- Beslissing van 3 oktober 2012

03/10/2012 - M11-5-1294/8629

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Beslissing - Integrale tekst

(...)

I. Feiten

In de nacht van 24 op 25 december 2005 werd verzoekster op de Gentsesteenweg te .... het slachtoffer van verkeersagressie.

II. Vervolging

Bij vonnis van de Correctionele rechtbank te Brussel d.d. 29 oktober 2008 werd de heer Youssef Z. (° 1979), wegens het plegen van onder meer de sub I vermelde feiten (toebrengen van opzettelijke slagen en verwondingen + plegen van een aanslag op personen), bij verstek veroordeeld tot een effectieve gevangenisstraf van veertig maanden.

Op burgerlijk gebied werd hij veroordeeld tot betaling van de som van euro 6.118,98 meer intresten aan verzoekster: euro 3.618,98 voor de materiële schade + euro 2.500 voor de morele schade.

Tegen dit vonnis werd verzet aangetekend door Z., maar bij vonnis d.d. 9 december 2009 werd het verstekvonnis bevestigd.

III. Gevolgen van de feiten voor verzoekster

Hieromtrent liggen geen gegevens voor.

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

Het sub II vermeld vonnis werd bij deurwaardersexploot d.d. 7 april 2010 aan de heer Z. betekend met bevel tot betalen, maar hierop volgde geen reactie.

Na een exploot van uitvoerend beslag onder derden d.d. 4 juni 2010 en een kennisgevingsexploot van het uitvoerend beslag d.d. 9 juni 2010, deelde gerechtsdeurwaarder J. L. in zijn brief van 27 juni 2011 mee dat hij het dossier afsloot wegens onuitvoerbaarheid.

V. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoekster vraagt om de toekenning van een financiële hulp van euro 6.118,98 (meer intresten), overeenstemmend met de schadevergoeding die haar bij vonnis d.d. 29 oktober 2008 werd toegekend:

- materiële schade (voertuig): euro 3.618,98

- morele schade (ex aequo et bono): euro 2.500,00

VI. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

Aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden werd voldaan.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen nageleefd te worden.

Met betrekking tot de gevraagde hulp voor materiële schade dient gewezen op vaste rechtspraak van de Commissie volgens dewelke als materiële kosten enkel die kosten worden beschouwd die rechtstreeks verband houden met het door de gewelddaad opgelopen letsel, zoals kledij die door de gewelddaad met bloed werd besmeurd, verplaatsingskosten naar ziekenhuis, dokters, kinesisten en apotheken, alsook diverse administratiekosten.

Goederen die naar aanleiding van de gewelddaad werden beschadigd (in casu het voertuig van verzoekster) vallen niet onder de materiële kosten en komen bijgevolg niet voor de toekenning van een financiële hulp in aanmerking.

Artikel 33 § 1, eerste lid, van voornoemde wet bepaalt uitdrukkelijk dat de hulp naar billijkheid wordt bepaald. Volgens de voorbereidende werken is de beoordeling naar billijkheid zelfs het basisbeginsel van het stelsel (Parl.St. Senaat, 1984-85, nr. 873/2/1°, 8). Dit uitgangspunt geeft aan de Commissie een ruime appreciatiebevoegdheid, zowel met betrekking tot de opportuniteit van de toekenning van een financiële hulp als met betrekking tot de bepaling van de omvang ervan.

Een en ander impliceert dat de door de Commissie toegekende hulp niet noodzakelijk overeenstemt met de volledige schadeloosstelling van het nadeel dat verzoeker heeft geleden. Het betekent eveneens dat de Commissie niet gebonden is door de schadevergoeding die door de rechter werd toegekend.

Wat het voorliggend dossier betreft, is de Commissie van oordeel dat de toekenning van een hulpbedrag van euro 2.000 redelijk en gepast is.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006.

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent verzoekster een hulp toe van euro 2.000.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 3 oktober 2012.

De secretaris, De voorzitter,

G. VAN DEN ABBEELE L. VULSTEKE

Vrije woorden

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 6 december 2011, waarbij verzoekster om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.