiële hulp, in se een exponent van de maatschappelijke solidariteit, op integrale wijze toe te kennen - in zoverre daarvan het bedrag de schade zou dekken zoals die op civiel gebied door de correctionele rechter inter partes begroot werd - in die gevallen waarbij de eigen lasten van intrafamiliaal geweld gedeeltelijk naar de medeburger worden doorgeschoven.

In die optiek, rekening houdend met alle feitelijkheden van de zaak zoals hierboven geschetst en met de door de wet uitgesloten schadeposten, acht de Commissie de toekenning van een globale hulp van euro 2.500 billijk.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent verzoekster een hulp toe van euro 2.500.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 23 augustus 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN C. DELESIE

Vrije woorden

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 3 februari 2012 waarbij verzoekster om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.