- Arrest van 27 januari 2011

27/01/2011 - 13/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

- Artikel 42, § 2, eerste lid, van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de interpretatie dat de vroegere artikelen 229, 231 en 232 van het Burgerlijk Wetboek enkel van toepassing blijven op de hoofdvorderingen tot echtscheiding op grond van bepaalde feiten die zijn ingeleid vóór de inwerkingtreding van die wet, zolang geen eindvonnis is uitgesproken, en niet op de tegenvorderingen die op die gronden worden ingeleid na die inwerkingtreding.

- Artikel 42, § 2, eerste lid, van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in de interpretatie dat de vroegere artikelen 229, 231 en 232 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing blijven zowel op de vorderingen tot echtscheiding, zowel hoofdvorderingen als tegenvorderingen, die zijn ingeleid vóór de inwerkingtreding van die wet, zolang geen eindvonnis is uitgesproken, als op de tegenvorderingen die zijn ingeleid na die inwerkingtreding.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, de rechters E. De Groot, A. Alen, J.-P. Snappe en J. Spreutels, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter M. Melchior, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij vonnis van 1 april 2010 in zake W.H. tegen S.M., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 13 april 2010, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Turnhout de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« 1. Schendt artikel 42, § 2, eerste lid, van de wet van 27 april 2007 [betreffende de hervorming van de echtscheiding], aldus begrepen dat de aldaar aangehaalde oude artikelen 229 en 231 (en 232) van het Burgerlijk Wetboek enkel verder van toepassing blijven op de (hoofd- en tegen)vorderingen tot echtscheiding die werden ingeleid vóór de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 (en voorzover er bij de inwerkingtreding van die wet nog geen eindvonnis was uitgesproken), maar niet op de na de inwerkingtreding van deze wet ingeleide tegenvorderingen tot echtscheiding die beheerst worden door het nieuwe artikel 229 van het Burgerlijk Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre aldus een verschil in behandeling zou worden ingesteld tussen de eiser in echtscheiding en de verweerder in echtscheiding ?

2. A. Schendt artikel 42, § 2, eerste lid, van de wet van 27 april 2007, aldus begrepen dat de aldaar aangehaalde oude artikelen 229 en 231 (en 232) van het Burgerlijk Wetboek verder van toepassing blijven, niet enkel op de (hoofd- en tegen)vorderingen tot echtscheiding die werden ingeleid vóór de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 (en voorzover er bij de inwerkingtreding van die wet nog geen eindvonnis was uitgesproken), maar eveneens op de na de inwerkingtreding van deze wet ingeleide tegenvorderingen tot echtscheiding, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre aldus een verschil in behandeling zou worden ingesteld tussen enerzijds de gehuwden die op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 geconfronteerd werden met een door hun echtgenoot ingeleide en nog hangende echtscheidingsvordering op grond van fout en die aldus nog de mogelijkheid hebben om, zolang de zaak wat de hoofdvordering tot echtscheiding betreft niet in beraad is genomen, zowel in eerste aanleg als in graad van hoger beroep, een vordering tot echtscheiding op grond van fout op grond van de opgeheven artikelen 229 en/of 231 B.W. in te stellen bij wege van tegeneis, en anderzijds de gehuwden die op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 niet geconfronteerd werden met een door hun echtgenoot ingeleide en nog hangende echtscheidingsvordering op grond van fout en die aldus niet de mogelijkheid hebben om nog een vordering tot echtscheiding op grond van fout op grond van de opgeheven artikelen 229 en/of 231 B.W. in te stellen ?

B. Schendt artikel 42, § 2, eerste lid, van de wet van 27 april 2007, aldus begrepen dat de aldaar aangehaalde oude artikelen 229 en 231 (en 232) van het Burgerlijk Wetboek verder van toepassing blijven, niet enkel op de (hoofd- en tegen)vorderingen tot echtscheiding die werden ingeleid vóór de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 (en voorzover er bij de inwerkingtreding van die wet nog geen eindvonnis was uitgesproken), maar eveneens op de na de inwerkingtreding van deze wet ingeleide tegenvorderingen tot echtscheiding, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre aldus een verschil in behandeling zou worden ingesteld tussen enerzijds de gehuwden die op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 geconfronteerd werden met een door hun echtgenoot ingeleide en nog hangende echtscheidingsvordering op grond van fout en die aldus niet de mogelijkheid hebben om, gebruik makend van de nieuwe echtscheidingswet, een vordering tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting op grond van het nieuwe artikel 229 B.W. in te stellen, en anderzijds de gehuwden die op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 niet geconfronteerd werden met een door hun echtgenoot ingeleide en nog hangende echtscheidingsvordering op grond van fout en die aldus wél de mogelijkheid hebben om, gebruik makend van de nieuwe echtscheidingswet, een vordering tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting op grond van het nieuwe artikel 229 B.W. in te stellen ?

C. Schendt artikel 42, § 2, eerste lid, van de wet van 27 april 2007, aldus begrepen dat de aldaar aangehaalde oude artikelen 229 en 231 (en 232) van het Burgerlijk Wetboek verder van toepassing blijven, niet enkel op de (hoofd- en tegen)vorderingen tot echtscheiding die werden ingeleid vóór de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 (en voorzover er bij de inwerkingtreding van die wet nog geen eindvonnis was uitgesproken), maar eveneens op de na de inwerkingtreding van deze wet ingeleide tegenvorderingen tot echtscheiding, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre aldus een verschil in behandeling zou worden ingesteld tussen enerzijds de gehuwden die op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 een echtscheidingsvordering op grond van fout hadden ingeleid die dan nog hangende was en die aldus na deze inwerkingtreding nog geconfronteerd kunnen worden met een door hun echtgenoot ingestelde (tegen)vordering tot echtscheiding op grond van fout zelfs gesteund op tekortkomingen gepleegd na of vastgesteld na de inwerkingtreding, en anderzijds de gehuwden die op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 geen echtscheidingsvordering op grond van fout hadden ingeleid, en die aldus sinds deze inwerkingtreding niet meer geconfronteerd kunnen worden met een door hun echtgenoot ingestelde vordering tot echtscheiding op grond van fout gesteund op tekortkomingen gepleegd voor of na of vastgesteld voor of na de inwerkingtreding ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet van artikel 42, § 2, eerste lid, van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding, dat bepaalt :

« De vroegere artikelen 229, 231 en 232 van [het Burgerlijk] Wetboek blijven van toepassing op de procedures van echtscheiding of scheiding van tafel en bed die zijn ingeleid voor de inwerkingtreding van deze wet en waarvoor geen eindvonnis is uitgesproken ».

B.2. Die vroegere artikelen maakten het de gehuwden mogelijk om - naast de echtscheiding bij onderlinge toestemming - de echtscheiding te vorderen op grond van bepaalde feiten (overspel of gewelddaden, mishandelingen of grove beledigingen - artikelen 229 en 231 van het Burgerlijk Wetboek) of na twee jaar feitelijke scheiding (artikel 232 van het Burgerlijk Wetboek).

De wetgever, die beoogde de schadelijke gevolgen van die echtscheidingsprocedures voor de relaties tussen de partijen zoveel mogelijk te beperken en de schuldloze echtscheiding in te voeren, heeft de artikelen 229, 231 en 232 van het Burgerlijk Wetboek vervangen door een nieuw artikel 229 van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt dat de echtscheiding kan worden aangevraagd op eenvoudige vaststelling van de duurzame ontwrichting tussen de echtgenoten (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2341/001, pp. 6-7).

Artikel 44 van de wet van 27 april 2007 bepaalt dat die wet in werking treedt op 1 september 2007.

B.3. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie verzet zich niet ertegen dat de wetgever terugkomt op zijn oorspronkelijke doelstellingen om er andere na te streven. In het algemeen trouwens moet de overheid haar beleid kunnen aanpassen aan de wisselende vereisten van het algemeen belang.

B.4. Indien de wetgever een beleidswijziging noodzakelijk acht, vermag hij te oordelen dat zij met onmiddellijke ingang moet worden doorgevoerd en is hij in beginsel niet ertoe gehouden in een overgangsregeling te voorzien. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn slechts geschonden indien de overgangsregeling of de afwezigheid daarvan tot een verschil in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan.

B.5. Het verwijzende rechtscollege wordt geconfronteerd met de vraag naar de ontvankelijkheid van een tegenvordering tot echtscheiding op grond van bepaalde feiten die door de echtgenote na 1 september 2007 werd ingesteld bij wege van besluiten neergelegd in een voordien door de echtgenoot ingeleide rechtspleging tot echtscheiding op grond van bepaalde feiten.

B.6. De eerste prejudiciële vraag betreft de bestaanbaarheid, met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van het verschil in behandeling dat door de overgangsbepaling van artikel 42, § 2, eerste lid, van de wet van 27 april 2007 ontstaat indien die bepaling zo wordt begrepen dat de hoofdeiser en de eiser op tegeneis de vóór 1 september 2007 ingestelde vordering tot echtscheiding kunnen doen steunen op de vroegere artikelen 229, 231 en 232 van het Burgerlijk Wetboek (en zolang geen eindvonnis is geveld), maar dat de verweerder, die na 1 september 2007 een tegenvordering instelt, geen beroep meer kan doen op die vroegere bepalingen.

B.7.1. Bij zijn arrest nr. 100/2009 van 18 juni 2009 heeft het Hof geoordeeld dat dit verschil in behandeling niet in redelijkheid is verantwoord :

« Aangezien de situatie die ten grondslag ligt aan de vorderingen voor de rechter, dezelfde is - namelijk de ontwrichting van het huwelijk van twee echtgenoten die de echtscheiding wensen te verkrijgen -, kan zij immers niet verantwoorden dat daarop twee regelingen worden toegepast die zowel vanuit het oogpunt van de voorwaarden tot verkrijging van de echtscheiding als vanuit dat van het verkrijgen van een uitkering tot levensonderhoud verschillend zijn ».

B.7.2. In het bovenvermelde arrest heeft het Hof doen opmerken dat de overgangsbepaling van artikel 42, § 2, eerste lid, van de wet van 27 april 2007 de bedoeling van de wetgever vertaalt om, wat de lopende procedures betreft, af te wijken van de onmiddellijke toepassing van de wet van 27 april 2007.

B.7.3. Nu de wetgever, in afwijking van de gewone regels van inwerkingtreding van wetgeving, heeft gewild dat de reeds op grond van bepaalde feiten ingeleide echtscheidingsprocedures konden worden voortgezet op basis van de vroegere artikelen 229, 231 of 232 van het Burgerlijk Wetboek, is het niet verantwoord dat de ene echtgenoot die de procedure heeft ingeleid vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet na 1 september 2007, nog de echtscheiding op grond van bepaalde feiten overeenkomstig die vroegere bepalingen zou kunnen verkrijgen maar dat de andere echtgenoot zulks niet meer zou kunnen op dezelfde gronden.

B.7.4. Artikel 42, § 2, eerste lid, van de wet van 27 april 2007, in de interpretatie dat de artikelen 229, 231 en 232 van het Burgerlijk Wetboek enkel van toepassing blijven op de hoofdvorderingen tot echtscheiding op grond van bepaalde feiten die zijn ingeleid vóór de inwerkingtreding van die wet (zolang geen eindvonnis is geveld) en niet op de tegenvorderingen die op diezelfde gronden zijn ingeleid na de inwerkingtreding van die wet, is in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Nu de voldoende precieze en volledige vaststelling van de ongrondwettigheid zich bevindt in de aan het Hof voorgelegde tekst, in de interpretatie dat de overgangsbepaling van artikel 42, § 2, eerste lid, van de wet van 27 april 2007 enkel betrekking heeft op de hoofdvorderingen tot echtscheiding op grond van bepaalde feiten die zijn ingeleid vóór 1 september 2007 (waarover nog geen eindvonnis is geveld) maar niet op de tegenvorderingen tot echtscheiding op grond van bepaalde feiten ingesteld na die datum, komt het aan het verwijzende rechtscollege toe de discriminatie te verhelpen door die tegenvorderingen te beoordelen in het licht van de vroegere artikelen 229, 231 en 232 van het Burgerlijk Wetboek, ook wanneer zij na 1 september 2007 zijn ingediend in een nog hangende echtscheidingsprocedure op grond van bepaalde feiten.

B.7.5. De eerste prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

B.8.1. De tweede, de derde en de vierde prejudiciële vraag gaan, in tegenstelling tot de eerste prejudiciële vraag, uit van de interpretatie van artikel 42, § 2, eerste lid, van de wet van 27 april 2007 volgens welke de vroegere artikelen 229, 231 en 232 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing blijven zowel op de vorderingen tot echtscheiding (zowel hoofdvorderingen als tegenvorderingen) die zijn ingeleid vóór de inwerkingtreding van die wet (zolang geen eindvonnis is geveld) als op de tegenvorderingen die na die datum (1 september 2007) zijn ingediend.

B.8.2. In zijn arrest nr. 100/2009 van 18 juni 2009 heeft het Hof geoordeeld dat er in die interpretatie van de in het geding zijnde bepaling geen verschil in behandeling bestaat tussen de echtgenoot die de hoofdvordering tot echtscheiding heeft ingesteld en de echtgenoot die een tegenvordering instelt.

B.8.3. Inmiddels heeft het Hof van Cassatie bij twee arresten van 12 april 2010 geoordeeld dat de vroegere artikelen 229, 231 en 232 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing blijven op de tegenvordering die is ingediend na de inwerkingtreding van de nieuwe wet, op 1 september 2007, wanneer de oorspronkelijke vordering waarop zij is geënt, werd ingesteld vóór die datum (Cass., 12 april 2010, C.09.0278.F en C.09.0378.F).

B.9.1. Met de tweede, de derde en de vierde prejudiciële vraag wenst het verwijzende rechtscollege te vernemen of, in de interpretatie weergegeven in B.8.1, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn geschonden door het verschil in behandeling tussen, enerzijds,

gehuwden die op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 werden geconfronteerd met een door hun echtgenoot ingeleide en nog hangende echtscheidingsvordering op grond van fout, en die aldus nog de mogelijkheid hebben om (zolang de hangende procedure niet is beslecht bij een eindvonnis), een tegenvordering tot echtscheiding op grond van fout op grond van de vroegere artikelen 229 of 231 van het Burgerlijk Wetboek in te stellen - zelfs steunende op tekortkomingen gepleegd na of vastgesteld na die inwerkingtreding (vraag 2 C) -, maar die alsdan niet de mogelijkheid hebben om een vordering op grond van onherstelbare ontwrichting op grond van het nieuwe artikel 229 van dat Wetboek in te stellen (vraag 2 B)

en, anderzijds,

- gehuwden die op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 niet werden geconfronteerd met een door hun echtgenoot ingeleide en nog hangende echtscheidingsvordering op grond van fout, en die aldus niet de mogelijkheid hebben om nog een vordering tot echtscheiding op grond van fout op grond van de vroegere bepalingen in te stellen (vraag 2 A);

- gehuwden die op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 niet werden geconfronteerd met een door hun echtgenoot ingeleide en nog hangende echtscheidingsvordering op grond van fout, en die aldus wel de mogelijkheid hebben om een vordering tot echtscheiding in te stellen op grond van het nieuwe artikel 229 van het Burgerlijk Wetboek (vraag 2 B);

- gehuwden die op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 geen echtscheidingsvordering op grond van bepaalde feiten hadden ingeleid, en die aldus sinds die inwerkingtreding niet meer kunnen worden geconfronteerd met een door hun echtgenoot ingestelde vordering tot echtscheiding op grond van fout steunende op tekortkomingen gepleegd vóór of na of vastgesteld vóór of na die inwerkingtreding (vraag 2 C).

B.9.2. De aangevoerde verschillen in behandeling berusten op een objectief criterium, het feit dat vóór 1 september 2007 voor een rechtbank een vordering tot echtscheiding is ingesteld op grond van de vroegere artikelen 229, 231 en 232 van het Burgerlijk Wetboek waarover nog geen eindvonnis is geveld.

B.9.3. De wetgever heeft met de in het geding zijnde bepaling gewild dat voor die vorderingen of « procedures van echtscheiding » de voormelde artikelen verder van toepassing zouden blijven. Het Hof heeft in zijn arrest nr. 100/2009 geoordeeld dat het niet is verantwoord dat, hoewel de ene echtgenoot die de procedure heeft ingeleid vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet na 1 september 2007 nog de echtscheiding op grond van bepaalde feiten overeenkomstig die vroegere bepalingen zou kunnen verkrijgen, de andere echtgenoot zulks niet meer zou kunnen op dezelfde gronden.

Als de ene huwelijkspartner krachtens de overgangsbepaling van artikel 42, § 2, eerste lid, van de wet van 27 april 2007 de echtscheiding nog kan verkrijgen op grond van de vroegere bepalingen, is er geen verschil in behandeling voor zover wordt aangenomen dat de andere partner in dat geval ook de echtscheiding kan vorderen op grond van dezelfde bepalingen. Er is eveneens gelijkheid van behandeling wanneer er tussen de echtgenoten op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 geen echtscheidingsvordering hangende is : beiden kunnen na 1 september 2007 een vordering instellen op grond van de nieuwe bepaling van het Burgerlijk Wetboek.

B.9.4. Het is niet onredelijk dat de echtgenoten na 1 september 2007 tegenover elkaar enkel een tegenvordering tot echtscheiding kunnen instellen op basis van de vroegere bepalingen wanneer op dat tijdstip nog een hoofdvordering tot echtscheiding op grond van bepaalde feiten hangende is (vraag 2 A en partim 2 C).

Het is evenmin onredelijk dat de gehuwden tegenover elkaar geen tegenvordering kunnen instellen op basis van het nieuwe artikel 229 van het Burgerlijk Wetboek wanneer op dat tijdstip nog een hoofdvordering tot echtscheiding op grond van bepaalde feiten overeenkomstig de vroegere artikelen 229, 230 en 232 van dat Wetboek hangende is (vraag 2 B), voor zover wordt aangenomen dat zij dan de mogelijkheid behouden om bij wege van tegenvordering de echtscheiding te vragen op grond van diezelfde bepalingen.

Voorts is het evenmin onredelijk dat, zolang de ene echtgenoot de echtscheiding kan nastreven op grond van bepaalde feiten en er geen einduitspraak is geveld, ook de andere echtgenoot de echtscheiding kan vorderen op grond van bepaalde feiten - zelfs als het gaat om feiten die voortduren of dateren van na 1 september 2007 - en dat geen van beiden na 1 september 2007 nog kan worden geconfronteerd met een vordering tot echtscheiding op grond van bepaalde feiten als er voordien geen dergelijke echtscheidingsprocedure hangende was (vraag 2 C).

Wanneer er op 1 september 2007 geen echtscheidingsprocedure op grond van bepaalde feiten hangende is, kunnen beide echtgenoten de echtscheiding vorderen op grond van de nieuwe bepaling van het Burgerlijk Wetboek.

Aldus wordt niet op buitensporige wijze afbreuk gedaan aan het vertrouwensbeginsel. Immers, enerzijds, heeft de wetgever uitdrukkelijk gewild dat de verwachting van de eisende partij in een hangende echtscheidingsprocedure om haar vordering te zien slagen, niet zou worden miskend en, anderzijds, kon de verwerende partij in een hangende echtscheidingsprocedure op grond van bepaalde feiten niet in redelijkheid hopen dat zij vanaf de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 door middel van het instellen van een tegenvordering op grond van onherstelbare ontwrichting zou kunnen ontsnappen aan een veroordeling tot echtscheiding te haren nadele en aan de daaraan in de regel verbonden onderhoudsverplichting.

B.9.5. De tweede, de derde en de vierde prejudiciële vraag dienen ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- Artikel 42, § 2, eerste lid, van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de interpretatie dat de vroegere artikelen 229, 231 en 232 van het Burgerlijk Wetboek enkel van toepassing blijven op de hoofdvorderingen tot echtscheiding op grond van bepaalde feiten die zijn ingeleid vóór de inwerkingtreding van die wet, zolang geen eindvonnis is uitgesproken, en niet op de tegenvorderingen die op die gronden worden ingeleid na die inwerkingtreding.

- Artikel 42, § 2, eerste lid, van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in de interpretatie dat de vroegere artikelen 229, 231 en 232 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing blijven zowel op de vorderingen tot echtscheiding, zowel hoofdvorderingen als tegenvorderingen, die zijn ingeleid vóór de inwerkingtreding van die wet, zolang geen eindvonnis is uitgesproken, als op de tegenvorderingen die zijn ingeleid na die inwerkingtreding.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 27 januari 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen over artikel 42, § 2, eerste lid, van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Turnhout. Burgerlijk recht

  • Echtscheiding

  • Uitkeringen tot levensonderhoud

  • Overgangsrecht

  • Toepassingsgebied

  • 1. Hoofdvordering

  • 2. Tegenvordering.