- Arrest van 24 januari 2011

24/01/2011 - 30/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 67 van de wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen, dat terugwerkende kracht verleent aan artikel 26 van de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 14 april 2010 in zake de nv « Spector Coördinatiecentrum » tegen de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 20 april 2010, heeft de Arbeidsrechtbank te Dendermonde de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 26 van de wet van 13 februari 1998 houdende de bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling de artikelen 10 en 11, alsook artikel 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang met artikel 1 van het eerste protocol bij het E.V.R.M. en met het rechtszekerheidsbeginsel, in zoverre het voornoemde artikel 26 het artikel 29, § 1, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen aanpast door aan de oorspronkelijke regeling voor het bekomen van bijdrageverminderingen ingesteld door het voornoemde artikel 29, § 1, een voorwaarde toe te voegen en dit op retro-actieve wijze waar artikel 67 van de wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen aan voornoemd artikel 26 retro-activiteit verleent vanaf 1 januari 1997, ten aanzien van de werkgevers die wél aan de voorwaarden voldeden om onder de oorspronkelijke regeling bijdragevermindering te genieten, maar dat in de aangepaste regeling niet meer doen omdat ze onmogelijk kunnen voldoen aan de toegevoegde voorwaarde aangezien de vervulling daarvan in het verleden ligt, in casu dat de werkgever in alle kwartalen van 1996 personeel diende te werk te stellen ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. De prejudiciële vraag betreft de terugwerkende kracht die artikel 67 van de wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen toekent aan artikel 26 van de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling, dat op zijn beurt artikel 29, § 1, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen wijzigt.

Artikel 26 van de wet van 13 februari 1998 bepaalt :

« Artikel 29, § 1, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, wordt vervangen door de volgende bepaling :

' § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de werkgevers en de werknemers op wie de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités van toepassing is en voor zover deze werkgevers in elk van de vier kwartalen van 1996 hebben tewerkgesteld andere dan werknemers die hoofdzakelijk prestaties verrichten voor de huishouding van de werkgever of diens gezin, en de personen bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.

In de zin van dit artikel wordt verstaan onder personeel hebben tewerkgesteld, voor elk van de vier kwartalen van 1996 bij de RSZ ten minste één dag moeten aangegeven hebben zoals bedoeld in artikel 24 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met uitzondering van de dagen gedekt door de vergoedingen bedoeld in artikel 19, § 2, 2°, a), b), d) en e) van dit besluit. ' ».

Aangezien het oorspronkelijke artikel 29, § 1, van de wet van 26 juli 1996 niet vereiste dat de werkgevers in elk van de vier kwartalen van 1996 werknemers tewerk dienden te stellen, houdt de wijziging bij de wet van 13 februari 1998 een beperking van het materiële toepassingsgebied van die bepaling in.

B.1.2. In het arrest nr. 111/99 van 14 oktober 1999 heeft het Hof een beroep tot vernietiging van artikel 26 van de wet van 13 februari 1998, gebaseerd op de schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, verworpen. Het Hof oordeelde dat artikel 26 van de wet van 13 februari 1998, net zoals de tewerkstellingsakkoorden zelf, tot doel had de beschikbare arbeid over zoveel mogelijk werknemers te (her)verdelen, en dat de wetgever « in redelijkheid [vermocht] te oordelen dat de ondernemingen die hun bedrijvigheid niet tijdens de vier kwartalen van 1996 uitoefenden, niet beschikten over een voldoende stabiel werknemerspotentieel waardoor zij daadwerkelijk aan de met de maatregel beoogde arbeidsherverdeling zouden kunnen doen ».

Met betrekking tot het argument van de verzoekende partijen dat ondernemingen die voldoen aan alle begin 1997 en 1998 bestaande wettelijke en conventionele voorwaarden inzake tewerkstelling en aanwerving, zouden worden geconfronteerd met een wetgevend initiatief dat retroactieve werking heeft, oordeelde het Hof in dat arrest het volgende :

« Uit geen van de bepalingen met betrekking tot de inwerkingtreding kan worden afgeleid dat de wetgever aan de bestreden bepaling als dusdanig terugwerkende kracht heeft verleend ».

B.1.3. Artikel 67 van de wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen, dat dateert van na het verzoekschrift dat heeft geleid tot het arrest nr. 111/99, heeft vervolgens wel terugwerkende kracht toegekend aan artikel 26 van de wet van 13 februari 1998. Die bepaling luidt immers als volgt :

« Artikel 26 van de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling heeft uitwerking op 1 januari 1997 ».

B.2.1. Artikel 16 van de Grondwet bepaalt :

« Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling ».

Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht.

De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren ».

Aangezien die internationaalrechtelijke bepaling een draagwijdte heeft die analoog is met die van artikel 16 van de Grondwet, vormen de erin vervatte waarborgen een onlosmakelijk geheel met diegene die zijn ingeschreven in die grondwetsbepaling, zodat het Hof, bij zijn toetsing van de in het geding zijnde bepalingen, rekening houdt met de eerstgenoemde.

B.2.2. De niet-retroactiviteit van wetten is een waarborg ter voorkoming van rechtsonzekerheid. Die waarborg vereist dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk is, zodat de rechtzoekende in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien op het tijdstip dat die handeling wordt verricht. De terugwerkende kracht kan enkel worden verantwoord wanneer zij onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang.

B.3.1. De doelstelling van artikel 67 van de wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen werd in de parlementaire voorbereiding als volgt omschreven :

« Het toepassingsgebeid wat betreft de werkgevers die kunnen genieten van de vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid, die in het kader van de tewerkstellingsakkoorden voor de jaren 1997 en 1998 werd toegekend, is vastgelegd bij artikel 29 van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen.

Artikel 26 van de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling heeft dit toepassingsgebied gewijzigd door het toevoegen van de voorwaarde personeel te hebben tewerkgesteld tijdens elk van de vier kwartalen van het jaar 1996 dat bij de RSZ is aangegeven.

Aangezien de inwerkingtreding van dit artikel niet elders in de wet is geregeld, moet deze bepaling sedert 1 maart 1998 verplicht worden toegepast.

Naar de geest van de wet moet de voorwaarde personeel te hebben tewerkgesteld tijdens elk van de vier kwartalen van het jaar 1996 blijkbaar worden toegepast voor het hele jaar 1997 en 1998. Het invoeren van een ongelijke behandeling lijkt in strijd met het doel van de wet.

Deze bepaling moet dan ook terugwerkende kracht hebben tot 1 januari 1997, datum waarop de volledige maatregel betreffende de verminderingen van werkgeversbijdragen die in het kader van de tewerkstellingsakkoorden 1997-1998 werden toegekend, in werking is getreden » (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1722/1, p. 11).

B.3.2. De wetgever heeft willen vermijden dat als gevolg van de wijziging van artikel 29, § 1, van de wet van 26 juli 1996 bij artikel 26 van de wet van 13 februari 1998 een onderscheid zou ontstaan op het vlak van de toepassingsvoorwaarden van de bijdragevermindering tussen, enerzijds, de vier kwartalen van 1997 en het eerste kwartaal van 1998, en, anderzijds, het tweede, het derde en het vierde kwartaal van 1998.

B.4.1. Door het temporele toepassingsgebied van de bijkomende toepassingsvoorwaarde gelijk te schakelen met het temporele toepassingsgebied van de ganse regeling betreffende de bijdragevermindering in het kader van de tewerkstellingsakkoorden 1997-1998, heeft de wetgever een maatregel genomen die verantwoord is om dat verschil in behandeling te vermijden.

B.4.2. Het akkoord dat de sociale partners hebben gesloten om de groei van de tewerkstelling te bevorderen, waarvan de tenuitvoerlegging moest worden vergemakkelijkt en ondersteund door de wet van 26 juli 1996, gold overigens voor de periode van 1 januari 1997 tot 31 december 1998. De terugwerkende kracht van de in het geding zijnde bepaling was bijgevolg onontbeerlijk opdat artikel 30 van de wet van 26 juli 1996 op adequate wijze uitwerking kon hebben voor de periode tijdens welke het akkoord van de sociale partners van toepassing was.

B.4.3. Uit het feit dat sommige werkgevers die op grond van de oorspronkelijke bepaling recht hadden op een bijdragevermindering, na de retroactieve wijziging dat recht niet meer bezaten, kan niet worden afgeleid dat de wetgever op onverantwoorde wijze voor de betrokken ondernemingen een met artikel 16 van de Grondwet en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens strijdige eigendomsbeperking of een met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet strijdige rechtsonzekerheid zou hebben ingevoerd.

B.5. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 67 van de wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen, dat terugwerkende kracht verleent aan artikel 26 van de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 24 februari 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 26 van de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling en artikel 67 van de wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Dendermonde. Sociaal recht

  • Sociale zekerheid

  • Financiering

  • Werkgeversbijdragen

  • Bijdragevermindering ingevolge tewerkstellingsakkoorden

  • Voorwaarden

  • Wijziging van de wetgeving

  • Terugwerkende kracht

  • Rechtszekerheid. # Rechten en vrijheden

  • Eigendomsrecht

  • Beperkingen.