- Beslissing van 18 oktober 2012

18/10/2012 - M12-1-0255/8810

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Beslissing - Integrale tekst

(...)

I. Feiten

Tussen 1 juli en 15 oktober 2005 was Natascha, de toen 13 jarige dochter van verzoeker, slachtoffer van aanranding van de eerbaarheid door Johnny Z. (schoonzoon van verzoeker).

"De heer Z. domineerde en terroriseerde zijn gezin en familie.

Zelfs nadat de belastende verklaringen waren afgelegd, probeerde de heer Z. partijen onder druk te zetten om deze in te trekken.

De heer Z. heeft steeds de feiten blijven ontkennen en trachtte op elke mogelijke manier in contact te komen met de familie, zelfs lopende het strafrechterlijk onderzoek en de echtscheiding van de heer Z..

Bovendien woonde de heer Z. vlakbij, hetwelk het verwerkingsproces bemoeilijkte. "

II. Vervolging

Bij arrest dd. 20 mei 2009 van het Hof van Beroep te ... werd onder meer de volgende tenlastelegging bewezen geacht in hoofde van de genaamde Johnny Z. (° 1958), en waarvoor deze veroordeeld werd tot 4 jaar hoofdgevangenisstraf waarvan 2 jaar met uitstel van 5 jaar:

"Te ... :

B/ Aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging gepleegd te hebben op hiernavolgende persoon van een minderjarige, geen volle zestien jaar oud op het ogenblik van de feiten, namelijk:

B3/ Tussen 1 juli 2005 en 15 oktober 2005

Op de persoon van X. Natasha, geboren te ... op ../../1992. "

Op burgerlijk vlak werd Z. bij zelfde arrest veroordeeld tot betaling aan:

- de heer en mevrouw René X. - Irena Y. namens hun op dat ogenblik minderjarige dochter Natascha euro 2.500 moreel

- verzoeker in eigen naam: euro 750 moreel

- mevrouw Irena Y. in eigen naam: euro 750 moreel

meer de intresten, meer RPV's van euro 125 aan ieder van beide ouders en van euro 200 aan de ouders samen qualitate qua de op dat ogenblik minderjarige Natascha.

II. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

III-1. De uitvoeringen werden stopgezet toen werd meegedeeld dat de dader toegelaten werd tot het systeem van collectieve schuldenregeling. Toen naderhand bleek dat deze informatie niet klopte werd opnieuw aangifte van schuldvordering gedaan. Volgens de schuldbemiddelaar was het evenwel onmogelijk om enig dividend uit te keren aan verzoeker.

III-2. Verzoeker verklaart op geen enkele verzekeringstussenkomst te kunnen beroep doen.

IV. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoeker vraagt om de toekenning van een hulp van euro 875 meer de intresten.

- morele schade euro 750,00

- RPV euro 125,00

V. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

Verzoeker vraagt een hulp in zijn hoedanigheid van "ouder van een slachtoffer dat minderjarig is op het ogenblik van een opzettelijke gewelddaad en dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 31,1°, of personen die op dat ogenblik voorzagen in het onderhoud van de minderjarige" conform artikel 31, 3°, van voormelde wet.

Voor deze categorie slachtoffers somt artikel 32, §3, op limitatieve wijze de schadeposten op die in aanmerking komen voor een hulp vanwege de Commissie:

1° de morele schade;

2° de medische kosten en de ziekenhuiskosten;

3° de procedurekosten.

‘Intresten' zijn daarbij niet opgenomen en komen dus niet in aanmerking voor een financiële hulp. Het principe dat de bijzaak de hoofdzaak volgt is hier niet van toepassing; immers de schuldenaar van de toegekende hulp, zijnde de Belgische Staat, is niet de veroorzaker van de schade. De zienswijze van de Commissie ten aanzien van de intresten werd bevestigd bij arrest nr. 165.787 van de Raad van State d.d. 12 december 2006.

Terzake de gevraagde hulp voor de ‘rechtsplegingsvergoeding' dient te worden aangestipt dat verzoeker geniet van kosteloze tweedelijnsbijstand zoals meegedeeld door zijn pro Deo-raadsman op de rechtszitting dd. 21 juni 2012 van de Commissie.

Welnu, indien de rechtsplegingsvergoeding niet kan geïnd worden, dan wordt de advocaat vergoed via het puntensysteem in toepassing van artikel 508/19, §2 Ger. W.

Zou de Commissie dan toch nog een hulp voor de rechtsplegingsvergoeding toekennen, dan zou de schatkist haar tussenkomst in het ereloon van de advocaat, berekend via het puntensysteem, kunnen terugvorderen.

Om deze redenen komt de gevraagde rechtsplegingsvergoeding in de huidige omstandigheden evenmin in aanmerking voor een hulp.

Uit artikel 33, § 1 van de wet van 1 augustus 1985 blijkt dat het bedrag van de hulp naar billijkheid wordt bepaald. Volgens de voorbereidende werken is die beoordeling naar billijkheid zelfs het basisbeginsel van het stelsel (Parl.St., Senaat 1984-85 nr. 873/2/1°,8). Dit uitgangspunt verleent aan de Commissie een appreciatiebevoegdheid, zowel inzake de opportuniteit van de toekenning van een financiële hulp als inzake de bepaling van de omvang van het hulpbedrag.

Het voorgaande impliceert dat de Commissie voor bepaalde schadeposten andere tarieven kan (mag) hanteren dan die waarvan de correctionele rechter zich bedient. Hierdoor kan de door de Commissie toegekende hulp in meerdere of mindere mate afwijken van de in gemeenrecht toegewezen schadevergoeding. Zo baseert de Commissie zich onder meer bij het toekennen van een hulpbedrag voor de schadepost ‘morele schade' op haar rechtspraak in gelijkaardige dossiers.

Rekening houdende enerzijds met de ernst van de feiten en de opgelopen schade en anderzijds met de door de wet uitgesloten schadeposten, meent de Commissie aan verzoeker in billijkheid een hulp te kunnen toekennen begroot op euro 500.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent verzoeker een hulp toe van euro 500.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 18 oktober 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN C. DELESIE

Vrije woorden

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 9 maart 2012 waarbij verzoeker om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.