- Arrest van 27 januari 2011

27/01/2011 - 14/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

De artikelen 76 en 77 van de wet van 22 december 2008 houdende diverse bepalingen (I) schenden niet artikel 10 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe en P. Nihoul, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter M. Melchior, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest nr. 203.043 van 19 april 2010 in zake de vzw « Radio Tienen » en André Depré tegen de Belgische Staat, in aanwezigheid van de cvba « Muziekindustrie Maatschappij » (S.I.M.I.M.), tussenkomende partij, en de cvba « Vereniging voor de inning, de verdeling en de verdediging van de rechten van vertolkende en uitvoerende kunstenaars » (URADEX), verzoekster tot tussenkomst, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 4 mei 2010, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schenden de artikelen 76 en 77 van de wet van 22 december 2008 houdende diverse bepalingen (I) artikel 10 van de Grondwet al dan niet in samenhang met het rechtszekerheidsbeginsel, inzoverre artikel 42 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten daarmee retroactief gewijzigd werd, waardoor de wetgever met terugwerkende kracht een rechtstoestand wijzigt waarover een geschil aanhangig is bij de Raad van State en waardoor ten nadele van een categorie van burgers zoals de verzoekers in die zaak, inbreuk wordt gemaakt op de jurisdictionele waarborgen die aan allen worden geboden en de afloop van dat geschil in een welbepaalde zin wordt beïnvloed ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten (hierna : de Auteurswet) gaat uit van dezelfde zorg die ten grondslag lag aan de wet van 22 maart 1886 die zij heeft vervangen en strekt ertoe de auteurs te beschermen teneinde de totstandbrenging van voortbrengselen van de geest te bevorderen (Parl. St., Kamer, B.Z. 1991-1992, nr. 473/33, p. 9).

Artikel 42 van de Auteurswet verleent de uitvoerende kunstenaars en de producenten recht op een billijke vergoeding voor het gebruik van hun prestaties (eerste lid). De vergoeding moet worden betaald aan de beheersvennootschappen bedoeld in hoofdstuk VII van de wet (tweede lid). Wanneer die beheersvennootschappen en de organisaties van hen die de vergoeding verschuldigd zijn, geen overeenstemming bereiken over die vergoeding, dan wordt het bedrag ervan bepaald door een commissie die voltallig of in gespecialiseerde afdelingen zitting houdt en wordt voorgezeten door de vertegenwoordiger van de minister die bevoegd is voor het auteursrecht (derde lid).

Artikel 42, vierde lid, van de Auteurswet, vóór de wijziging ervan bij artikel 76 van de wet van 22 december 2008 houdende diverse bepalingen (I), bepaalde :

« Deze commissie zetelt voltallig of in afdelingen die gespecialiseerd zijn in een of meerdere activiteitssectoren. Elke afdeling wordt voorgezeten door de vertegenwoordiger van de minister die bevoegd is voor het auteursrecht en telt een gelijk aantal personen aangewezen door de beheersvennootschappen en personen aangewezen door de organisaties uit de betrokken activiteitssector(en) die dezelfde vergoeding verschuldigd zijn ».

Artikel 76 van de wet van 22 december 2008 houdende diverse bepalingen (I) heeft het vierde lid van artikel 42 van de Auteurswet vervangen door de volgende bepaling :

« Deze commissie zetelt voltallig of in afdelingen die gespecialiseerd zijn in een of meerdere activiteitssectoren. Elke afdeling wordt voorgezeten door de vertegenwoordiger van de minister die bevoegd is voor het auteursrecht. In deze commissie beschikken de vennootschappen voor het beheer van de rechten, enerzijds, en de organisaties van hen die de vergoeding verschuldigd zijn, anderzijds, over een gelijk aantal stemmen. Deze gelijke verdeling van het aantal stemmen tussen, enerzijds, de vennootschappen voor het beheer van de rechten en, anderzijds, de organisaties van hen die de vergoeding verschuldigd zijn, is eveneens van toepassing wanneer de commissie in gespecialiseerde afdelingen zetelt ».

Krachtens artikel 77 van de wet van 22 december 2008 houdende diverse bepalingen (I) heeft artikel 76 van dezelfde wet uitwerking met ingang van 14 november 1998.

B.2. Voor de Raad van State wordt de beslissing inzake de billijke vergoeding van de gespecialiseerde afdeling « radio » van de voormelde commissie aangevochten. De verzoekende partijen voor de Raad van State voeren met name de onregelmatige samenstelling van die afdeling aan.

De Raad van State stelt vast dat de commissie op 10 februari 2003 niet aan de wettelijke vereiste inzake haar samenstelling voldeed aangezien de beheersvennootschappen en de organisaties die de debiteurs vertegenwoordigen, niet door een gelijk aantal personen waren vertegenwoordigd. Een onregelmatig samengestelde commissie kan niet regelmatig vergaderen en kan geen rechtsgeldige beslissingen nemen. De Raad van State vervolgt (in punt 24 van de verwijzingsbeslissing) :

« De onregelmatige samenstelling van de commissie kan, bij ontstentenis van een wettelijke bepaling ter zake, niet goedgemaakt worden. Noch de vaststelling dat de commissie, door overeenkomstig de bepalingen van het huishoudelijk reglement - artikel 12 - de stemming op een specifieke wijze te organiseren de pariteit van de stemmen heeft kunnen garanderen, noch de verwijzing naar het gegeven dat de stemming door een groter aantal vertegenwoordigers van de beheersvennootschappen in casu geen ander besluit zou opgeleverd hebben, noch de omstandigheid dat de vertegenwoordiger van de verzoekende partij het probleem in de commissie niet aangekaart heeft, zijn van aard om de miskenning van deze substantiële vorm in de samenstelling van de commissie zonder gevolg te laten ».

De Raad van State stelt echter vast dat artikel 76 van de wet van 22 december 2008 houdende diverse bepalingen (I) artikel 42 van de wet van 30 juni 1994 heeft gewijzigd en leidt uit de parlementaire voorbereiding af dat de wetgever de feitelijke handelwijze die de commissie in het verleden hanteerde, heeft willen regulariseren door de pariteit niet meer te vereisen op het niveau van de samenstelling van de commissie, maar op het niveau van de stemming.

De prejudiciële vraag van de Raad van State strekt ertoe van het Hof te vernemen of de artikelen 76 en 77 van de wet van 22 december 2008 houdende diverse bepalingen (I) artikel 10 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel, schendt in zoverre zij met terugwerkende kracht een rechtstoestand wijzigen waarover een geschil aanhangig is bij de Raad van State, waardoor ten nadele van een categorie van personen inbreuk wordt gemaakt op de jurisdictionele waarborgen die aan allen worden geboden en de afloop van dat geschil in een welbepaalde zin wordt beïnvloed.

B.3. Volgens de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter heeft de wetgever met de in het geding zijnde bepalingen de Raad van State verhinderd uitspraak te doen over een beroep tot nietigverklaring en heeft de wetgever daardoor aan een categorie van personen een fundamentele jurisdictionele waarborg ontnomen.

B.4. Zoals het Hof reeds herhaaldelijk heeft geoordeeld, kan de vernietiging van een koninklijk besluit wegens de schending van een substantiële vormvereiste bij de aanneming ervan, niet tot gevolg hebben dat de wetgever in de onmogelijkheid verkeert de hierdoor ontstane rechtsonzekerheid te verhelpen (zie o.a. arrest nr. 64/2008 van 17 april 2008, B.29.4 en B.47.4).

Het loutere bestaan van een beroep voor de Raad van State verhindert niet dat de onregelmatigheden waardoor de bestreden handeling zou kunnen zijn aangetast, zouden kunnen worden verholpen, zelfs vóór de uitspraak over dat beroep (zie o.a. arrest nr. 166/2008, B.13).

B.5. De in het geding zijnde bepalingen beogen een einde te maken aan de rechtsonzekerheid die werd gecreëerd door de betwisting van de regelmatigheid van de samenstelling van de commissie bedoeld in artikel 42 van de Auteurswet, waarbij de beslissingen van die commissie inzake de billijke vergoeding voor het gebruik van de prestatie van uitvoerende kunstenaars en producenten door een externe onwettigheid zouden zijn aangetast.

In de memorie van toelichting wordt die doelstelling als volgt uiteengezet :

« Het is noodzakelijk dat deze bepaling in werking treedt met ingang van de datum waarop de tot nu toe van kracht zijnde bepaling effect heeft gekregen, m.n. 14 november 1998 (inwerkingtreding van de voornoemde wet van 31 augustus 1998).

De commissie heeft inderdaad gefunctioneerd volgens dit systeem dat aan de bedoeling van de wetgever van 1998 recht doet en met het oog op de rechtszekerheid en de continuïteit van de openbare dienst moeten de dienovereenkomstig aangenomen beslissingen bevestigd worden door een verduidelijking in de desbetreffende bepaling. Daaruit vloeit dus geen wijziging voort noch voor de rechthebbenden noch voor de debiteurs.

Daarenboven zal de inwerkingtreding zorgen voor een bevestiging van de redelijke verwachtingen, met name een gelijkheid in stemrechten en niet in stemgerechtigde personen, van de rechtszoekende.

Het Grondwettelijk Hof heeft geoordeeld dat een verduidelijking van een wetsbepaling, die echter niet het doel ervan wijzigt, redelijkerwijze retroactieve kracht kan worden toegekend, ook wanneer strikt genomen geen sprake is van een interpretatieve wet (arrest nr. 80/2008 d.d. 15 mei 2008). Deze situatie kan vergeleken worden met de situatie van huidige bepaling : net zoals in 1998 heeft de wetgever vandaag immers tot doel te garanderen dat twee groepen van belanghebbenden een gelijke invloed kunnen laten gelden op een beslissingsproces, zodat er geen sprake is van een gewijzigd doel.

Dit laat eveneens toe de effectieve omzetting van de richtlijn 92/100, waartoe de Belgische Staat door artikel 42 van de Auteurswet heeft willen overgaan, te bevestigen.

De retroactieve toepassing van de voorgestelde aanpassing van artikel 72 beantwoordt aan een dringende reden van algemeen belang, zijnde dat de inningen geïnd sinds 1999, overeenkomstig voormelde richtlijn 92/100, niet opnieuw ter discussie zouden worden gesteld voor een louter formele reden.

Een dergelijke terdiscussiestelling zou immers disproportionele gevolgen hebben in verhouding met de louter formele reden van de terdiscussiestelling van de beslissingen van de commissie en zou daarenboven extreem nadelig zijn voor het geheel van artiesten en producenten die hun rechten sinds 1999 geïnd hebben » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1608/001, pp. 56-57).

In het verslag van de bevoegde Kamercommissie wordt die doelstelling nog nader gepreciseerd :

« De Minister legt uit dat de aanpassing van artikel 42 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten (de Auteurswet) in se een technische correctie is. Zij strekt ertoe de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever beter tot uiting te laten komen in de wettekst zelf.

Het bestaande artikel 42, vierde lid, bepaalt dat de commissie uit een gelijk aantal vertegenwoordigers van, enerzijds, de beheersvennootschappen en, anderzijds, de belangenorganisaties van de gebruikers bestaat.

De letterlijke toepassing van de wet zou echter onredelijke gevolgen veroorzaken in de mate dat de twee betrokken beheersvennootschappen verplicht zouden zijn telkens zoveel personen aan te duiden als er vertegenwoordigers zijn van de verscheidene categorieën van de betrokken debiteurs (en die zijn talrijk).

Daarom wordt nu voorgesteld om te voorzien in een pariteit inzake stemrecht (onafhankelijk van het aantal vertegenwoordigers). Dit is een bevestiging van de wijze waarop de commissie de bepaling sinds 1998 heeft toegepast : ongeacht het aantal aanwezige personen, met name van de rechthebbenden of de debiteurs, werd er steeds voor gezorgd dat beide groepen een gelijk aantal stemmen hadden.

Die werkwijze is volstrekt conform de bedoeling van de wetgever van 1998, maar gaat strikt genomen in tegen de letter van de wet, die geen gelijkheid in stemmenaantal, maar wel een gelijkheid in stemgerechtigde personen voorziet » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1608/009, pp. 7-8).

B.6. De onwettigheid van de voor de Raad van State bestreden bestuurshandeling, op grond van de onregelmatige samenstelling van de auteur ervan, kan niet het onaantastbare recht doen ontstaan, ten voordele van de partijen die de voormelde onregelmatigheid hebben aangeklaagd, voor altijd van de betrokken bijdrage te worden vrijgesteld. Die partijen konden derhalve redelijkerwijze een rechtzetting van die onregelmatigheid verwachten, die bovendien van dien aard is dat zij de gelijkheid van de rechtsonderhorigen herstelt en de billijke vergoeding van de rechthebbende kunstenaars en producenten niet in het gedrang brengt.

B.7. De in het geding zijnde bepalingen doen ten slotte geen afbreuk aan de mogelijkheid om de inhoudelijke grieven tegen de beslissing inzake de billijke vergoeding van de gespecialiseerde afdeling « radio » door de Raad van State te laten onderzoeken.

B.8. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

De artikelen 76 en 77 van de wet van 22 december 2008 houdende diverse bepalingen (I) schenden niet artikel 10 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 27 januari 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over de artikelen 76 en 77 van de wet van 22 december 2008 houdende diverse bepalingen (I) (wijziging van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten), gesteld door de Raad van State. Intellectuele rechten

  • Auteursrecht en naburige rechten

  • Billijke vergoeding voor het gebruik van de prestatie van uitvoerende kunstenaars en producenten

  • Betwisting

  • Commissie

  • Samenstelling

  • Terugwerkende kracht van de nieuwe wet

  • Rechtszekerheid. # Rechten en vrijheden

  • Jurisdictionele waarborgen

  • Recht op toegang tot de rechter

  • Wettelijke bekrachtiging

  • Tussenkomst in hangende procedures voor de Raad van State.