- Beslissing van 5 februari 2014

05/02/2014 - M12-5-1112

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Beslissing - Integrale tekst

(...)

I. Feiten

Nadat een punt gezet was achter de relatie tussen de dochter van verzoekster en de heer Jan Z., deed zich op 14 juli 2004 te ... een hevige discussie voor omtrent de toewijzing van een aantal spullen. In het kader hiervan werd verzoekster door de heer Z. verschillende malen in het aangezicht geslagen en in de onderbuik gestampt.

II. Vervolging

Bij vonnis van de Correctionele rechtbank te ... d.d. 20 maart 2012 werd de heer Jan Z. wegens het plegen van de sub I vermelde feiten (toebrengen van opzettelijke slagen en verwondingen aan verzoekster met blijvende ongeschiktheid tot gevolg) in de zaak ter afhandeling van de burgerlijke belangen bij verstek veroordeeld tot betaling van de som van euro 3.656,36 meer intresten aan verzoekster.

III. Gevolgen van de feiten

Verzoekster ging zesmaal op consultatie bij haar huisarts.

Op grond van de medische attesten werden de volgende graden en periodes van tijdelijke invaliditeit weerhouden:

100 % van 14.07.04 t.e.m. 27.07.04

50 % van 28.07.04 t.e.m. 13.08.04

25 % van 14.08.04 t.e.m. 14.09.04.

Er is consolidatie op 15 september 2004, met een blijvende invaliditeit van 2 % (blijvende hinder aan de linkerschaamlip).

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

Het sub II vermeld vonnis werd bij deurwaardersexploot d.d. 16 mei 2012 aan de heer Z. betekend, maar hieraan werd geen gevolg gegeven.

De instrumenterende gerechtsdeurwaarder liet op 6 juli 2012 weten dat het dossier lastens betrokkene oninvorderbaar is.

Luidens het verzoekschrift beschikt verzoekster niet over enige verzekering die de geleden schade dekt.

V. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoekster vraagt om de toekenning van een hulp van euro 4.274,93 meer intresten:

- hoofdsom conform vonnis d.d. 20.03.12 euro 3.656,36

- administratie- en verplaatsingskosten euro 75,00

- raadplegingen huisarts euro 20,00

- apothekerskosten euro 17,27

- morele schade tijdelijke invaliditeit euro 762,50

100 % van 14.07.04 t.e.m. 27.07.04 : 14 d. x euro 25 = euro 350,00

50 % van 28.07.04 t.e.m. 13.08.04 : 17 d. x euro 12,50 = euro 212,50

25 % van 14.08.04 t.e.m. 14.09.04 : 32 d. x euro 6,25 = euro 200,00

- economische schade huishouden euro 994,59

- morele schade blijvende invaliditeit euro 1.787,00

2 % x euro 1.787 per punt / 2

- procedurekosten: euro 618,57

- rechtsplegingsvergoeding euro 412,50

- expeditie euro 11,40

- kosten betekening euro 194,67

VI. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen nageleefd te worden.

De Commissie wenst te benadrukken dat ze geen integrale schadeloosstelling verzekert. Ze kan, naar billijkheid, slechts een financiële hulp toekennen voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, § 1, van voornoemde wet. ‘Economische schade huishouden' is daarbij niet opgenomen en komt dus niet in aanmerking voor de toekenning van een hulp.

Eenzelfde opmerking geldt met betrekking tot de intresten.

Het behoort overigens tot de constante rechtspraak van de Commissie - en deze vloeit voort uit de bedoeling van de wet - dat intresten niet in aanmerking komen voor een financiële hulp. De Commissie is van oordeel dat het principe dat de bijzaak de hoofdzaak volgt, niet van toepassing is in het stelsel van financiële hulpverlening aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden. De schuldenaar van de toegekende hulp, met name de Belgische Staat, is niet de veroorzaker van de schade. Bovendien brengt ook in het gemeen recht de toepassing van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek niet mee dat intresten automatisch verschuldigd zijn, vermits zij moeten gevraagd of gevorderd worden door het slachtoffer en de rechter ze niet mag toekennen wanneer een dergelijke vraag of vordering ontbreekt.

De Raad van State heeft zich in een uitvoerig gemotiveerd arrest bij stellingname van de Commissie aangesloten (arrest nr. 165.787 van 12 december 2006).

Wat de gevraagde hulp van euro 1.787 voor morele schade blijvende invaliditeit betreft, stelt de Commissie vast dat het bedrag werd berekend op basis van euro 1.787 per punt, conform de ‘Indicatieve tabel 2008'. De Commissie is evenwel van oordeel dat thans toepassing dient gemaakt te worden van de ‘Indicatieve tabel 2012'. Gelet op de leeftijd van verzoekster op het ogenblik van de consolidatie en op het feit dat het in casu een ongeschiktheid van minder dan 6 % betreft, bekomt men in de voorliggende zaak een bedrag van euro 1.140 per punt.

Daarnaast wenst de Commissie op te merken dat er geen stukken voorliggen waaruit blijkt dat verzoekster inkomstenverlies heeft geleden, zodat er geen sprake is van economische ongeschiktheid. In die omstandigheden kan enkel rekening gehouden worden met de persoonlijke (= morele) component van de ongeschiktheid en dient het toe te kennen bedrag te worden gedeeld door drie (ook het huishoudelijk aspect van de ongeschiktheid komt, zoals hoger aangegeven, immers niet in aanmerking).

Concreet kan aan verzoekster voor de blijvende invaliditeit worden toegekend: 2 % x euro 1.140 per punt gedeeld door 3 = euro 760.

De gevraagde hulpbedragen voor de overige schadeposten kunnen naar het oordeel van de Commissie integraal worden toegekend.

Rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak, zoals hierboven uiteengezet, kent de Commissie een hulp toe van euro 2.253,34.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006.

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent een hulp toe van euro 2.253,34.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 5 februari 2014.

De secretaris, De voorzitter,

G. VAN DEN ABBEELE D. DESMET

Vrije woorden

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 20 november 2012, waarbij verzoekster om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp, voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.