- Beslissing van 27 februari 2014

27/02/2014 - M12-5-0917

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Beslissing - Integrale tekst

(...)

I. Feiten

Op 1 maart 1985 werd verzoeker, tijdens de uitoefening van zijn functie van postbeambte, te ... het slachtoffer van een overval van een geldtransport door de bende van Patrick Z.. Verzoeker bevond zich in de laadruimte van het voertuig.

II. Vervolging

Bij arrest van het Hof van Assisen van de provincie ... d.d. 19 januari 1994 werd de heer Patrick Z. (en consoorten) voor een hele reeks misdrijven strafrechtelijk veroordeeld.

Nergens in dit arrest wordt echter melding gemaakt van de naam van verzoeker. Zijn naam komt niet voor in de opsomming van de burgerlijke partijen (blz. 45 van het arrest).

III. Gevolgen van de feiten

In zijn medisch attest d.d. 29 juni 2013 stelt Dr. Guido W. (huisarts) dat verzoeker na de feiten herhaaldelijk werd gezien door een psycholoog met het oog op de verwerking van een posttraumatische stressstoornis.

Na enige tijd hervatte verzoeker het werk, maar nu als gemeentearbeider. Hij kon het gebeurde echter niet achter zich laten, kreeg een drankprobleem en was steeds meer afwezig op het werk.

Hij ontwikkelde een diffuse angststoornis en kwam in een psychiatrische instelling terecht. De diagnose luidde: metabool syndroom en alcoholische polyneuropathie.

Momenteel is er een zekere stabilisatie, maar de prognose op psychisch vlak blijft gereserveerd.

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

Luidens het verzoekschrift ontving verzoeker geen enkele vergoeding (daders, sociale zekerheid, arbeidsongevallenverzekering).

V. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoeker heeft tot op heden geen concrete schadebegroting opgesteld. Hij verklaart zich te gedragen naar de wijsheid van de Commissie met betrekking tot het gevraagde hulpbedrag.

VI. Beoordeling door de Commissie

Luidens artikel 31bis, § 1, 4°, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen kan een financiële hulp worden toegekend onder de volgende voorwaarden:

"Indien de dader bekend is, moet de verzoeker schadevergoeding nastreven door middel van een burgerlijke partijstelling, een rechtstreekse dagvaarding of een vordering voor een burgerlijke rechtbank. (...)."

Bij nazicht van de door verzoeker overgemaakte stukken blijkt niet dat aan deze voorwaarde is voldaan.

Van de naam van verzoeker wordt in het sub II vermeld arrest geen melding gemaakt. Zijn naam komt niet voor in de opsomming van de burgerlijke partijen op bladzijde 45 van het arrest.

Verzoeker heeft in zijn brief van 27 december 2013 als volgt gerepliceerd op het ontvankelijkheidsprobleem:

"Waarom mijn naam nergens voorkomt in de arresten van burgerlijke partij is dat ik niet wist dat dit moest gebeuren. Ik ging ervanuit dat mijn toenmalige werkgever "De Post" mij als werknemer zou beschermen en het nodige zou doen om belangen te behartigen. Integendeel na mij terugkeer van ziekteverlof, dat mij werd voorgeschreven door de huisarts na de overval, werd ik bedankt voor mijn diensten en mocht beschikken.

Ik stond er alleen voor, want van slachtofferhulp had ik geen weet.

U moet weten dat ik, in de maanden en jaren die volgende na de overval, mij in een depressieve toestand bevond. Dokters, screening in UZ ... en psychologen heb ik geraadpleegd. Daarenboven op ben ik meerdere keren opgenomen in een psychiatrische afdeling. De lijdensweg dat mijn echtgenote en ikzelf hebben moeten ondergaan is niet te beschrijven en moeilijk te begrijpen door omstanders.

Tot op heden neem ik nog dagelijks antidepressiva om mij het leven makkelijk te maken. AI de kosten gepaard met de onderzoeken en medicatie heb ik zelf bekostigd zonder inbreng van welke organisatie dan ook.

Hoe kan iemand begrijpen, die zulk gewelddadige overval niet heeft meegemaakt, hoe ik psychisch heb geleden. Jullie beslissing is voor mij een teken dat ik geen slachtoffer ben, alsof ik niet aanwezig was bij de overval. Eens te meer voel ik mij in de steek gelaten en heb het er zeer moeilijk mee. Mijn vraag naar jullie toe was niet om een grote financiële hulp, eerder een herkenning van slachtoffer en daarmee gepaard een kleine toelage. Dat is alles wat ik hoopte en vraag.

Verder wens ik er toch aan toe te voegen dat ik weldegelijk ter plaatse ben gaan getuigen als slachtoffer op het Assisenproces tegen deze bende van Z.. Ik ging er dan ook van uit dat ik op dat ogenblik officieel opgenomen werd in de lijst van slachtoffers. Nadien heb ik gewoon proberen verder te werken aan mijn revalidatie. Bovendien ben ik van oordeel dat ik mij opnieuw in de positie van slachtoffer bevond toen verschillende van deze heren en dame met de glimlach hun relaas mochten komen doen op de zender "Vier".

De inhoud van de bovenstaande brief werd door verzoeker, bijgestaan door zijn echtgenote, omstandig toegelicht ter zitting van de Commissie van 30 januari 2014.

Uit het relaas van verzoeker is duidelijk gebleken dat hij er na de gewelddadige overval in grote mate alleen voor stond. Hij ging er van uit dat zijn belangen zouden behartigd worden door zijn werkgever (De Post), maar dit bleek niet het geval te zijn.

Bovendien verkeerde verzoeker in de nasleep van de overval jarenlang in een depressieve toestand, waardoor hij zelf ook niet in staat was om zijn zaak juridisch op te volgen.

Gelet op het bovenstaande is er naar het oordeel van de Commissie sprake van een overmachtssituatie: de omstandigheden waardoor verzoeker niet kon voldoen aan de voorwaarden die moeten vervuld zijn om een ontvankelijk hulpverzoek in te dienen bij de Commissie, kunnen hem niet aangerekend worden. Verzoeker komt dus in aanmerking voor de toekenning van een hulp.

Door aan verzoeker een hulp toe te kennen wil de Commissie hem een duidelijk signaal geven dat ze hem erkent als slachtoffer. Uit het relaas van verzoeker kwam naar voor dat die erkenning niet aanwezig was.

Zich baserend op de ernst van de feiten en de gevolgen ervan voor verzoeker, wordt het toegekend hulpbedrag begroot op euro 2.500.

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006.

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent een hulp toe van euro 2.500.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 27 februari 2014.

De secretaris, De voorzitter,

G. VAN DEN ABBEELE L. VULSTEKE

Vrije woorden

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 28 september 2012, waarbij verzoeker om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp, voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.