- Arrest van 13 januari 2011

13/01/2011 - 5/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 38, § 5, van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 12 november 2009 in zake het openbaar ministerie tegen Joris Ravets en de nv « Van Gansewinkel », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 5 oktober 2010, heeft de Correctionele Rechtbank te Leuven de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 38, § 5, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, nu de rechter in toepassing van deze bepaling bij een veroordeling wegens een overtreding begaan met een motorvoertuig waarvoor een rijbewijs van een andere categorie dan de categorie B vereist is en die tot verval van het recht tot sturen kan leiden en de schuldige sinds minder dan twee jaar houder is van het rijbewijs B, verplicht is het verval van het recht tot sturen uit te spreken en het herstel van het recht tot sturen minstens afhankelijk moet maken van het slagen voor het theoretisch of praktisch examen, terwijl de rechter niet verplicht is om dit te doen, indien de schuldige voor dezelfde overtreding niet minder dan twee jaar houder is van het rijbewijs B ? ».

Op 21 oktober 2010 hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en J. Spreutels, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen een arrest van onmiddellijk antwoord te wijzen.

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 38, § 5, van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968, zoals ingevoegd bij de wet van 21 april 2007, bepaalt :

« De rechter moet het verval van het recht tot sturen uitspreken en het herstel van het recht tot sturen minstens afhankelijk maken van het slagen voor het theoretisch of praktisch examen indien hij veroordeelt wegens een overtreding begaan met een motorvoertuig die tot een verval van het recht tot sturen kan leiden en de schuldige sinds minder dan twee jaar houder is van het rijbewijs B.

Het eerste lid is niet van toepassing op artikel 38, § 1, 2°, in geval van een verkeersongeval met enkel lichtgewonden.

Het eerste lid is niet van toepassing op de overtredingen van de tweede graad, zoals bedoeld in artikel 29, § 1 ».

B.2. Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de eventuele schending, door artikel 38, § 5, van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968, zoals ingevoegd bij de wet van 21 april 2007, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de rechter, met toepassing van voormeld artikel, bij een veroordeling wegens een overtreding begaan met een motorvoertuig waarvoor een rijbewijs van een andere categorie dan de categorie B is vereist en die tot een verval van het recht tot sturen kan leiden en de overtreder sinds minder dan twee jaar houder is van het rijbewijs B, verplicht is het verval van het recht tot sturen uit te spreken en het herstel van het recht tot sturen minstens afhankelijk moet maken van het slagen voor het theoretische of praktische examen, terwijl de rechter daartoe niet is verplicht indien de schuldige voor dezelfde overtreding meer dan twee jaar houder is van het rijbewijs B.

B.3. De keuze van de wetgever wordt in de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling als volgt uiteengezet :

« Kennis en vaardigheid zijn betrouwbaar te testen op het rijexamen, maar attitude en gedrag zijn dat niet. Daarom wordt het eerste jaar dat men zijn rijbewijs heeft behaald beschouwd als een jaar waarbinnen de praktijk moet uitwijzen of de nieuwe, meestal ook jonge, bestuurder een veilige rijstijl heeft ontwikkeld.

Is dat niet het geval, dan moet hij zijn theoretisch en/of praktisch rijexamen opnieuw afleggen.

Onder meer de volgende overtredingen komen volgens de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer in aanmerking voor een verval van het recht tot sturen :

- alcohol en dronkenschap in het verkeer;

- overtredingen van de tweede, derde of vierde graad;

- drugs in het verkeer;

- een radarverklikker aan boord hebben;

- verkeersongevallen met doden of ernstige gewonden veroorzaken;

- recidive (reeds drie keer veroordeeld in het jaar voorafgaand aan de overtreding);

- rijden zonder houder te zijn van een rijbewijs of rijden terwijl men medisch ongeschikt is;

- vluchtmisdrijf;

- de toegelaten maximumsnelheid met meer dan 30 kilometer per uur overschrijden;

- de toegelaten maximumsnelheid met meer dan 20 kilometer per uur overschrijden in een bebouwde kom, zone 30 of woonerf » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2836/001, p. 4).

Een amendement werd aangenomen dat de vermelde termijn van een op twee jaar brengt (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2836/002).

B.4. Zoals het Hof in zijn arrest nr. 163/2009 van 20 oktober 2009 heeft geoordeeld, wordt de maatregel van het verval van het recht tot besturen van een motorvoertuig verantwoord door de bekommernis verkeersongevallen te verminderen en op die manier de verkeersveiligheid te bevorderen.

De in het geding zijnde maatregel strekt ertoe bestuurders met een geringe ervaring in het wegverkeer aan een strenger toezicht te onderwerpen dan andere bestuurders. Door de eerstgenoemde bestuurders te verplichten, wanneer zij wegens bepaalde overtredingen zijn veroordeeld, hun theoretische kennis of praktische vaardigheden opnieuw te bewijzen, draagt de maatregel bij tot een verbetering van de veiligheid van de andere weggebruikers en van de verkeersveiligheid in het algemeen. De maatregel is bovendien beperkt tot bestuurders die bepaalde ernstige verkeersovertredingen hebben begaan.

Aan de andere bestuurders die wegens dezelfde overtredingen zijn veroordeeld, kan precies dezelfde verplichting worden opgelegd, alleen behoort het dan tot de beoordelingsvrijheid van de rechter om die verplichting al dan niet op te leggen.

Gelet op de doelstelling van de in het geding zijnde maatregel, leidt de keuze van de wetgever om de beoordelingsvrijheid van de rechter ten aanzien van een bepaalde categorie van veroordeelden uit te sluiten, niet tot een kennelijk onredelijk verschil in behandeling of tot een kennelijk onevenredige straf.

B.5. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 38, § 5, van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 13 januari 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 38, § 5, van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968, zoals ingevoegd bij de wet van 21 april 2007, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Leuven. Strafrecht

  • Politie over het wegverkeer

  • Verkeersmisdrijven

  • Zware overtredingen

  • 1. Verval van het recht tot sturen

  • 2. Schuldige die sinds minder dan twee jaar houder is van het rijbewijs B

  • 3. Herstel van het recht tot sturen

  • Slagen voor het theoretisch of praktisch examen

  • Geen beoordelingsvrijheid van de rechter.