- Arrest van 27 januari 2011

27/01/2011 - 10/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

- De artikelen 197 en 198, § 3, van de algemene wet inzake douane en accijnzen, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 18 juli 1977, in die zin geïnterpreteerd dat zij elk rechterlijk toezicht op de wettigheid van de door de politierechter verleende toestemming om bewoonde lokalen te betreden uitsluiten, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

- Dezelfde bepalingen, in die zin geïnterpreteerd dat zij niet elk rechterlijk toezicht op de wettigheid van de door de politierechter verleende toestemming om bewoonde lokalen te betreden uitsluiten, schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

- Dezelfde bepalingen, in die zin geïnterpreteerd dat zij de bescheiden en toelichtingen waarop de toestemming van de politierechter om bewoonde lokalen te betreden is gebaseerd volledig aan het beginsel van de tegenspraak onttrekken, schenden artikel 15 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

- Dezelfde bepalingen, in die zin geïnterpreteerd dat zij de bescheiden en toelichtingen waarop de toestemming van de politierechter om bewoonde lokalen te betreden is gebaseerd niet aan het beginsel van de tegenspraak onttrekken, behoudens wanneer daardoor een ander grondrecht of beginsel op onevenredige wijze zou worden uitgehold, schenden niet artikel 15 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

- Artikel 198, § 3, van de algemene wet inzake douane en accijnzen, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 18 juli 1977, in die zin geïnterpreteerd dat de door de politierechter verleende toestemming niet dient te worden gemotiveerd, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

- Dezelfde bepaling, in die zin geïnterpreteerd dat zij de politierechter niet vrijstelt van de verplichting om de machtiging tot visitatie uitdrukkelijk te motiveren, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

- Artikel 4 van de wet van 22 april 2003 houdende toekenning van de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie aan bepaalde ambtenaren van de Administratie der douane en accijnzen, in die zin geïnterpreteerd dat de observatie door de ambtenaren van douane en accijnzen niet onderworpen is aan de voorwaarden van het Wetboek van strafvordering, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

- Dezelfde bepaling, in die zin geïnterpreteerd dat zij de observatie door de ambtenaren van douane en accijnzen slechts toestaat onder dezelfde voorwaarden als die welke zijn vermeld in het Wetboek van strafvordering, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit rechter E. De Groot, waarnemend voorzitter, voorzitter R. Henneuse, de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, E. Derycke en P. Nihoul, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter M. Melchior, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van rechter E. De Groot,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij vonnis van 13 januari 2010 in zake het openbaar ministerie tegen Bruno Schoenaerts, handelend in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de bvba « Chanval », en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 1 februari 2010, heeft de Correctionele Rechtbank te Turnhout de volgende prejudiciële vragen gesteld :

1. « Schenden de artikelen 197 en 198, § 3, van de algemene wet van (coördinatie bij koninklijk besluit van) 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen, geïnterpreteerd in de zin dat de toestemming van de politierechter [...] het betreden van bewoonde lokalen toelaat zonder mededeling van bescheiden, mondelinge toelichtingen of grondige motivering, of, in geval van mondelinge toelichtingen, kan steunen op mondelinge toelichtingen die niet in het strafdossier worden gevoegd, het recht op onschendbaarheid van de woning zoals vervat in artikel 15 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 EVRM ? »;

2. « Schenden de artikelen 197 en 198, § 3, van de algemene wet van (coördinatie bij koninklijk besluit van) 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen, geïnterpreteerd in de zin dat zij het betreden van bewoonde lokalen toelaat, zonder mededeling van bescheiden, mondelinge toelichtingen of grondige motivering, of, in geval van mondelinge toelichtingen, kan steunen op mondelinge toelichtingen die niet aan het strafdossier worden gevoegd, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6, § 1, EVRM, in zoverre de ingevolge die bepaling door de politierechter afgeleverde toestemming om toegang te verkrijgen tot bewoonde lokalen door geen enkele rechter op haar legaliteit kan worden gecontroleerd, terwijl de huiszoeking afgeleverd in toepassing van artikel 89bis van het Wetboek van Strafvordering kan worden betwist voor de feitenrechter ? »;

3. « Schendt artikel 198, § 3, van de algemene wet van (coördinatie bij koninklijk besluit van) 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6, § 1, EVRM, inzoverre de ingevolge die bepaling door de politierechter afgeleverde toestemming om toegang te krijgen tot bewoonde lokalen niet dient gemotiveerd te worden, terwijl de huiszoeking afgeleverd in toepassing van artikel 89bis van het Wetboek van Strafvordering uitsluitend kan worden afgeleverd bij een met redenen omklede beschikking en enkel wanneer het noodzakelijk is ? »;

4. « Schendt artikel 4 van de wet van 22 april 2003 houdende toekenning van de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie aan bepaalde ambtenaren van de Administratie der douane en accijnzen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6, § 1, en 8 EVRM, in die zin gelezen dat de ambtenaren van Douane en Accijnzen over geen machtiging tot observatie in de zin van artikel 47sexies Sv dienen te beschikken, terwijl artikel 47sexies Sv uitsluitend verwijst naar het opsporingsonderzoek, geleid door de Procureur des Konings terwijl de Administratie der Douane en Accijnzen gemachtigd is een eigen vervolging in te stellen ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen

B.1.1. Artikel 197 van de algemene wet inzake douane en accijnzen, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 18 juli 1977, (hierna : AWDA) bepaalt :

« Met uitzondering van de tolkring, en der gevallen, voorzien bij artikel 174, zullen er geen visitaties in de huizen, erven en panden van particulieren mogen plaats hebben, dan alleen tussen vijf uur 's morgens en negen uur 's avonds, en met machtiging van de rechter in de politierechtbank van het kanton, waarin het te doorzoeken pand of erf gelegen is; die magistraat zal zelf medegaan of zijn griffier, of een ander overheidsambtenaar belasten om de ambtenaar bij de visitatie te vergezellen ».

B.1.2. Artikel 198, § 3, van de AWDA bepaalt :

« In die gevallen dat de machtiging van de rechter in de politierechtbank wordt vereist, zal de schriftelijke aanvraag door een ambtenaar met ten minste de graad van controleur moeten gedaan worden, doch daarentegen door de rechter in de politierechtbank niet worden geweigerd, tenzij op gegronde vermoedens dat zij zonder genoegzame redenen mocht worden gevorderd ».

B.1.3. Artikel 4 van de wet van 22 april 2003 houdende toekenning van de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie aan bepaalde ambtenaren van de Administratie der douane en accijnzen bepaalt :

« 1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 47ter en 40bis van het Wetboek van strafvordering mogen de ambtenaren bedoeld in vorenstaand artikel 3, bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings en van de arbeidsauditeur, onder dezelfde voorwaarden als die vermeld in het Wetboek van strafvordering, bijzondere opsporingsmethoden toepassen die bestaan uit de observatie en de informantenwerking, evenals de uitgestelde tussenkomst behorende tot de andere onderzoeksmethoden.

2. De Koning bepaalt de voorwaarden betreffende de vorming van de ambtenaren bedoeld in vorenstaande punt 1.

3. De Koning kan, bij een na overleg in de Ministerraad vastgesteld besluit, de in vorenstaand artikel 3 bedoelde lijst van ambtenaren aanpassen ».

Ten aanzien van de eerste drie prejudiciële vragen

B.2.1. De eerste drie prejudiciële vragen hebben betrekking op de artikelen 197 en 198, § 3, van de AWDA.

Met de eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of die bepalingen het recht op onschendbaarheid van de woning, zoals vervat in artikel 15 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schenden wanneer zij aldus worden begrepen dat de politierechter het betreden van bewoonde lokalen kan toelaten zonder mededeling van bescheiden, mondelinge toelichtingen of grondige motivering en dat, in geval van mondelinge toelichtingen, de toestemming van de politierechter kan steunen op mondelinge toelichtingen die niet aan het strafdossier worden toegevoegd.

Met de tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of dezelfde bepalingen, wanneer zij op dezelfde wijze worden begrepen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de toestemming om bewoonde lokalen te betreden door geen enkele rechter op haar wettigheid kan worden gecontroleerd, terwijl de huiszoeking, toegestaan met toepassing van artikel 89bis van het Wetboek van strafvordering, voor de feitenrechter kan worden betwist.

Met de derde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 198, § 3, van de AWDA de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de toestemming om bewoonde lokalen te betreden niet dient te worden gemotiveerd, terwijl de huiszoeking, op grond van artikel 89bis van het Wetboek van strafvordering, uitsluitend kan worden toegestaan bij een met redenen omklede beslissing en enkel wanneer zij noodzakelijk is.

B.2.2. De voormelde prejudiciële vragen hebben derhalve betrekking op de voorwaarden tot, de controle op en de motivering van de toestemming om bewoonde lokalen te betreden. Aangezien die aspecten nauw met elkaar zijn verbonden, worden de vragen gezamenlijk behandeld.

B.3.1. De in het geding zijnde bepalingen maken deel uit van de regelgeving over het invorderen van douane- en accijnsrechten, die ertoe strekt de omvang en frequentie van de fraude te bestrijden in deze bijzonder technische en grensoverschrijdende materie, die mede door een uitgebreide Europese regelgeving wordt beheerst.

Een dergelijke doelstelling ontslaat de wetgever evenwel niet van de verplichting de grondrechten van de betrokken personen te eerbiedigen.

B.3.2. Meer in het bijzonder maken de in het geding zijnde bepalingen deel uit van het hoofdstuk « betreffende visitatie en peiling inzake de accijnzen ». De visitatie betreft de bevoegdheid van de ambtenaren van douane en accijnzen om bepaalde plaatsen te bezoeken en onderzoeken. Die plaatsen zijn, enerzijds, « de trafieken en fabrieken, wijngaarden, ongebouwde erven, gebouwde of ongebouwde werkplaatsen, winkels, pakhuizen en alle verdere panden, waarvan het bezit of gebruik onderworpen is aan een aangifte bij of een aanvaarding van administratie der accijnzen, of in welke enig bedrijf wordt uitgeoefend op welks produkt een accijns is gevestigd, of hetwelk, krachtens de wet, aan enige verificatie onderhevig is » (artikel 193 van de AWDA) en, anderzijds, « de huizen, erven en panden van particulieren » (artikel 197 van de AWDA).

De visitatie van de voormelde bedrijfslokalen is niet aan een rechterlijke machtiging onderworpen. De visitatie van huizen, erven en panden van particulieren is onderworpen aan een machtiging van de politierechter, behalve wanneer die huizen gelegen zijn in de tolkring, dit is een smalle strook grondgebied langs de landsgrenzen en het grondgebied van de zee- en luchthavens (artikelen 167 en 197 van de AWDA). Die bepalingen wijken af van de gemeenrechtelijke regel die de huiszoeking aan een rechterlijke machtiging onderwerpt.

B.3.3. In de arresten nrs. 16/2001 en 60/2002 heeft het Hof uitspraak gedaan over de voormelde afwijking. Het heeft met name vastgesteld dat de vrijstelling van de rechterlijke machtiging beperkt is tot hetgeen strikt noodzakelijk is om het in B.3.1 omschreven doel te bereiken, terwijl ook de uitoefening van de visitatiebevoegdheid met voldoende waarborgen ter voorkoming van misbruik is omringd. Daardoor heeft de wetgever een billijk evenwicht tot stand gebracht tussen, enerzijds, de rechten van de betrokken personen en, anderzijds, de noodzaak om op een doeltreffende manier inbreuken op de douanewetgeving te kunnen vaststellen (arrest nr. 16/2001, B.13.7, en arrest nr. 60/2002, B.3.8).

B.3.4. De voorliggende prejudiciële vragen hebben evenwel betrekking op de situatie waarin de visitatie wel aan een rechterlijke machtiging is onderworpen, meer bepaald wanneer zij woningen betreft die niet in de tolkring zijn gelegen.

B.4.1. Artikel 15 van de Grondwet bepaalt :

« De woning is onschendbaar; geen huiszoeking kan plaatshebben dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft ».

Die bepaling wordt voor het Hof aangevoerd in samenhang met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat bepaalt :

« 1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ».

B.4.2. Het recht op de eerbiediging van de woning heeft een burgerrechtelijk karakter in de zin van artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aangezien de uitoefening van het recht van toegang tot bewoonde lokalen een inmenging in dat recht vormt, moeten de daarmee verband houdende betwistingen worden behandeld met naleving van de in die bepaling vervatte waarborgen.

B.4.3. Zoals het Hof in het arrest nr. 171/2008 van 3 december 2008, met betrekking tot een soortgelijke bepaling van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie, heeft vastgesteld, houden de waarborgen van artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens met name in dat de betrokkenen een daadwerkelijke jurisdictionele controle, zowel in feite als in rechte, kunnen verkrijgen op de regelmatigheid van de beslissing waarmee de toegang tot bewoonde lokalen wordt toegestaan, alsook, in voorkomend geval, van de maatregelen die op grond daarvan zijn genomen. Het beschikbare beroep moet of de beschikbare beroepen moeten, wanneer een onregelmatigheid wordt vastgesteld, het mogelijk maken ofwel de toegang te voorkomen, ofwel, indien een onregelmatig geachte toegang reeds heeft plaatsgehad, de betrokkene een gepast herstel te bieden.

B.4.4. In de interpretatie van de verwijzende rechter volgens welke de in het geding zijnde bepalingen elk rechterlijk toezicht op de wettigheid van de door de politierechter verleende toestemming uitsluiten, voldoen die bepalingen niet aan de vereisten van artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en zijn zij derhalve in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

In die interpretatie dient de tweede prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord.

B.4.5. De artikelen 197 en 198, § 3, van de AWDA kunnen evenwel anders worden geïnterpreteerd, in die zin dat die bepalingen zich niet ertegen verzetten dat de toestemming van de politierechter om bewoonde lokalen te betreden, voor de strafrechter wordt betwist.

In die interpretatie dient de tweede prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord.

B.5.1. Tot de waarborgen van artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens behoort ook de eerbiediging van het beginsel van de tegenspraak. Dat beginsel impliceert in de regel het recht voor de gedingvoerende partijen om kennis te nemen van elk stuk dat of elke opmerking die bij de rechter wordt neergelegd en ze te bespreken.

De rechten van de verdediging moeten echter worden afgewogen tegen de belangen die onder de toepassing van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens vallen. Aldus is het in uitzonderlijke situaties denkbaar dat bepaalde stukken van het dossier aan de tegenspraak ontsnappen.

Ten aanzien van artikel 6.1 van dat Verdrag zijn evenwel enkel die maatregelen die de rechten van de verdediging beperken legitiem die absoluut noodzakelijk zijn. Bovendien moeten de moeilijkheden die een van de partijen bij de uitoefening van haar verdediging zou ondervinden vanwege een beperking van haar rechten, worden gecompenseerd door de waarborg van de voor het rechtscollege gevolgde procedure.

In het omgekeerde geval moeten de inbreuken op het privéleven die voortvloeien uit een gerechtelijke procedure zoveel mogelijk worden beperkt tot diegene die door specifieke kenmerken van de procedure, enerzijds, en door de gegevens van het geschil, anderzijds, strikt noodzakelijk worden gemaakt.

B.5.2. In de interpretatie van de verwijzende rechter kan de toestemming van de politierechter om bewoonde lokalen te betreden, steunen op bescheiden en toelichtingen die niet aan het strafdossier worden toegevoegd.

Het gaat om bescheiden en toelichtingen op grond waarvan het vermoeden kan worden gestaafd dat een inbreuk op de wetgeving inzake douane en accijnzen heeft plaatsgevonden en op grond waarvan de toestemming om het bewoonde lokaal te betreden, is verleend. De materiële vaststellingen die de bevoegde ambtenaren van douane en accijnzen doen naar aanleiding van de uitoefening van hun recht van toegang tot het bewoonde lokaal worden opgenomen in processen-verbaal die uiteraard wel aan het strafdossier worden toegevoegd.

B.5.3. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de rechten van de verdediging op onevenredige wijze zouden worden beperkt indien de bescheiden en toelichtingen waarop de toestemming van de politierechter om bewoonde lokalen te betreden is gebaseerd, volledig worden onttrokken aan het beginsel van de tegenspraak.

B.5.4. In de interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen volgens welke de bescheiden en toelichtingen waarop de toestemming van de politierechter om bewoonde lokalen te betreden is gebaseerd volledig aan het beginsel van de tegenspraak worden onttrokken, voldoen die bepalingen niet aan de vereisten van artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en leiden zij tot een willekeurige inmenging in het recht op de onschendbaarheid van de woning, gewaarborgd bij artikel 15 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

In die interpretatie dient de eerste prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord.

B.5.5. De artikelen 197 en 198, § 3, van de AWDA kunnen evenwel in die zin worden geïnterpreteerd dat de bescheiden en toelichtingen waarop de toestemming van de politierechter om bewoonde lokalen te betreden is gebaseerd niet aan het beginsel van de tegenspraak worden onttrokken, behoudens wanneer daardoor een ander grondrecht of beginsel op onevenredige wijze zou worden uitgehold (bijvoorbeeld het recht op bescherming van de identiteit van de indiener van de klacht of aangifte, zie het arrest nr. 171/2008, B.6.4).

In die interpretatie dient de eerste prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord.

B.6.1. Krachtens artikel 89bis van het Wetboek van strafvordering kan de onderzoeksrechter een opdracht tot huiszoeking geven. Hij geeft die opdracht bij een met redenen omklede beslissing en enkel wanneer het noodzakelijk is.

Artikel 198, § 3, van de AWDA bepaalt niet uitdrukkelijk dat de machtiging tot visitatie van de rechter in de politierechtbank dient te worden gemotiveerd.

B.6.2. Het voorafgaande optreden van een onafhankelijke en onpartijdige magistraat vormt een belangrijke waarborg tegen het gevaar voor misbruik of willekeur. De politierechter beschikt ter zake over een ruime beoordelingsbevoegdheid om te bepalen of de hem voorgelegde omstandigheden een aantasting van het grondwettelijk beginsel van de onschendbaarheid van de woning verantwoorden. De toestemming die hij verleent, is specifiek. Zij betreft een welbepaald onderzoek, beoogt een welbepaalde woning en geldt alleen voor de personen op wier naam de toestemming is verleend.

B.6.3. De daadwerkelijke jurisdictionele controle van de machtiging tot visitatie, bedoeld in B.4.3, en de concrete uitoefening van de rechten van de verdediging, zoals nader gepreciseerd in B.5.1, zouden op onevenredige wijze worden belemmerd wanneer de afweging van de politierechter en de door hem bepaalde modaliteiten, vermeld in B.6.2, niet in de redengeving van de machtiging zouden worden opgenomen.

B.6.4. In de interpretatie van artikel 198, § 3, van de AWDA volgens welke de door de politierechter verleende toestemming niet dient te worden gemotiveerd, voldoet die bepaling niet aan de vereisten van artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en is zij derhalve in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

In die interpretatie dient de derde prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord.

B.6.5. Artikel 198, § 3, van de AWDA kan evenwel anders worden geïnterpreteerd, in die zin dat zij de politierechter niet vrijstelt van de verplichting om de machtiging tot visitatie uitdrukkelijk te motiveren.

In die interpretatie dient de derde prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord.

Ten aanzien van de vierde prejudiciële vraag

B.7.1. Met de vierde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 4 van de wet van 22 april 2003 houdende toekenning van de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie aan bepaalde ambtenaren van de Administratie der douane en accijnzen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, wanneer het aldus wordt begrepen dat de ambtenaren van douane en accijnzen over geen machtiging tot observatie in de zin van artikel 47sexies van het Wetboek van strafvordering dienen te beschikken.

B.7.2. Observatie is het stelselmatig waarnemen door een politieambtenaar van één of meer personen, hun aanwezigheid of gedrag of van bepaalde zaken, plaatsen of gebeurtenissen (artikel 47sexies, § 1, van het Wetboek van strafvordering).

B.7.3. De bijzondere opsporingsmethode observatie brengt een aantasting teweeg van het recht op eerbiediging van het privéleven of van de onschendbaarheid van de privéwoning, die beperkt moet blijven tot wat noodzakelijk is om bepaalde vormen van zware criminaliteit te bestrijden. Eenieder die zich door een dergelijke inmenging bedreigd acht, moet desgevraagd toegang krijgen tot een rechter die vermag te oordelen over de inachtneming van de ter zake geldende wettelijke bepalingen en over de vraag of dergelijke maatregelen noodzakelijk zijn in een democratische samenleving en in een redelijke verhouding staan tot de beoogde doelstelling. Niet alleen artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, maar ook de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en van de rechten van verdediging moeten worden geëerbiedigd.

B.7.4. De bijzondere opsporingsmethode observatie kan slechts in bepaalde omstandigheden en onder bepaalde voorwaarden worden aangewend. De aanwending ervan is met name onderworpen aan de machtiging door de procureur des Konings.

Zoals voortvloeit uit het arrest nr. 202/2004 van 21 december 2004, bieden de artikelen 47sexies en 47septies van het Wetboek van strafvordering voldoende bescherming tegen misbruik en willekeurige inmenging door de overheid in de grondrechten van het individu. Daarnaast wordt de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden, sinds de wet van 27 december 2005, gecontroleerd door een onafhankelijke en onpartijdige rechter, namelijk de kamer van inbeschuldigingstelling, op grond van artikel 235ter van het Wetboek van strafvordering.

B.7.5. De in het geding zijnde bepaling verleent aan bepaalde ambtenaren van douane en accijnzen de bevoegdheid tot het aanwenden van die bijzondere opsporingsmethode « onder dezelfde voorwaarden als die vermeld in het Wetboek van strafvordering ».

In de interpretatie volgens welke de observatie door de ambtenaren van douane en accijnzen niet onderworpen is aan de voorwaarden van het Wetboek van strafvordering, voldoet die bepaling niet aan de vereisten van de artikelen 6.1 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en is zij derhalve in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

In die interpretatie dient de vierde prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord.

B.7.6. Artikel 4 van de wet van 22 april 2003 kan evenwel anders worden geïnterpreteerd, in die zin dat zij de observatie door de ambtenaren van douane en accijnzen slechts toestaat onder dezelfde voorwaarden als die welke zijn vermeld in het Wetboek van strafvordering.

In die interpretatie dient de vierde prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- De artikelen 197 en 198, § 3, van de algemene wet inzake douane en accijnzen, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 18 juli 1977, in die zin geïnterpreteerd dat zij elk rechterlijk toezicht op de wettigheid van de door de politierechter verleende toestemming om bewoonde lokalen te betreden uitsluiten, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

- Dezelfde bepalingen, in die zin geïnterpreteerd dat zij niet elk rechterlijk toezicht op de wettigheid van de door de politierechter verleende toestemming om bewoonde lokalen te betreden uitsluiten, schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

- Dezelfde bepalingen, in die zin geïnterpreteerd dat zij de bescheiden en toelichtingen waarop de toestemming van de politierechter om bewoonde lokalen te betreden is gebaseerd volledig aan het beginsel van de tegenspraak onttrekken, schenden artikel 15 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

- Dezelfde bepalingen, in die zin geïnterpreteerd dat zij de bescheiden en toelichtingen waarop de toestemming van de politierechter om bewoonde lokalen te betreden is gebaseerd niet aan het beginsel van de tegenspraak onttrekken, behoudens wanneer daardoor een ander grondrecht of beginsel op onevenredige wijze zou worden uitgehold, schenden niet artikel 15 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

- Artikel 198, § 3, van de algemene wet inzake douane en accijnzen, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 18 juli 1977, in die zin geïnterpreteerd dat de door de politierechter verleende toestemming niet dient te worden gemotiveerd, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

- Dezelfde bepaling, in die zin geïnterpreteerd dat zij de politierechter niet vrijstelt van de verplichting om de machtiging tot visitatie uitdrukkelijk te motiveren, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

- Artikel 4 van de wet van 22 april 2003 houdende toekenning van de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie aan bepaalde ambtenaren van de Administratie der douane en accijnzen, in die zin geïnterpreteerd dat de observatie door de ambtenaren van douane en accijnzen niet onderworpen is aan de voorwaarden van het Wetboek van strafvordering, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

- Dezelfde bepaling, in die zin geïnterpreteerd dat zij de observatie door de ambtenaren van douane en accijnzen slechts toestaat onder dezelfde voorwaarden als die welke zijn vermeld in het Wetboek van strafvordering, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 27 januari 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De wnd. voorzitter,

E. De Groot.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen betreffende de artikelen 197 en 198, § 3, van de algemene wet inzake douane en accijnzen, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 18 juli 1977, en artikel 4 van de wet van 22 april 2003 houdende toekenning van de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie aan bepaalde ambtenaren van de Administratie der douane en accijnzen, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Turnhout. Fiscaal recht

  • Douane en accijnzen

  • Ambtenaren van douane en accijnzen

  • 1. Visitatiebevoegdheid

  • Recht van toegang tot bewoonde lokalen

  • Toestemming van de politierechter

  • a. Voorwaarden

  • b. Controle

  • c. Motivering

  • 2. Observatie

  • Voorwaarden. # Rechten en vrijheden

  • 1. Recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven

  • a. Onschendbaarheid van de woning

  • b. Beperkingen

  • 2. Jurisdictionele waarborgen

  • a. Onafhankelijke en onpartijdige rechter

  • b. Recht op toegang tot de rechter

  • Betwisting omtrent de wettigheid

  • c. Rechten van de verdediging

  • (i) Beperkingen

  • Belangenafweging

  • (ii) Beginsel van de tegenspraak

  • d. Recht op een eerlijk proces.