- Arrest van 13 januari 2011

13/01/2011 - 1/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof

- vernietigt in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, vervangen bij artikel 6, 1°, van de wet van 31 juli 2009 betreffende diverse bepalingen met betrekking tot het Centraal Strafregister, de woorden « tot op het moment dat de daarop volgende rechterlijke uitspraak kracht van gewijsde heeft verkregen »;

- onverminderd de in B.15.2 vastgestelde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, verwerpt het beroep voor het overige.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter M. Melchior, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter M. Melchior,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 1 maart 2010 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 2 maart 2010, heeft de vzw « Ligue des Droits de l'Homme », met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Kogelstraat 22, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 2, 2°, 4, 1°, 5, 1°, en 6 van de wet van 31 juli 2009 betreffende diverse bepalingen met betrekking tot het Centraal Strafregister (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 27 augustus 2009, tweede editie).

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de bestreden bepalingen

B.1. De verzoekende partij vordert de vernietiging van de artikelen 2, 2°, 4, 1°, 5, 1°, en 6 van de wet van 31 juli 2009 betreffende diverse bepalingen met betrekking tot het Centraal Strafregister. Die bepalingen wijzigen de artikelen 590, eerste lid, 594, tweede lid, 595, tweede lid, en 596 van het Wetboek van strafvordering.

B.2.1. De bepalingen van het Wetboek van strafvordering die op het centraal strafregister betrekking hebben, werden daarin ingevoegd bij de wet van 8 augustus 1997, die het bestaan van dat strafregister wettelijk heeft verankerd. In artikel 589 van het Wetboek van strafvordering wordt het centraal strafregister omschreven als « een systeem van geautomatiseerde verwerking gehouden onder het gezag van de Minister van Justitie waarin [...] gegevens betreffende beslissingen genomen in strafzaken of ter bescherming van de maatschappij worden geregistreerd, bewaard en gewijzigd ».

Het tweede lid van het voormelde artikel 589 bepaalt :

« De doelstelling van het Strafregister bestaat erin de daarin geregistreerde gegevens mede te delen aan :

1° de overheden belast met de uitvoering van de opdrachten van de rechterlijke macht in strafzaken;

2° de administratieve overheden met het oog op de toepassing van bepalingen waarvoor kennis is vereist van het gerechtelijk verleden van de personen op wie administratieve maatregelen betrekking hebben;

3° particulieren ingeval zij een uittreksel uit het Strafregister moeten voorleggen;

4° buitenlandse overheden in de gevallen omschreven in internationale overeenkomsten ».

B.2.2. In artikel 590 van het Wetboek van strafvordering worden de gegevens opgesomd die voor elke persoon in het strafregister worden opgenomen. Bij artikel 2, 2°, van de bestreden wet wordt die opsomming aangevuld met onder meer een 17° dat betrekking heeft op :

« de veroordelingen met eenvoudige schuldigverklaring uitgesproken met toepassing van artikel 21ter van de wet van 17 april 1878, houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering ».

B.2.3. Artikel 594 van het Wetboek van strafvordering maakt het de Koning mogelijk om aan bepaalde administratieve overheden toegang te verlenen tot de in het strafregister opgenomen gegevens. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat die overheden, na een termijn van drie jaar, geen toegang meer hebben tot gegevens betreffende bepaalde veroordelingen die daarin worden opgesomd. Bij artikel 4, 1°, van de bestreden wet worden de veroordelingen bij eenvoudige schuldigverklaring in die opsomming ingevoegd.

B.2.4. Artikel 595 van het Wetboek van strafvordering maakt het elke persoon mogelijk een uittreksel uit het strafregister te verkrijgen dat een overzicht bevat van de daarin opgenomen persoonsgegevens die op hem betrekking hebben. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat sommige veroordelingen die daarin worden opgesomd, niet meer op dat uittreksel worden vermeld na een termijn van drie jaar. Bij artikel 5, 1°, van de bestreden wet worden de veroordelingen bij eenvoudige schuldigverklaring in die opsomming ingevoegd.

B.2.5. Artikel 6, 1°, van de bestreden wet vervangt artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering door de volgende bepaling :

« Wanneer het uittreksel wordt aangevraagd ten einde toegang te krijgen tot een activiteit die onder opvoeding, psycho-medisch-sociale begeleiding, hulpverlening aan de jeugd, kinderbescherming, animatie of begeleiding van minderjarigen valt, vermeldt het uittreksel behalve de veroordelingen en de beslissingen bedoeld in het eerste lid, ook de veroordelingen bedoeld in artikel 590, eerste lid, 1° en 17°, en de beslissingen bedoeld in artikel 590, eerste lid, 2°, 4°, 5° en 16°, voor feiten gepleegd ten aanzien van een minderjarige en voor zover dit een constitutief element van de inbreuk is of de straf verzwaart. De gemeentelijke administratie vermeldt bovendien of de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een verbod om een activiteit uit te oefenen die hem in contact zou brengen met minderjarigen, uitgesproken door een rechter of een onderzoeksgerecht met toepassing van artikel 35, § 1, tweede lid, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis. Het verbod dient op het uittreksel te worden vermeld tot op het moment dat de daarop volgende rechterlijke uitspraak kracht van gewijsde heeft verkregen. Teneinde deze informatie te verkrijgen, wendt de gemeentelijke administratie zich tot de lokale politiedienst ».

Die bepaling heeft betrekking op de uittreksels uit het strafregister « model 2 », die worden overhandigd aan particulieren die de uitreiking ervan vragen om toegang te krijgen tot een activiteit waarbij zij in contact komen met minderjarigen.

Ten gronde

Wat het eerste middel betreft

B.3.1. De verzoekende partij klaagt aan dat de artikelen 2, 2°, 4, 1°, en 5, 1°, van de bestreden wet bepalen dat het opnemen, in het strafregister, van de eenvoudige schuldigverklaringen uitgesproken met toepassing van artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, informatie is die zowel voor de besturen die toegang hebben tot het centraal strafregister, als voor de particulieren toegankelijk is, aangezien zij wordt vermeld op de uittreksels uit het strafregister die hun worden uitgereikt, gedurende een periode van drie jaar vanaf de datum van de definitieve rechterlijke beslissing waarbij zij zijn uitgesproken.

B.3.2. Artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering bepaalt :

« Indien de duur van de strafvervolging de redelijke termijn overschrijdt, kan de rechter de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uitspreken of een straf uitspreken die lager kan zijn dan de wettelijke minimumstraf.

Wanneer de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring wordt uitgesproken, wordt de verdachte veroordeeld in de kosten en, zo daartoe aanleiding bestaat, tot teruggave. De bijzondere verbeurdverklaring wordt uitgesproken ».

B.3.3. Het recht van iedere rechtzoekende op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, gewaarborgd bij artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, houdt in dat de rechter, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak en onder meer met de complexiteit ervan, met het gedrag van de verzoeker en met de houding van de bevoegde overheden, nagaat of de redelijke termijn niet is overschreden. Artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering bepaalt de gevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn wanneer die overschrijding wordt vastgesteld in het kader van een strafrechtelijke procedure. Die bepaling is van toepassing ongeacht de ernst van het misdrijf, gelet op het feit dat elke overschrijding van de redelijke termijn een schending van artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens met zich meebrengt.

De beklaagde die het voorwerp van een eenvoudige schuldigverklaring uitmaakt, wordt schuldig bevonden aan de feiten waarvoor hij werd vervolgd, maar kan geen enkele straf opgelegd krijgen, behalve de bijzondere verbeurdverklaring, aangezien de rechter heeft vastgesteld dat de omvang van de overschrijding van de redelijke termijn in zijn zaak de uitspraak van een strafrechtelijke sanctie in de weg stond. Daarentegen vormt de eenvoudige schuldigverklaring geen beletsel voor de veroordelingen die geen straf uitmaken, noch voor de veiligheidsmaatregelen.

B.4.1. Het eerste onderdeel van het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, die het recht op een eerlijk proces waarborgen. De verzoekende partij voert aan dat de openbaarheid die aan een eenvoudige schuldigverklaring wordt gegeven via de uittreksels uit het strafregister die aan de besturen en particulieren worden uitgereikt, een onterend karakter heeft dat neerkomt op dat van een straf, terwijl net de rechter heeft geweigerd om een straf uit te spreken ten aanzien van de betrokkene.

In zoverre de schending van een grondrecht ten aanzien van een categorie van personen daarin wordt aangeklaagd, wordt het Hof in dat onderdeel van het middel verzocht de situatie van die personen te vergelijken met die van de personen die een dergelijke schending niet moeten ondergaan.

B.4.2. Het opnemen van een rechterlijke beslissing in het strafregister is geen strafrechtelijke sanctie, maar wel een veiligheidsmaatregel, met als doel het informeren van de overheden die toegang ertoe hebben en van de particulieren die vragen om een uittreksel uit het strafregister voor te leggen. Die opname in het strafregister strekt eveneens ertoe de openbare orde te beschermen door de schuldige, die weet dat de gerechtelijke overheden op de hoogte kunnen worden gebracht van de misdrijven die in het verleden zijn gepleegd, ertoe aan te zetten te vermijden dat in de toekomst nieuwe misdrijven worden gepleegd. Hoewel die opname, wanneer zij betrekking heeft op een door een strafgerecht uitgesproken straf, bijdraagt tot het onterende karakter van de uitgesproken straf, heeft zij op zich geen onterend karakter dat vergelijkbaar is met dat van een strafrechtelijke sanctie.

B.4.3. De eenvoudige schuldigverklaring wordt uitgesproken door de rechter die vaststelt dat de redelijke termijn op zodanige wijze is overschreden dat geen enkele straf kan worden opgelegd. Zoals in B.3.3 in herinnering wordt gebracht, wordt de persoon die het voorwerp ervan uitmaakt, schuldig bevonden aan de feiten die hem werden verweten en zou hij tot een strafrechtelijke sanctie zijn veroordeeld indien de duur van de procedure binnen de perken van de redelijkheid was gebleven. De ernst van de feiten heeft geen enkele invloed op de beslissing van de rechter die de eenvoudige schuldigverklaring uitspreekt, aangezien de keuze om geen straf op te leggen enkel wordt ingegeven door de omvang van de overschrijding van de redelijke termijn die hij vaststelt. Aangezien de betrokken feiten ernstig kunnen zijn, vermocht de wetgever het noodzakelijk te achten om te voorzien in het opnemen van de eenvoudige schuldigverklaring in het strafregister van de betrokkene zodat zij deel blijft uitmaken van de gegevens die over hem worden bewaard en net zoals de veroordelingen tot strafrechtelijke sancties ter kennis van de administratieve overheden en van de particulieren wordt gebracht.

B.4.4. Voor het overige, zelfs indien zou worden geoordeeld dat de openbaarheid die aan de eenvoudige schuldigverklaringen wordt gegeven door ze in de uittreksels uit het strafregister bestemd voor de administratieve overheden en de particulieren op te nemen, het recht op een eerlijk proces van de betrokkenen zou kunnen aantasten, kan die aantasting niet onevenredig worden geacht : enerzijds kunnen de administratieve overheden, krachtens artikel 594 van het Wetboek van strafvordering, enkel toegang krijgen tot die gegevens indien zij daartoe door de Koning zijn gemachtigd, bij in Ministerraad overlegd besluit en na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, en uitsluitend in het kader van door of krachtens de wet bepaalde doeleinden; anderzijds mogen de uittreksels uit het strafregister die voor particulieren bestemd zijn, enkel aan de betrokkene en nooit aan derden worden uitgereikt.

B.4.5. Ten slotte, aangezien de artikelen 594, tweede lid, en 595, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering bepalen dat het opnemen van de eenvoudige schuldigverklaringen in het strafregister, na een termijn van drie jaar, niet langer wordt weergegeven bij de gegevens waartoe de administratieve overheden toegang hebben, noch op de uittreksels die aan particulieren worden uitgereikt, wordt het meedelen van de opname van de eenvoudige schuldigverklaringen in het strafregister beperkt in de tijd ten aanzien van die twee categorieën van adressaten, zodat de eventuele aantasting van het recht op een eerlijk proces niet onevenredig kan worden geacht.

B.5.1. Het tweede onderdeel van het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 22 en met artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet. De verzoekende partij voert aan dat de wetgever, door wat betreft de opname in het strafregister een identiek lot weg te leggen voor de personen die het voorwerp van een eenvoudige schuldigverklaring uitmaken met toepassing van artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering en voor die welke worden veroordeeld tot een lagere straf dan de wettelijke minimumstraf met toepassing van dezelfde bepaling, op discriminerende wijze afbreuk heeft gedaan aan het recht van de eerstgenoemden op eerbiediging van hun privéleven en op de vrije keuze van beroepsarbeid.

B.5.2. Krachtens artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, kan de rechter die de overschrijding van de redelijke termijn vaststelt, ofwel de straf die hij uitspreekt, verminderen tot onder het wettelijke minimum, ofwel een eenvoudige schuldigverklaring uitspreken. De beklaagden die worden veroordeeld tot een lagere straf en zij die het voorwerp van een eenvoudige schuldigverklaring uitmaken, bevinden zich dus in soortgelijke situaties in zoverre de ernst van de feiten die hun worden verweten, hun persoonlijkheid en hun eventuele wil om hun gedrag te verbeteren niet meespelen bij die beslissing, aangezien de rechter ertoe is gehouden artikel 21ter toe te passen zodra hij vaststelt dat de redelijke termijn is overschreden.

Aangezien de beslissing van de rechter wordt geleid door de vaststelling van de omvang van de overschrijding van de redelijke termijn, houdt het criterium van onderscheid tussen beide categorieën van beklaagden die in dit onderdeel van het middel met elkaar worden vergeleken, geen verband met de feiten die zij hebben gepleegd of met hun persoonlijke situatie, maar wel met een element waar zij buiten staan, namelijk de traagheid van het gerechtelijk apparaat in hun zaak. Dat criterium vertoont geen enkele relevante band met de opname van de beslissing in het strafregister van de betrokkene, die ertoe strekt de informatie over de feiten waaraan hij zich schuldig heeft gemaakt te bewaren, zodat de wetgever niet ertoe was gehouden een verschil in behandeling tussen die twee categorieën van beklaagden in te voeren. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn niet geschonden door de identieke behandeling, met betrekking tot de opname in het strafregister, van de beklaagden die zijn veroordeeld tot een lagere straf met toepassing van artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering en van die welke het voorwerp van een eenvoudige schuldigverklaring uitmaken met toepassing van dezelfde bepaling.

B.5.3. Zoals de verzoekende partij opmerkt, kan de openbaarheid die aan de eenvoudige schuldigverklaringen wordt gegeven door ze in het strafregister op te nemen, het recht van de betrokkenen op eerbiediging van hun privéleven aantasten en negatieve gevolgen hebben voor hun socioprofessionele toekomst. Desalniettemin is de inmenging in de rechten gewaarborgd bij de artikelen 22 en 23, derde lid, 1°, van de Grondwet, om dezelfde redenen als die welke in B.4.4 en B.4.5 zijn aangegeven, niet onevenredig ten aanzien van het nagestreefde doel. De administratieve overheden die ertoe zijn gemachtigd om kennis te nemen van de bedoelde gegevens, mogen dat immers enkel doen in het kader van door of krachtens de wet bepaalde doeleinden, en de uittreksels uit het strafregister bestemd voor particulieren mogen niet aan derden worden uitgereikt. Ten slotte verdwijnen de gevolgen die die opname voor het privéleven en voor de herinschakeling in het beroepsleven van de betrokkene zou kunnen hebben, na een periode van drie jaar.

B.6.1. In het derde onderdeel van het eerste middel wordt de situatie van de persoon die het voorwerp uitmaakt van een eenvoudige schuldigverklaring vergeleken met die van de persoon die het voorwerp uitmaakt van een beslissing tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling of van een beslissing tot probatieopschorting. Daarin wordt geoordeeld dat de bestreden bepalingen, door die twee categorieën van personen verschillend te behandelen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, alsook de artikelen 22 en 23, derde lid, 1°, van de Grondwet, schenden.

B.6.2. De beslissingen tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling of tot probatieopschorting worden in het strafregister van de betrokkene opgenomen. Met toepassing van artikel 594, eerste lid, 3°, en van artikel 595, eerste lid, 1°, van het Wetboek van strafvordering worden die beslissingen echter nooit meegedeeld aan de administratieve overheden en worden zij nooit vermeld op de uittreksels uit het strafregister die aan particulieren worden uitgereikt.

B.6.3. Het in dit onderdeel van het middel bekritiseerde verschil in behandeling berust op het criterium van het soort van rechterlijke beslissing die ten aanzien van de betrokkene werd genomen. De beslissing tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling of tot probatieopschorting onderscheidt zich van de eenvoudige schuldigverklaring in zoverre zij wordt genomen met inachtneming van de gepleegde feiten, het gerechtelijk verleden van de beklaagde en zijn persoonlijkheid, en in zoverre zij enkel kan worden toegekend indien aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. Het doel van die clementiemaatregel is het bevorderen van de reclassering van de betrokkene. De eenvoudige schuldigverklaring moet daarentegen worden uitgesproken door de rechter die een belangrijke overschrijding van de redelijke duur van de procedure vaststelt, en zulks zonder de gepleegde feiten, het gerechtelijk verleden of de persoonlijkheid van de beklaagde in aanmerking te nemen. Zij heeft niet tot doel de resocialisatie van de betrokkene te bevorderen, maar vormt een afkeuring van de buitensporige traagheid van de gerechtelijke overheden in zijn zaak.

B.6.4. Die verschillen inzake aard en finaliteit tussen beide rechtsfiguren verantwoorden dat de wetgever heeft geoordeeld dat moest worden verhinderd dat de administratieve overheden die toegang hebben tot het strafregister en de particulieren die de uitreiking van een uittreksel uit het strafregister aanvragen, kennis zouden krijgen van de beslissingen tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling of tot probatieopschorting, zonder dat hij ertoe is gehouden ten aanzien van de beslissingen inzake eenvoudige schuldigverklaringen dezelfde maatregel te nemen. Daaruit vloeit voort dat het verschil in behandeling op een relevant criterium berust.

B.6.5. Ten slotte is de aantasting van het recht op eerbiediging van het privéleven en van het recht op de vrije keuze van beroepsarbeid van de betrokkenen door een eenvoudige schuldigverklaring, om redenen die identiek zijn met die welke in B.4.4, B.4.5 en B.5.3 zijn uiteengezet, niet onevenredig, zodat de artikelen 22 en 23, derde lid, 1°, van de Grondwet niet door de bestreden bepalingen zijn geschonden.

B.6.6. Het eerste middel is niet gegrond.

Wat het tweede middel betreft

B.7.1. De verzoekende partij verwijt de wetgever dat hij niet heeft voorzien in de uitwissing van de eenvoudige schuldigverklaringen, noch in de mogelijkheid, voor de persoon die het voorwerp van een eenvoudige schuldigverklaring heeft uitgemaakt, om zijn herstel in eer en rechten aan te vragen en te verkrijgen, terwijl hij, door de bestreden bepalingen aan te nemen, besloot dat die beslissingen in het strafregister van de betrokkene zouden worden opgenomen. De opname in het strafregister heeft tot gevolg dat de beslissing gedurende een periode van drie jaar ter kennis wordt gebracht van de administratieve overheden die toegang hebben tot het strafregister en van de particulieren, en dat zij steeds zal voorkomen bij de gegevens waartoe de overheden belast met de uitvoering van de opdrachten van de rechterlijke macht in strafzaken toegang hebben. In het middel wordt de situatie van de personen die het voorwerp van een eenvoudige schuldigverklaring hebben uitgemaakt, vergeleken met die van de personen die zijn veroordeeld tot een straf en die, naar gelang van die straf, ze ofwel na drie jaar automatisch uitgewist zien met toepassing van artikel 619 van het Wetboek van strafvordering, ofwel de mogelijkheid hebben om herstel in eer en rechten aan te vragen en te verkrijgen met toepassing van artikel 621 van hetzelfde Wetboek.

B.7.2. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, moet het middel niet onontvankelijk worden verklaard wegens laattijdigheid. Het is immers niet gericht tegen de artikelen 619 en 621 van het Wetboek van strafvordering, maar wel tegen de ontstentenis, in de bestreden wet, van een bepaling die de duur van het opnemen van de eenvoudige schuldigverklaringen in het strafregister automatisch beperkt of die voorziet in een procedure tot herstel in eer en rechten van de personen die het voorwerp ervan hebben uitgemaakt. Het is immers op het ogenblik dat de wetgever voorziet in de opname van de eenvoudige schuldigverklaringen in het strafregister dat hij ook de eventuele termijn ervan moet regelen.

B.7.3. Indien de in het tweede middel geformuleerde grief in die zin zou moeten worden begrepen dat hij betrekking heeft op de informatie die beschikbaar wordt gemaakt voor de administratieve overheden of de particulieren via hun toegang tot het strafregister of via de uittreksels die hun worden uitgereikt, zou die niet gegrond zijn. In dat opzicht is de situatie van de personen die het voorwerp van een eenvoudige schuldigverklaring uitmaken, immers soortgelijk aan, en zelfs gunstiger dan die van de personen die tot een straf zijn veroordeeld, aangezien de informatie over de eenvoudige schuldigverklaring niet langer toegankelijk is voor de administratieve overheden en de particulieren na het verstrijken van een termijn van drie jaar vanaf de datum van de definitieve rechterlijke beslissing waarbij zij is uitgesproken, ongeacht de ernst van de in het geding zijnde feiten, en zonder dat de betrokkene daartoe zijn herstel in eer en rechten heeft moeten aanvragen.

De grief kan eveneens in die zin worden begrepen dat hij betrekking heeft op het feit dat de overheden belast met de uitvoering van de opdrachten van de rechterlijke macht in strafzaken een in de tijd onbeperkte toegang tot de informatie over de in het strafregister opgenomen eenvoudige schuldigverklaringen hebben. Daarentegen worden de veroordelingen tot een politiestraf in beginsel, krachtens artikel 619 van het Wetboek van strafvordering, uit het strafregister gewist na een termijn van drie jaar vanaf de definitieve rechterlijke beslissing waarbij zij zijn uitgesproken, en de personen die zijn veroordeeld tot straffen die niet kunnen worden uitgewist, kunnen hun herstel in eer en rechten aanvragen en verkrijgen met toepassing van artikel 621 van hetzelfde Wetboek - een herstel in eer en rechten, dat in het strafregister wordt opgenomen. Krachtens artikel 634 van hetzelfde Wetboek verhindert het herstel in eer en rechten, dat de veroordeling waarvoor het is verkregen, als grondslag voor de herhaling dient of een beletsel vormt voor een latere voorwaardelijke veroordeling wegens nieuwe feiten. De uitwissing brengt dezelfde gevolgen met zich mee.

B.7.4. In het advies dat de Raad van State heeft gegeven over het voorontwerp van wet, deed hij opmerken :

« Aangezien het voorontwerp ertoe strekt aan de lijst van geregistreerde inlichtingen in het Strafregister de vermelding toe te voegen van de veroordelingen bij eenvoudige schuldigverklaring uitgesproken bij toepassing van artikel 21ter van de wet van 17 april 1978 [lees : 1878] houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, is er geen reden om de aldus veroordeelde personen uit te sluiten van het voordeel van de gevolgen van de uitwissing, die van toepassing is op veroordelingen tot politiestraffen, of van de gevolgen van het herstel in eer en rechten, dat van toepassing is op personen die veroordeeld zijn tot criminele of correctionele straffen. Die gevolgen worden opgesomd in artikel 634 van het Wetboek van Strafvordering. [Het] is de bedoeling, zoals dat reeds het geval is voor de personen die veroordeeld zijn tot straffen, alle gevolgen van de veroordeling voor de toekomst te doen vervallen en inzonderheid geen melding meer te maken van die veroordeling in de uittreksels uit het Strafregister die overgelegd worden door de gerechtelijke overheden bij latere vervolgingen wegens nieuwe strafbare feiten » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1997/001, pp. 17-18).

Volgens de parlementaire voorbereiding heeft de wetgever de tekst evenwel behouden, om volgende redenen :

« Door hier te voorzien dat deze veroordelingen [bij eenvoudige schuldigverklaring] niet meer worden vermeld op de uittreksels uit het strafregister bestemd voor de administratieve overheden, veeleer dan deze veroordelingen na drie jaar te laten wissen op basis van het uitwissingsprincipe vervat in artikel 619 van het wetboek van Strafvordering, ontstaat de mogelijkheid voor de met name gerechtelijke diensten en overheden bedoeld in artikel 593 van het wetboek van Strafvordering, om, zelfs na een periode van drie jaar, kennis te nemen van deze veroordelingen dewelke soms worden uitgesproken wegens ernstige feiten.

[...]

Door ook hier te voorzien dat deze veroordelingen niet meer worden vermeld op de uittreksels uit het strafregister bestemd voor particulieren na een periode van drie jaar, veeleer dan deze te laten uitwissen na drie jaar, wordt een onderscheid gemaakt tussen de informatie die [wordt] meegedeeld aan verschillende categorieën van bestemmelingen, enerzijds de gerechtelijke diensten dewelke over een zo volledig mogelijke informatie met betrekking tot het gerechtelijk verleden moeten beschikken, en anderzijds de administratieve overheden en particulieren voor dewelke de sociale reclassering van de persoon moet voorop staan » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1997/001, pp. 8-9).

B.7.5. De wetgever had, door een beslissing te nemen over het opnemen van de eenvoudige schuldigverklaringen in het strafregister, weliswaar kunnen voorzien in ofwel een mechanisme waardoor zij automatisch of op verzoek van de betrokkenen onder bepaalde voorwaarden kunnen worden geschrapt. Uit het feit dat hij niet ervoor heeft gekozen om de regeling van het opnemen van de eenvoudige schuldigverklaringen af te stemmen op die van het opnemen van de effectief uitgesproken straffen, vloeit evenwel niet noodzakelijkerwijze voort dat hij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zou hebben geschonden.

B.7.6. Het doel dat erin bestaat de overheden belast met de uitvoering van de opdrachten van de rechterlijke macht in strafzaken volledig te informeren over de strafbare feiten die in het verleden door de in het centraal strafregister vermelde personen zijn gepleegd, verantwoordt dat de beslissingen inzake eenvoudige schuldigverklaringen, die op ernstige feiten betrekking kunnen hebben, niet zonder meer na het verstrijken van een bepaalde termijn worden uitgewist.

B.7.7. Het herstel in eer en rechten, dat trouwens niet automatisch plaatsvindt, heeft evenmin tot gevolg dat de veroordelingen waarop het betrekking heeft, uit het strafregister worden gewist, maar het maakt ze ontoegankelijk voor de administratieve overheden en verhindert dat zij nog op de voor particulieren bestemde uittreksels worden vermeld. Daarentegen blijft de informatie over die veroordelingen toegankelijk voor de overheden belast met de uitvoering van de opdrachten van de rechterlijke macht in strafzaken, aangezien de arresten van herstel in eer en rechten eveneens in het strafregister worden vermeld met toepassing van artikel 590, eerste lid, 11°, van het Wetboek van strafvordering. Wat het informeren van de gerechtelijke overheden betreft, verschilt de situatie van de beklaagden die het voorwerp van een eenvoudige schuldigverklaring hebben uitgemaakt dus niet fundamenteel van die van de beklaagden die tot een straf zijn veroordeeld, in zoverre de inlichtingen betreffende de gepleegde feiten in beide gevallen voor hen toegankelijk blijven.

De situatie is enkel verschillend wanneer de beklaagde is veroordeeld tot een politiestraf die automatisch is uitgewist, terwijl de eenvoudige schuldigverklaring die wegens soortgelijke feiten is uitgesproken, niet wordt uitgewist. Daarbij moet echter ook in aanmerking worden genomen dat de personen die toegang hebben tot die gegevens, overheden zijn die de gegevens over de gepleegde feiten correct moeten interpreteren en met name de ernst ervan en het belang dat eraan moet worden toegekend rekening houdend met de ouderdom ervan, moeten beoordelen.

B.7.8. De uitwissing en het herstel in eer en rechten hebben eveneens tot gevolg dat de veroordelingen die het voorwerp ervan uitmaken, niet langer als grondslag voor de toepassing van het stelsel van de herhaling kunnen dienen, en dat zij geen beletsel meer kunnen vormen voor de toekenning van een opschorting of een uitstel wegens later gepleegde feiten.

De eenvoudige schuldigverklaring kan evenmin als grondslag dienen voor de toepassing van het stelsel van de herhaling zoals geregeld in de artikelen 54 tot 57 en 565 van het Strafwetboek, aangezien daarbij geen enkele straf aan de beklaagde wordt opgelegd. De herhaling houdt immers in dat de beklaagde vroeger tot een straf is veroordeeld. De eenvoudige schuldigverklaring verhindert de beklaagde evenmin om later de toekenning van een opschorting of een uitstel te genieten. Artikel 3, eerste lid, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie bepaalt immers dat de opschorting van de uitspraak van de veroordeling kan worden gelast « ten voordele van de beklaagde die nog niet is veroordeeld tot een criminele straf of een hoofdgevangenisstraf van meer dan zes maanden », wat het geval is bij de persoon die het voorwerp van een eenvoudige schuldigverklaring heeft uitgemaakt. Artikel 8 van dezelfde wet bepaalt eveneens dat het uitstel kan worden toegekend aan de veroordeelde die « nog niet veroordeeld is geweest tot een criminele straf of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden », wat opnieuw het geval is bij de persoon die het voorwerp van een eenvoudige schuldigverklaring heeft uitgemaakt.

Daaruit vloeit voort dat de ontstentenis van een mogelijkheid om de vermelding van de eenvoudige schuldigverklaringen te schrappen, niet tot gevolg heeft dat de situatie van de betrokkenen inzake herhaling wordt verzwaard en hun niet de mogelijkheid ontzegt om later de toepassing, in hun voordeel, van de bepalingen met betrekking tot de opschorting of het uitstel te verkrijgen.

B.7.9. Uit het voorafgaande vloeit voort dat de situatie van de personen die het voorwerp van een eenvoudige schuldigverklaring uitmaken, niet nadeliger is dan die van de personen die zijn veroordeeld, wat betreft de gevolgen van het opnemen van die beslissingen in het centraal strafregister. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet worden bijgevolg niet geschonden door de bestreden bepalingen of door de ontstentenis van een mogelijkheid van weglating van de vermelding van de eenvoudige schuldigverklaringen uitgesproken met toepassing van artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering.

B.7.10. Het tweede middel is niet gegrond.

Wat het derde tot het zesde middel betreft

B.8.1. Het derde tot het zesde middel hebben betrekking op artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, zoals vervangen bij artikel 6, 1°, van de bestreden wet van 31 juli 2009. In die bepaling worden de vermeldingen opgesomd die moeten voorkomen op de uittreksels uit het strafregister die worden uitgereikt aan de personen die ze aanvragen teneinde toegang te krijgen tot een functie of activiteit waarbij zij in contact komen met minderjarigen (uittreksels uit het strafregister « model 2 »).

B.8.2. Met toepassing van artikel 596, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering worden in het gewone uittreksel uit het strafregister, het zogeheten « model 1 », wanneer het wordt aangevraagd teneinde toegang te krijgen tot een activiteit waarvan de toegangs- of uitoefeningsvoorwaarden bij wets- of verordeningsbepalingen zijn vastgesteld, steeds de ontzettingen of vervallenverklaringen vermeld die de betrokkene verbieden die activiteit uit te oefenen.

Artikel 596, tweede lid, van hetzelfde Wetboek bepaalt dan weer dat het uittreksel uit het strafregister « model 2 », naast die gegevens en die welke voorkomen op de gewone uittreksels « model 1 », het volgende vermeldt :

- veroordelingen tot criminele, correctionele of politiestraffen voor feiten gepleegd ten aanzien van een minderjarige en voor zover dit een constitutief element van de inbreuk is of de straf verzwaart, zelfs na de termijn van drie jaar waarna sommige van die veroordelingen niet meer op de uittreksels « model 1 » worden weergegeven;

- veroordelingen bij eenvoudige schuldigverklaring uitgesproken met toepassing van artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, voor feiten gepleegd ten aanzien van een minderjarige en voor zover dit een constitutief element van de inbreuk is of de straf verzwaart, zelfs na de termijn van drie jaar waarna die beslissingen niet meer op de uittreksels « model 1 » worden weergegeven;

- beslissingen tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling of tot probatieopschorting, beslissingen tot herroeping van de opschorting of van de probatieopschorting, alsook beslissingen waarbij een gewone opschorting wordt vervangen door een probatieopschorting, voor feiten gepleegd ten aanzien van een minderjarige en voor zover dit een constitutief element van de inbreuk is of de straf verzwaart;

- beslissingen tot internering, tot definitieve invrijheidstelling of invrijheidstelling op proef, tot wederopneming in de maatschappij, die zijn genomen ten aanzien van abnormalen overeenkomstig de artikelen 7 en 18 tot 20 van de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij, voor feiten gepleegd ten aanzien van een minderjarige en voor zover dit een constitutief element van de inbreuk is of de straf verzwaart;

- beslissingen tot terbeschikkingstelling van de Regering en internering die zijn genomen ten aanzien van recidivisten, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele misdrijven, voor feiten gepleegd ten aanzien van een minderjarige en voor zover dit een constitutief element van de inbreuk is of de straf verzwaart;

- beslissingen in strafzaken genomen door buitenlandse rechtscolleges ten aanzien van Belgen, voor feiten gepleegd ten aanzien van een minderjarige en voor zover dit een constitutief element van de inbreuk is of de straf verzwaart, alsook maatregelen tot amnestie, uitwissing van de veroordeling of herstel in eer en rechten, genomen door een buitenlandse overheid.

Op het uittreksel « model 2 » komt eveneens de beslissing van de rechter of van een onderzoeksgerecht voor die de betrokkene verbiedt om een activiteit uit te oefenen waarbij hij in contact zou komen met minderjarigen, met toepassing van artikel 35, § 1, tweede lid, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.

B.8.3. In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat aanleiding heeft gegeven tot de bestreden wet, wordt aangegeven dat zij ertoe strekt « het uittreksel uit het strafregister ' model 2 ' (art. 596, 2e lid Sv.) wettelijk [te] verankeren en de inhoud ervan duidelijk [te] definiëren teneinde een acceptabel evenwicht te bereiken tussen het individueel belang (recht op privacy) en het algemeen belang, meer specifiek in het kader van de jeugdbescherming » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1997/001, p. 5).

Bij de bespreking van het bestreden artikel is uiteengezet :

« Het tweede lid wordt gewijzigd, teneinde de categorieën beslissingen en veroordelingen vermeld op het uittreksel bestemd voor activiteiten dewelke aan de betrokken persoon een verantwoordelijkheid tegenover minderjarigen geven, uit te breiden. Niettemin zal ook dit uittreksel de opschortingen van de uitspraak van de veroordeling, de eenvoudige schuldverklaringen en de veroordelingen uitgesproken in het buitenland ten laste van Belgen, vermelden wanneer deze beslissingen feiten betreffen bedoeld in dit lid. Deze drie nieuwe te vermelden gegevens veronderstellen minstens de schuld van de betrokkene : hij werd schuldig bevonden aan de feiten » (ibid., p. 9).

Derde middel

B.9. Met het derde middel klaagt de verzoekende partij aan dat artikel 6, 1°, van de bestreden wet van 31 juli 2009, dat artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering vervangt, bepaalt dat een specifiek uittreksel uit het strafregister, het zogeheten « model 2 », dat meer gegevens dan de gewone uittreksels bevat, wordt overhandigd aan de particulieren die de uitreiking ervan aanvragen teneinde toegang te krijgen tot een activiteit die onder opvoeding, psycho-medisch-sociale begeleiding, hulpverlening aan de jeugd, kinderbescherming, animatie of begeleiding van minderjarigen valt. Zij is van mening dat die bepaling een schending inhoudt van de artikelen 10, 11, 22, 23, derde lid, 1°, en 24, § 4, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 5 van het Verdrag van 28 januari 1981 tot bescherming van personen ten opzichte van de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens en met artikel 6, lid 1, b), van de richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens.

B.10.1. De Ministerraad is van mening dat het middel onontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet, aangezien de verzoekende partij niet uiteenzet welke categorieën van personen zij wenst te vergelijken en waaruit de aangeklaagde discriminatie zou bestaan.

In zoverre de bijzondere bepalingen met betrekking tot de uittreksels uit het strafregister « model 2 » in het middel worden bekritiseerd, is het voldoende duidelijk dat daarin een discriminatie wordt aangeklaagd tussen de personen die dat soort van uittreksel uit het strafregister moeten voorleggen, wat met name het geval is wanneer naar een functie in het onderwijs wordt gesolliciteerd, en de personen aan wie wordt gevraagd een uittreksel uit het strafregister « model 1 » voor te leggen.

B.10.2. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, dient het middel niet onontvankelijk te worden verklaard omdat de geformuleerde grieven eveneens tegen het vroegere artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, zoals vervangen bij het bestreden artikel 6, 1°, konden worden geformuleerd. Door die bepaling aan te nemen, die gedeeltelijk overeenstemt met die welke zij vervangt, is de wetgever opnieuw wetgevend opgetreden en heeft hij zich de vroegere bepalingen met een soortgelijke draagwijdte opnieuw eigen gemaakt.

B.10.3. Ten slotte blijkt uit de memories die door de Ministerraad zijn ingediend, dat hij kon antwoorden op de grieven die door de verzoekende partij in dat derde middel zijn geformuleerd, zodat de exceptie die is afgeleid uit het onduidelijke karakter van het middel, niet kan worden ingewilligd.

B.11.1. In het eerste onderdeel van het derde middel wordt aangeklaagd dat de bestreden bepaling indirect een beroepsverbod in het leven roept voor de personen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een beslissing die op het uittreksel uit het strafregister « model 2 » moet voorkomen, zelfs indien de rechter het niet noodzakelijk zou hebben geacht om een in artikel 382bis van het Strafwetboek bedoeld verbod uit te spreken, of zelfs de opschorting van de uitspraak zou hebben toegekend om de reputatie van de beklaagde niet te schaden.

B.11.2. Door het uittreksel uit het strafregister « model 2 » in te voeren, heeft de wetgever geprobeerd « een juist evenwicht [...] [te vinden] tussen de verschillende belangen, met name : de bescherming van het kind; het recht op arbeid en op vrije keuze ervan; de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer; het vermoeden van onschuld » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1997/003, p. 6). De invoering van dat specifieke uittreksel bestemd voor personen die solliciteren naar een betrekking of activiteit waarbij zij in contact komen met minderjarigen, is sinds het aannemen van de wet van 8 augustus 1997 betreffende het Centraal Strafregister door de wetgever noodzakelijk geacht aangezien « op het stuk van seksueel misbruik en geweld ten aanzien van kinderen [...] bepaalde vormen van recidive efficiënter [moeten] worden bestreden » (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 988/4, p. 7).

B.11.3. De bescherming van minderjarigen tegen elke vorm van misbruik en geweld gepleegd te hunnen aanzien, is een legitiem doel dat dat verschil in behandeling tussen de personen die de uitreiking van een uittreksel « model 1 » en diegenen die de uitreiking van een uittreksel « model 2 » aanvragen, kan verantwoorden. De wetgever vermocht, gezien de omvang van de schade die de minderjarige slachtoffers van dergelijke handelingen lijden, alle maatregelen te nemen teneinde de risico's van herhaling ten aanzien van personen die in het verleden schuldig zijn bevonden aan strafbare feiten jegens minderjarigen, te vermijden. Het behoort tot zijn beoordelingsbevoegdheid om te beslissen welke adequate maatregelen moeten worden genomen om dat risico van herhaling te beperken. In dat opzicht is het volledig informeren van de verantwoordelijken van instellingen of organisaties waar activiteiten bestemd voor minderjarigen plaatsvinden, over feiten waaraan de kandidaten voor een betrekking of een activiteit in die instellingen of organisaties zich schuldig hebben gemaakt jegens minderjarigen, een adequaat middel om die risico's te verminderen.

Het verschil in behandeling tussen de personen aan wie kan worden gevraagd een uittreksel uit het strafregister « model 2 » voor te leggen en diegenen aan wie niet wordt gevraagd een dergelijk uittreksel voor te leggen, berust op het feit dat de eerstgenoemden solliciteren naar een betrekking of vragen om verantwoordelijkheid in een sector waarin zij in contact komen met minderjarigen. Het criterium van onderscheid is dus relevant ten opzichte van het met de bestreden bepaling nagestreefde doel van bescherming van minderjarigen. De artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet zijn niet geschonden.

B.11.4. Er kan niet worden ontkend dat, zoals de verzoekende partij aanvoert, de vermelding van de bekritiseerde gegevens op het uittreksel uit het strafregister « model 2 » tot gevolg zal hebben dat bepaalde personen nog meer moeilijkheden zullen ondervinden om een betrekking te vinden op het gebied van onderwijs en opvoeding en in de activiteitensectoren waarin zij in contact komen met minderjarigen. Een dergelijk gevolg houdt een aantasting van het privéleven en van de vrije beroepskeuze van de betrokkenen in. Het legitieme doel dat erin bestaat de veiligheid te verzekeren van de minderjarigen die aan die instellingen of organisaties worden toevertrouwd of die ze bezoeken, verantwoordt evenwel dat de personen die daarvoor verantwoordelijk zijn, over volledige informatie beschikken die het hun mogelijk maakt om niet over de gevaarlijkheid in abstracto van de persoon die bij hen solliciteert, te oordelen, hetgeen de rechter eventueel reeds heeft gedaan door te beslissen om geen beroepsverbod uit te spreken, maar wel over het feit of het, rekening houdend met de kenmerken van hun instelling, opportuun is hem een functie of een verantwoordelijkheid toe te vertrouwen waarbij hij in contact zou komen met minderjarigen.

B.11.5. Ten slotte komt de invoering van een specifiek uittreksel uit het strafregister « model 2 » dat die gegevens bevat, tegemoet aan de bekommernis om de betrokkenen niet op onevenredige wijze te stigmatiseren, aangezien zij, voor alle andere gevallen waarin zij ertoe zullen worden gebracht om een uittreksel uit het strafregister te moeten voorleggen, een uittreksel « model 1 » kunnen verkrijgen, waarop de in het geding zijnde gegevens niet of niet meer worden weergegeven na het verstrijken van een bepaalde termijn.

B.11.6. Uit het voorafgaande vloeit voort dat de inmenging in het recht op het privéleven en in het recht op de vrije keuze van beroepsarbeid van de betrokkenen niet onevenredig is, zodat de artikelen 22 en 23, derde lid, 1°, van de Grondwet niet zijn geschonden.

B.12.1. In het tweede onderdeel van het derde middel wordt aangeklaagd dat de bestreden bepaling onvoldoende voorzienbaar is, een corollarium van het bij de artikelen 22 en 23 van de Grondwet gewaarborgde wettigheidsbeginsel, omdat daarin niet de gevallen worden vermeld waarin een uittreksel uit het strafregister « model 2 » door de potentiële werkgever kan worden aangevraagd. De verzoekende partij wijst erop dat dat beginsel van voorzienbaarheid wordt bevestigd bij artikel 5 van het Verdrag van 28 januari 1981 tot bescherming van personen ten opzichte van de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens en bij artikel 6 van de Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, in zoverre die twee bepalingen de verplichting opleggen om vooraf het doel van elke gegevensbank vast te stellen en het gebruik van de verzamelde gegevens voor andere doeleinden te beperken.

B.12.2. Door te waarborgen dat iedereen recht heeft op de eerbiediging van zijn privé- en gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald bij de wet, stelt artikel 22, eerste lid, van de Grondwet een vereiste van wettigheid en van voorzienbaarheid waaraan elke inbreuk op dat recht moet voldoen.

Artikel 23 van de Grondwet is vreemd aan de aangevoerde grieven.

Artikel 5 van het voormelde Verdrag van 28 januari 1981 bepaalt :

« Persoonsgegevens die langs geautomatiseerde weg worden verwerkt, dienen :

a) op eerlijke en wettige wijze te worden verkregen en verwerkt;

b) te worden opgeslagen voor duidelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden en niet te worden gebruikt op een wijze die onverenigbaar is met die doeleinden;

c) toereikend, ter zake dienend en niet overmatig te zijn, uitgaande van de doeleinden waarvoor zij worden opgeslagen;

d) nauwkeurig te zijn en, zo nodig, te worden bijgewerkt;

e) te worden bewaard in een zodanige vorm dat de betrokkene hierdoor niet langer te identificeren is dan strikt noodzakelijk is voor het doel waarvoor de gegevens zijn opgeslagen ».

Artikel 6, lid 1, b), van de voormelde Richtlijn 95/46/EG bepaalt :

« De Lid-Staten bepalen dat de persoonsgegevens :

[...]

b) voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden moeten worden verkregen en vervolgens niet worden verwerkt op een wijze die onverenigbaar is met die doeleinden. Verdere verwerking van de gegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden wordt niet als onverenigbaar beschouwd, mits de Lid-Staten passende garanties bieden ».

B.12.3. Artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering bepaalt dat het uittreksel uit het strafregister « model 2 » wordt uitgereikt wanneer het wordt aangevraagd « ten einde toegang te krijgen tot een activiteit die onder opvoeding, psycho-medisch-sociale begeleiding, hulpverlening aan de jeugd, kinderbescherming, animatie of begeleiding van minderjarigen valt ». Zodoende omschrijft het in duidelijke en voldoende precieze bewoordingen het doel van de invoering van het uittreksel uit het strafregister « model 2 », alsook de gevallen waarin door de verantwoordelijke van een jeugdorganisatie of van activiteiten bestemd voor minderjarigen kan worden vereist dat een persoon die solliciteert naar een betrekking, een functie of een verantwoordelijkheid, een uittreksel uit het strafregister « model 2 » in plaats van een uittreksel uit het strafregister « model 1 » moet voorleggen.

De in het tweede onderdeel van het derde middel aangevoerde normen zijn dus niet geschonden.

B.12.4. Voor het overige is de kritiek, in zoverre daarin het feit wordt aangeklaagd dat de wet betreffende het centraal strafregister niet nauwkeurig de gevallen regelt waarin een uittreksel uit het strafregister van particulieren kan worden vereist, niet tegen de bestreden bepaling gericht en dient zij dus niet te worden onderzocht.

B.13.1. Via het derde onderdeel van het derde middel klaagt de verzoekende partij een onevenredige aantasting van het recht op eerbiediging van het privéleven en van het recht op de vrije beroepskeuze aan daar het nagestreefde doel voldoende zou worden verwezenlijkt door de mogelijkheid voor de rechter om een verbod uit te spreken of om de naleving van door de probatiediensten gecontroleerde voorwaarden op te leggen.

B.13.2. Rekening houdend met het belang van het doel van bescherming van de veiligheid en van de fysieke en psychische integriteit van minderjarigen dat hij nastreefde, vermocht de wetgever te oordelen dat het noodzakelijk was om de verantwoordelijken van instellingen of van activiteiten in de jeugdsector volledig te informeren over de personen aan wie zij verantwoordelijkheden ten aanzien van minderjarigen toevertrouwen of die zij geregeld in contact brengen met minderjarigen. In dat opzicht kan de rechter, door de mogelijkheid die hij heeft om een beroepsverbod uit te spreken wanneer de verdachte schuldig wordt bevonden aan een van de in artikel 382bis van het Strafwetboek opgesomde misdrijven, de toegang tot bepaalde beroepen op algemene wijze verbieden. Daarentegen kan de doelstelling om het risico van herhaling te weren, verantwoorden dat de verantwoordelijken van de instellingen of organisaties waaraan minderjarigen worden toevertrouwd, op specifieke wijze gelet op de kenmerken van de instelling en van de betrekking of de overwogen functie, kunnen oordelen of het opportuun is om een verantwoordelijkheid binnen hun instelling toe te vertrouwen aan de betrokkene, rekening houdend met de strafbare feiten waaraan die persoon zich in het verleden schuldig zou hebben gemaakt.

B.13.3. Het derde middel is niet gegrond.

Vierde middel

B.14.1. In het vierde middel wordt aangeklaagd dat artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, dat de inhoud van de uittreksels uit het strafregister « model 2 » bepaalt, erin voorziet dat de eenvoudige schuldigverklaringen uitgesproken met toepassing van artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, wanneer zij betrekking hebben op feiten die zijn gepleegd ten aanzien van een minderjarige en voor zover dit een constitutief element van de inbreuk is of de straf verzwaart, zonder enige beperking in de tijd op die uittreksels voorkomen, terwijl die beslissingen, met toepassing van artikel 595, tweede lid, niet langer op de uittreksels uit het strafregister « model 1 » worden vermeld na een termijn van drie jaar vanaf de datum van de definitieve rechterlijke beslissing waarbij zij zijn uitgesproken. De verzoekende partij is van mening dat dat gebrek aan beperking in de tijd een schending inhoudt van de artikelen 10, 11, 22 en 23, derde lid, 1°, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14, lid 3, c), van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

B.14.2. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, moet het middel niet onontvankelijk worden verklaard wegens laattijdigheid. Het is immers niet gericht tegen de artikelen 619 en 621 van het Wetboek van strafvordering, maar wel tegen artikel 6, 1°, van de bestreden wet, dat bepaalt dat de beslissingen inzake eenvoudige schuldigverklaringen die betrekking hebben op feiten gepleegd ten aanzien van een minderjarige, worden vermeld op de uittreksels uit het strafregister « model 2 », zonder beperking in de tijd.

Bovendien is het middel voldoende duidelijk in zoverre het de personen aan wie uittreksels zijn uitgereikt uit het strafregister « model 1 », waarop de vermelding van de eenvoudige schuldigverklaringen niet meer voorkomt na een termijn van drie jaar, vergelijkt met de personen aan wie uittreksels uit het strafregister « model 2 » zijn uitgereikt.

B.15.1. Om de in B.11 uiteengezette redenen, is het redelijk verantwoord dat de wetgever ernaar streeft om de personen die verantwoordelijk zijn voor instellingen of organisaties waaraan minderjarigen worden toevertrouwd, volledig te informeren, teneinde de risico's van herhaling door daders van jegens minderjarigen gepleegde strafbare feiten zo veel mogelijk te beperken. In dat opzicht dient het informeren van de betrokken verantwoordelijken in de eerste plaats te slaan op de gepleegde feiten en op de ernst ervan. De omstandigheid dat die zijn vastgesteld naar aanleiding van een procedure waarbij de grenzen van de redelijke termijn zijn overschreden, zodat de rechter, met toepassing van artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, een eenvoudige schuldigverklaring ten aanzien van de beklaagde heeft uitgesproken, doet niets af aan het belang van die informatie voor de verwezenlijking van het doel van bescherming van minderjarigen. De verantwoordelijken van instellingen of organisaties, voor wie die informatie bestemd is, zullen bovendien in staat zijn om, met kennis van zaken, door met name rekening te houden met de concrete situatie van de betrokkenen, met de functie of met de betrekking waarnaar wordt gesolliciteerd, maar ook met de ouderdom van de feiten, te oordelen of het opportuun is om positief op de sollicitatie te antwoorden.

Dat verschil in behandeling is niet zonder redelijke verantwoording.

B.15.2. Er moet evenwel worden opgemerkt dat indien de dader van strafbare feiten gepleegd ten aanzien van een minderjarige was berecht aan het einde van een procedure waarbij de redelijke termijn niet was overschreden, hij wegens die feiten een veroordeling zou hebben opgelopen. In dat geval zou hij later, en mits aan een aantal strikte voorwaarden is voldaan, de mogelijkheid hebben gehad om zijn herstel in eer en rechten aan te vragen en in voorkomend geval te verkrijgen met toepassing van de artikelen 621 tot 634 van het Wetboek van strafvordering. Het herstel in eer en rechten heeft tot gevolg dat het verhindert dat de veroordelingen waarop het betrekking heeft, op de uittreksels uit het strafregister van de betrokkene worden vermeld. Zoals bij het onderzoek van het tweede middel is opgemerkt, worden de personen die het voorwerp van een eenvoudige schuldigverklaring met toepassing van artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering uitmaken, evenwel niet veroordeeld, zodat zij evenmin hun herstel in eer en rechten kunnen aanvragen.

Hoewel dat verschil in behandeling niet discriminerend is in zoverre het betrekking heeft op de uittreksels uit het strafregister « model 1 », om de bij het onderzoek van het tweede middel uiteengezette redenen, geldt dat niet met betrekking tot de uittreksels uit het strafregister « model 2 ». Op die uittreksels worden de eenvoudige schuldigverklaringen, wanneer zij betrekking hebben op feiten gepleegd jegens minderjarigen, immers weergegeven zonder enige beperking in de tijd, zonder dat de betrokkene enige mogelijkheid heeft om de uitwissing ervan of zijn herstel in eer en rechten aan te vragen, zelfs na het verstrijken van een vrij lange termijn. Daaruit volgt dat de persoon die wegens dezelfde feiten is veroordeeld, gunstiger wordt behandeld dan die welke het voorwerp van een eenvoudige schuldigverklaring heeft uitgemaakt, zonder dat er voor dat verschil in behandeling een redelijke verantwoording bestaat.

B.15.3. Het staat aan de wetgever een einde te maken aan de vastgestelde discriminatie. Die vindt haar oorsprong niet in de bestreden bepaling, maar wel in de ontstentenis van een bepaling die het de betrokkene mogelijk maakt om, onder bepaalde voorwaarden, de schrapping van de vermelding van de schuldigverklaring in het uittreksel uit het strafregister « model 2 » te verkrijgen.

Vijfde middel

B.16.1. In het vijfde middel wordt aangeklaagd dat artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, zoals vervangen bij artikel 6, 1°, van de bestreden wet, bepaalt dat de beslissingen tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling of tot probatieopschorting op de aan de particulieren uitgereikte uittreksels uit het strafregister « model 2 » worden vermeld. De verzoekende partij is van mening dat die opname de artikelen 10, 11, 22 en 23, derde lid, 1°, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schendt.

B.16.2. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, is het middel voldoende duidelijk in zoverre de situatie van de personen die het voorwerp van een beslissing tot opschorting of tot probatieopschorting van de uitspraak van de veroordeling hebben uitgemaakt en die de uitreiking van een uittreksel uit het strafregister « model 2 » aanvragen, daarin wordt vergeleken met die van de personen die effectief zijn veroordeeld.

B.17.1. Om de in B.11 uiteengezette redenen, is het redelijk verantwoord dat de wetgever ernaar streeft om de personen die verantwoordelijk zijn voor instellingen of organisaties waaraan minderjarigen worden toevertrouwd, volledig te informeren, teneinde de risico's van herhaling door daders van jegens minderjarigen gepleegde strafbare feiten zo veel mogelijk te beperken. In dat opzicht dient het informeren van de betrokken verantwoordelijken in de eerste plaats te slaan op de gepleegde feiten en op de ernst ervan. De beslissing van de rechter om aan de beklaagde een gunstmaatregel toe te kennen door de opschorting van de uitspraak van de veroordeling te gelasten, is weliswaar een element dat door de verantwoordelijke in aanmerking zal kunnen worden genomen, maar, rekening houdend met het belang van het door de wetgever nagestreefde doel met betrekking tot de bescherming van de fysieke en psychische integriteit van de minderjarigen die aan hem worden toevertrouwd, is het niet onredelijk dat hij over volledige informatie kan beschikken waardoor hij concreet kan oordelen over de opportuniteit om een functie of een betrekking waarbij de betrokkene met die minderjarigen in contact komt, aan hem toe te vertrouwen.

B.17.2. De informatie over de beslissingen tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling of tot probatieopschorting komt, met toepassing van de bestreden bepaling, enkel voor op de uittreksels uit het strafregister « model 2 ». Zij vormt dus enkel een aantasting van het recht op eerbiediging van het privéleven, van het recht op de vrije keuze van beroepsarbeid of van het recht op een eerlijk proces van de betrokkene in zoverre die toegang wenst te krijgen tot een activiteit waarbij hij in contact komt met minderjarigen en waarbij hij, eventueel, gezag over hen krijgt. In alle andere gevallen waarin de persoon die een dergelijke door de rechter uitgesproken maatregel heeft genoten, ertoe zal worden gebracht een uittreksel uit het strafregister voor te leggen, zal hij een uittreksel « model 1 » voorleggen, waarop de in het geding zijnde gegevens niet voorkomen, zodat de maatregel tot opschorting of tot probatieopschorting, op al die gebieden, volkomen uitwerking zal kunnen hebben en de betrokkene ten goede zal kunnen komen door zijn sociale en beroepsreclassering in de hand te werken.

Daaruit vloeit voort dat de in het geding zijnde bepaling geen onevenredige gevolgen heeft.

B.17.3. Het vijfde middel is niet gegrond.

Zesde middel

B.18.1. Via het zesde middel klaagt de verzoekende partij aan dat artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, zoals vervangen bij artikel 6, 1°, van de bestreden wet, bepaalt dat het feit dat een persoon het voorwerp uitmaakt van een verbod om een activiteit uit te oefenen waarbij hij in contact zou komen met minderjarigen, waartoe is besloten door een rechter of een onderzoeksgerecht als alternatief voor een maatregel inzake voorlopige hechtenis, op de uittreksels uit het strafregister « model 2 » wordt vermeld tot op het ogenblik dat het daaropvolgende vonnis kracht van gewijsde heeft verkregen, zonder daarbij in aanmerking te nemen of de rechter die tot het in het geding zijnde verbod heeft besloten, ertoe zou kunnen worden gebracht om het niet te verlengen of om het in te trekken naar gelang van de evolutie van het onderzoek. Zij is van mening dat de vermelding van het verbod op de uittreksels uit het strafregister « model 2 », terwijl het verbod zou zijn opgeheven vóór het ogenblik waarop het daaropvolgende vonnis kracht van gewijsde heeft verkregen, de artikelen 10, 11, 22 en 23, derde lid, 1°, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schendt.

B.18.2. Het bezwaar van de Ministerraad dat is afgeleid uit het gebrek aan een uitdrukkelijke vergelijking in het in het verzoekschrift uiteengezette betoog, kan niet worden aangenomen aangezien ook de schending van de grondrechten op eerbiediging van het privéleven, op de vrije keuze van beroepsarbeid en op een eerlijk proces wordt aangeklaagd. De categorie van personen van wie die grondrechten zouden zijn geschonden, moet worden vergeleken met die categorieën van personen die een dergelijke schending niet moeten ondergaan.

B.19.1. Artikel 35, § 1, eerste lid, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis bepaalt :

« In de gevallen waarin voorlopige hechtenis kan worden bevolen of gehandhaafd onder de in artikel 16, § 1, bepaalde voorwaarden, kan de onderzoeksrechter ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de verdachte, de betrokkene in vrijheid laten onder oplegging van een of meer voorwaarden voor de tijd die hij bepaalt en maximum voor drie maanden ».

Bij artikel 8 van de wet van 31 juli 2009, dat niet wordt bestreden, wordt die bepaling aangevuld met een tweede lid dat bepaalt :

« Hij kan de betrokkene verbieden om een activiteit uit te oefenen waarbij hij in contact zou komen met minderjarigen ».

B.19.2. De vermelding van dat verbod op de uittreksels uit het strafregister « model 2 » beantwoordt aan de doelstelling om de effectiviteit van dat door de onderzoeksrechter uitgesproken verbod te verzekeren als voorwaarde die het de betrokkene mogelijk maakt om geen voorlopige hechtenis te ondergaan. Zij kan op zich niet worden bekritiseerd, en vormt trouwens niet het onderwerp van de grief van de verzoekende partij.

B.19.3. Daarentegen voorziet artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, zoals vervangen bij de bestreden bepaling, in zoverre het bepaalt dat « het verbod [...] op het uittreksel [dient] te worden vermeld tot op het moment dat de daarop volgende rechterlijke uitspraak kracht van gewijsde heeft verkregen », niet in het geval waarin dat verbod wordt opgeheven of niet wordt verlengd tijdens de onderzoeks- of de berechtingsfase. In dat geval is het niet verantwoord dat het op de uittreksels uit het strafregister « model 2 » blijft voorkomen tot op het ogenblik dat het daaropvolgende vonnis kracht van gewijsde heeft verkregen, aangezien dat ogenblik erg veraf kan zijn. Wanneer dat verbod wordt opgeheven of niet wordt verlengd, dient het te worden geschrapt uit het uittreksel uit het strafregister « model 2 ».

In zoverre de bestreden bepaling voorziet in het behoud van die vermelding « tot op het moment dat de daarop volgende rechterlijke uitspraak kracht van gewijsde heeft verkregen », schendt zij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het is derhalve niet nodig te onderzoeken of zulks bovendien een schending zou uitmaken van de artikelen 22 en 23, derde lid, 1°, of van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.19.4. Het zesde middel is gegrond.

In artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, vervangen bij artikel 6, 1°, van de wet van 31 juli 2009 betreffende diverse bepalingen met betrekking tot het Centraal Strafregister, dienen de woorden « tot op het moment dat de daarop volgende rechterlijke uitspraak kracht van gewijsde heeft verkregen » te worden vernietigd, zodat die bepaling voortaan in die zin moet worden begrepen dat zij erin voorziet dat de vermelding van het verbod wordt geschrapt uit het uittreksel uit het strafregister « model 2 » zodra het verbod wordt opgeheven of wanneer het niet wordt verlengd.

Om die redenen,

het Hof

- vernietigt in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, vervangen bij artikel 6, 1°, van de wet van 31 juli 2009 betreffende diverse bepalingen met betrekking tot het Centraal Strafregister, de woorden « tot op het moment dat de daarop volgende rechterlijke uitspraak kracht van gewijsde heeft verkregen »;

- onverminderd de in B.15.2 vastgestelde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, verwerpt het beroep voor het overige.

Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 13 januari 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Melchior

Vrije woorden

  • Beroep tot vernietiging van de artikelen 2, 2°, 4, 1°, 5, 1°, en 6 van de wet van 31 juli 2009 betreffende diverse bepalingen met betrekking tot het Centraal Strafregister, ingesteld door de vzw « Ligue des Droits de l'Homme ». Strafrecht

  • Centraal Strafregister

  • 1. Opnemen van de eenvoudige schuldigverklaringen

  • Ontstentenis van mogelijkheid tot uitwissing of herstel in eer en rechten

  • 2. Uittreksel uit het strafregister « model 2 »

  • a. Vermeldingen

  • i. Opschorting van de uitspraak

  • ii. Maatregel, als alternatief voor de voorlopige hechtenis, van verbod om een activiteit in verband met minderjarigen uit te oefenen

  • b. Verplichte overlegging met het oog op de toegang tot een activiteit in verband met minderjarigen. # Rechten en vrijheden

  • 1. Jurisdictionele waarborgen

  • a. Redelijke termijn

  • b. Recht op een eerlijk proces

  • 2. Recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven

  • Wettigheidsbeginsel

  • 3. Vrije keuze van beroepsarbeid.