- Arrest van 3 februari 2011

03/02/2011 - 15/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

- Artikel 2, § 2, van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, in samenhang gelezen met artikel 83, § 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

- Artikel 83, § 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter M. Melchior, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij vonnis van 8 januari 2010 in zake André Bastin tegen de nv « Brussels Airlines », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 15 januari 2010, heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld :

1. « Schendt artikel 2, § 2 van de wet van 19 maart 1991, in samenlezing met artikel 83 van de arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat een beschermde werknemer die lid is van het stuurpersoneel of het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart geniet van een ontslagbescherming tot aan de leeftijd van 65 jaar en hij niet het voordeel van de bepalingen van artikel 2 van de wet van 19 maart 1991 verliest wegens het bereiken van de op deze categorie van werknemers toepasselijke wettelijke pensioenleeftijd van 55 jaar, of wegens het bereiken van de leeftijd waarop de werkgever ten aanzien van deze categorie van werknemers gewoonlijk overgaat tot ontslag, terwijl een niet-beschermde werknemer, lid van het stuurpersoneel of het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart, conform artikel 83 van de arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978, in het vooruitzicht van het bereiken van de leeftijd van 55 jaar ontslagen kan worden mits een verkorte opzeggingstermijn van maximaal zes maanden ? »;

2. « Schendt artikel 83, § 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat voor leden van het stuurpersoneel of van het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart de leeftijd van 65 jaar in artikel 83, § 1, eerste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet wordt vervangen door die van 55 jaar, hoewel de grondslag van deze andere behandeling (nl. de belastende en stresserende aard der tewerkstelling) blijkbaar niet meer wordt weerhouden door het ICAO dat de leeftijd zelf verhoogt tot 65 jaar en anderzijds het pensioenstelsel voor vliegend personeel toelaat om pensioenrechten op te bouwen tot de leeftijd van 65 jaar, terwijl op de andere bedienden deze verkorte opzeggingstermijnen slechts van toepassing zijn vanaf de leeftijd van 65 jaar, zodat de leden van het stuurpersoneel of van het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart worden gediscrimineerd ten opzichte van alle andere bedienden, beoogd door artikel 83 van de Arbeidsovereenkomstenwet ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag

B.1. In de eerste prejudiciële vraag wordt het Hof gevraagd of artikel 2, § 2, van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, in samenhang gelezen met artikel 83, § 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre een personeelsafgevaardigde die lid is van het stuurpersoneel of van het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart, het voordeel van die bepaling wordt toegekend tot hij de leeftijd van 65 jaar bereikt, behoudens wanneer de onderneming de gewoonte heeft de categorie van werknemers, waartoe hij behoort, in dienst te houden, terwijl de arbeidsovereenkomst van een lid van het stuurpersoneel of van het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart die geen personeelsafgevaardigde is met toepassing van artikel 83, § 1, van de wet van 3 juli 1978 kan worden beëindigd wanneer hij de leeftijd van 55 jaar bereikt.

B.2.1. Artikel 2 van de wet van 19 maart 1991 bepaalt :

« § 1. De personeelsafgevaardigden en de kandidaat-personeelsafgevaardigden kunnen slechts worden ontslagen om een dringende reden die vooraf door het arbeidsgerecht aangenomen werd, of om economische of technische redenen die vooraf door het bevoegd paritair orgaan werden erkend.

Voor de toepassing van dit artikel geldt als ontslag :

1° elke beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, gedaan met of zonder vergoeding, al dan niet met naleving van een opzegging, die ter kennis wordt gebracht gedurende de periode bedoeld in de §§ 2 of 3;

2° elke beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer wegens feiten die een reden uitmaken die ten laste van de werkgever kan gelegd worden;

3° het niet in acht nemen door de werkgever van de beschikking van de voorzitter van de arbeidsrechtbank, genomen met toepassing van artikel 5, § 3 en waarin besloten wordt tot de voortzetting van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst tijdens de procedure voor de arbeidsgerechten.

§ 2. De personeelsafgevaardigden genieten het voordeel van de bepalingen van § 1 gedurende een periode die loopt vanaf de dertigste dag voorafgaand aan de aanplakking van het bericht dat de verkiezingsdatum vaststelt, tot de datum waarop de bij de volgende verkiezingen verkozen kandidaten worden aangesteld.

Wanneer de minimumpersoneelsbezetting voorzien voor de oprichting van een raad of een comité niet meer is bereikt en er bijgevolg geen aanleiding is tot hernieuwing van deze organen, genieten de bij de vorige verkiezingen verkozen kandidaten verder het voordeel van de bepalingen van deze paragraaf gedurende zes maanden, te rekenen vanaf de eerste dag van de door de Koning vastgestelde periode der verkiezingen. Dit is eveneens het geval wanneer er geen nieuwe verkiezingen moeten georganiseerd worden bij ontstentenis van de vereiste kandidaturen.

Het voordeel van de bepalingen van deze paragraaf wordt niet meer toegekend aan de personeelsafgevaardigden die de leeftijd van vijfenzestig jaar bereiken, behoudens wanneer de onderneming de gewoonte heeft de categorie van werknemers, waartoe zij behoren, in dienst te houden.

§ 3. De kandidaat-personeelsafgevaardigden die bij de verkiezingen van de vertegenwoordigers van het personeel voor de raden en voor de comités worden voorgedragen en aan de voorwaarden van verkiesbaarheid voldoen, genieten het voordeel van de bepalingen van de §§ 1 en 2 zo het hun eerste kandidatuur betreft.

De kandidaat-personeelsafgevaardigden als bedoeld in het eerste lid genieten het voordeel van de bepalingen van de §§ 1 en 2 gedurende een periode die loopt vanaf de dertigste dag voorafgaand aan de aanplakking van het bericht dat de datum van de verkiezingen vastlegt, en een einde neemt twee jaar na de aanplakking van de uitslag der verkiezingen zo zij reeds kandidaat waren en niet werden verkozen bij de vorige verkiezingen.

Het voordeel van de bepalingen van deze paragraaf wordt eveneens toegekend aan de kandidaten voorgedragen bij verkiezingen die nietig werden verklaard.

§ 4. Het mandaat van de personeelsafgevaardigden, of de hoedanigheid van kandidaat-personeelsafgevaardigde mag voor de betrokkene noch nadelen, noch bijzondere voordelen tot gevolg hebben.

§ 5. De personeelsafgevaardigden en de kandidaat-personeelsafgevaardigden mogen niet worden overgeplaatst van een technische bedrijfseenheid naar een andere van een zelfde juridische entiteit, tenzij zij schriftelijk hun instemming betuigen op het ogenblik dat de beslissing wordt genomen of indien er economische of technische redenen aanwezig zijn die vooraf door het bevoegd paritair orgaan in de zin van artikel 3, § 1, eerste lid, werden erkend.

De overplaatsing van één afdeling van een technische bedrijfseenheid naar een andere van dezelfde technische bedrijfseenheid wordt beschouwd als niet bestaande voor de toepassing van deze wet indien zij gebeurd is binnen de zes maanden die de sluiting van deze nieuwe afdeling voorafgaan.

§ 6. Geen enkele andere wijze van beëindiging van de arbeidsovereenkomst dan die bepaald in § 1, mag ingeroepen worden, met uitzondering van :

- de afloop van de termijn;

- de voltooiing van het werk waarvoor de overeenkomst werd gesloten;

- de eenzijdige beëindiging van de overeenkomst door de werknemer;

- het overlijden van de werknemer;

- overmacht;

- het akkoord tussen de werkgever en de werknemer ».

B.2.2. Artikel 83, § 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, zoals vervangen bij artikel 15 van de wet van 20 juli 1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn, en zoals gewijzigd bij artikel 7 van de wet van 20 juli 1991 houdende begrotingsbepalingen en bij artikel 117 van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen, luidt :

« Indien het ontslag gegeven wordt om aan de voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst een einde te maken vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de bediende de leeftijd van vijfenzestig jaar bereikt, wordt de opzeggingstermijn in afwijking van artikel 82 vastgesteld op zes maanden wanneer het ontslag van de werkgever uitgaat. Deze leeftijd wordt tot zestig jaar teruggebracht en de opzeggingstermijn wordt tot drie maanden herleid wanneer het ontslag van de bediende uitgaat. De opzeggingstermijn die de werkgever of de bediende moet eerbiedigen, wordt tot de helft teruggebracht indien de bediende minder dan vijf jaar dienst telt in de onderneming. Voor de leden van het stuurpersoneel of van het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart worden de leeftijden van 65 en van 60 jaar vervangen door de leeftijd van 55 jaar.

Tijdens de in het eerste lid bepaalde opzeggingstermijnen geniet de bediende het voordeel van het bepaalde in artikel 85 ».

B.3. Het Hof wordt ondervraagd over het verschil in behandeling tussen twee categorieën van werknemers die lid zijn van het stuurpersoneel of van het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart : enerzijds, de werknemer die een personeelsafgevaardigde is en die totdat hij de leeftijd van 65 jaar bereikt de bescherming geniet waarin artikel 2 van de wet van 19 maart 1991 voorziet en, anderzijds, de werknemer die geen personeelsafgevaardigde is. Terwijl een werknemer van de eerste categorie pas vanaf het ogenblik dat hij de leeftijd van 65 jaar bereikt, kan worden ontslagen met de verkorte opzeggingstermijn waarin artikel 83, § 1, van de wet van 3 juli 1978 voorziet, kan een werknemer van de tweede categorie middels die verkorte opzeggingstermijn worden ontslagen indien het ontslag gegeven wordt om aan de voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst een einde te maken vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de werknemer de leeftijd van 55 jaar bereikt.

B.4.1. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat het antwoord op de prejudiciële vraag niet pertinent zou zijn voor de beslechting van het bodemgeschil. Het buiten toepassing laten van de in het geding zijnde bepaling in het geval waarin zij ongrondwettig zou worden verklaard, zou impliceren dat de eisende partij niet langer het voordeel van artikel 2 van de wet van 19 maart 1991 zou kunnen hebben genieten op het ogenblik dat zij de leeftijd van 60 jaar had bereikt, terwijl zij werd ontslagen vóór zij die leeftijd had bereikt.

B.4.2. Het staat in de regel aan de rechter die de prejudiciële vraag stelt, te bepalen of zij relevant is om het hem voorgelegde geschil te beslechten. Slechts indien dat klaarblijkelijk niet het geval is, vermag het Hof te beslissen dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft.

B.4.3. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege gaat ervan uit dat haar werkgever de gewoonte heeft de categorie van werknemers waartoe zij behoort, in dienst te houden tot zij de leeftijd van 60 jaar bereiken. Het staat niet aan het Hof, maar aan het verwijzende rechtscollege, om dat te beoordelen. Bijgevolg is de prejudiciële vraag niet klaarblijkelijk irrelevant om het aan het verwijzende rechtscollege voorgelegde geschil te beslechten.

B.5.1. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat de in B.3 vermelde categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn in zoverre de ontslagregeling van beschermde werknemers waarin de wet van 19 maart 1991 voorziet, wordt vergeleken met de ontslagregeling waarin de wet van 3 juli 1978 voorziet.

B.5.2. De bewering volgens welke de situaties niet voldoende vergelijkbaar zijn, kan niet ertoe strekken dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet van toepassing zouden zijn. Zij kan enkel tot gevolg hebben dat de bewijsvoering van een bestaanbaarheid met die bepalingen wordt ingekort wanneer de situaties dermate verschillend zijn dat het onmiddellijk duidelijk is dat geen vaststelling van discriminatie zou kunnen voortvloeien uit de nauwgezette vergelijking ervan.

B.6.1. Het systeem van ontslagbescherming dat is ingevoerd bij de wet van 19 maart 1991, gaat terug op de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven. Artikel 21, § 3, derde lid, van die wet, zoals vervangen bij artikel 2 van de wet van 16 januari 1967 tot wijziging van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven en van de wet van 10 juni 1952 betreffende de gezondheid en de veiligheid van de arbeiders alsmede de salubriteit van het werk en van de werkplaatsen, en vóór het werd opgeheven bij artikel 22, 1°, van de wet van 19 maart 1991, bepaalde :

« Het voordeel van de bepalingen van deze paragraaf wordt niet meer toegekend aan de leden die het personeel vertegenwoordigen die de pensioengerechtigde leeftijd bereiken, behoudens wanneer de onderneming de gewoonte heeft de categorie van werknemers, waartoe zij behoren, in dienst te houden ».

B.6.2. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 16 januari 1967 blijkt dat de wetgever het ophouden van de bescherming voor de personeelsafgevaardigden waarin de wet voorziet heeft willen koppelen aan de leeftijd waarop een werknemer niet langer verkiesbaar is als personeelsafgevaardigde. In de parlementaire voorbereiding werd het volgende verklaard :

« In de vroegere wetgeving kwam geen enkele bepaling voor noch betreffende de uitsluiting van de gepensioneerden uit de verkiesbaren, noch betreffende de mogelijkheid om gepensioneerden tijdens hun beschermperiode te ontslaan.

Het wetsontwerp wijzigt deze toestand door te bepalen :

a) dat een werknemer verkiesbaar is zolang hij de pensioengerechtigde leeftijd niet heeft bereikt;

b) dat een werknemer die als afgevaardigde van het personeel of als kandidaat beschermd is, kan ontslagen worden wanneer hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, tenzij de onderneming de gewoonte heeft de categorie van werknemers waartoe hij behoort, in dienst te houden » (Parl. St., Senaat, 1966-1967, nr. 59, pp. 6-7).

B.6.3.1. Artikel 19, eerste lid, 4°, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, zoals vervangen bij artikel 3, 2°, van de wet van 7 juli 1994 tot wijziging van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven en van de wet van 10 juni 1952 betreffende de gezondheid en de veiligheid van de werknemers, alsmede van de salubriteit van het werk en van de werkplaatsen, bepaalt :

« Om als afgevaardigden van het personeel verkiesbaar te zijn, moeten de werknemers aan de volgende voorwaarden voldoen :

[...]

4° de leeftijd van vijfenzestig jaar niet hebben bereikt ».

B.6.3.2. Artikel 59, § 1, 4°, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk bepaalt :

« Om als personeelsafgevaardigde bij de Comités verkiesbaar te zijn, moeten de werknemers op de datum van de verkiezingen aan de volgende voorwaarden voldoen :

[...]

4° de leeftijd van vijfenzestig jaar niet hebben bereikt ».

B.6.4.1. Met de in artikel 19, eerste lid, 4°, van de wet van 20 september 1948 en de in artikel 59, § 1, 4°, van de wet van 4 augustus 1996 bepaalde verkiesbaarheidsvoorwaarde, die is geïnspireerd op het advies nr. 196 van 30 april 1964 van de Nationale Arbeidsraad, beoogde de wetgever te vermijden « dat de leden van de ondernemingsraden hun loopbaan onbepaald verlengen dank zij een mogelijke nieuwe verkiezing » (Parl. St., Kamer, 1965-1966, nr. 264/1, p. 2; zie ook Parl. St., Senaat, 1966-1967, nr. 59, p. 3). Hetzelfde geldt, mutatis mutandis, voor de in het geding zijnde bepaling, die het mogelijk maakt een personeelsafgevaardigde die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt te ontslaan zonder voorafgaand optreden van het arbeidsgerecht of van het bevoegde paritaire orgaan.

B.6.4.2. Te dien aanzien dient te worden opgemerkt dat de in het geding zijnde bepaling het een lid van het stuurpersoneel of van het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart die personeelsafgevaardigde is, niet mogelijk maakt zijn loopbaan voor onbepaalde duur te verlengen. Ofschoon het niet mogelijk is om hem met toepassing van artikel 83, § 1, van de wet van 3 juli 1978 ontslag te geven om aan de voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst een einde te maken vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt, is het wel mogelijk dat te doen vanaf het ogenblik dat hij de leeftijd van 65 jaar bereikt, voor zover zijn bescherming als personeelsafgevaardigde niet om andere redenen vóór die datum wordt beëindigd.

B.6.5. Een lid van het stuurpersoneel of van het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart is verkiesbaar als personeelsafgevaardigde bij de ondernemingsraad en bij het comité voor preventie en bescherming op het werk tot hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, voor zover zijn arbeidsovereenkomst niet voorafgaandelijk met toepassing van artikel 83, § 1, van de wet van 3 juli 1978 werd beëindigd. Vermits de wetgever het ophouden van de bescherming voor de personeelsafgevaardigden waarin artikel 2 van de wet van 19 maart 1991 voorziet, heeft willen koppelen aan de leeftijd waarop een werknemer niet langer verkiesbaar is als personeelsafgevaardigde, is het redelijk verantwoord dat een lid van het stuurpersoneel of van het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart dat een personeelsafgevaardigde is, de bescherming geniet waarin artikel 2 van de wet van 19 maart 1991 voorziet tot hij de leeftijd van 65 jaar bereikt, zijnde de leeftijd tot wanneer hij verkiesbaar is als personeelsafgevaardigde bij de ondernemingsraad en bij het comité voor preventie en bescherming op het werk.

B.7. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag

B.8. In de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof gevraagd of artikel 83, § 1, van de wet van 3 juli 1978 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre ten aanzien van de leden van het stuurpersoneel of van het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart de in die bepaling voorgeschreven opzeggingstermijnen gelden wanneer het ontslag wordt gegeven om aan de voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst een einde te maken vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de bediende de leeftijd van 55 jaar bereikt, terwijl voor de overige werknemers die opzeggingstermijnen slechts gelden wanneer het ontslag wordt gegeven om aan de voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst een einde te maken vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de bediende de leeftijd van 65 jaar bereikt.

B.9. Artikel 83, § 1, van de wet van 3 juli 1978 voert, in vergelijking met artikel 82 van die wet, een onderscheiden regeling in inzake de opzeggingsmodaliteiten voor de categorie van bedienden aan wie ontslag door de werkgever wordt gegeven om aan de voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst een einde te maken vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de bediende de leeftijd van 65 jaar bereikt.

In tegenstelling tot het in het geding zijnde artikel, bepaalt artikel 82 van de wet van 3 juli 1978 dat de door de werkgever in acht te nemen opzeggingstermijnen worden vastgesteld hetzij op drie maanden of een veelvoud van drie, hetzij bij overeenkomst gesloten ten vroegste op het ogenblik waarop de opzegging wordt gegeven, hetzij door de rechter, hetzij bij overeenkomst, gesloten ten laatste op het ogenblik van de indiensttreding van de bediende.

B.10.1. De in het geding zijnde bepaling werd oorspronkelijk ingevoerd bij artikel 45 van de wet van 21 november 1969 tot wijziging van de wetgeving betreffende de arbeidsovereenkomsten, dat bepaalde :

« Een artikel 15bis, luidend als volgt, wordt in dezelfde geordende wetten [de bij het koninklijk besluit van 20 juli 1955 gecoördineerde wetten betreffende het bediendencontract] ingevoegd.

' Art. 15bis. Indien de opzegging wordt gegeven om aan de voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst een einde te maken op het tijdstip waarop de bediende de normale leeftijd bereikt voor het volledig wettelijk pensioen, of daarna, wordt de termijn van opzegging in afwijking van het bepaalde in artikel 15 vastgesteld op zes maanden wanneer de opzegging van de werkgever uitgaat, en op drie maanden, wanneer zij van de bediende uitgaat. Deze termijnen worden evenwel tot de helft teruggebracht indien de bediende minder dan vijf jaar dienst telt in de onderneming.

Tijdens de in het eerste lid bepaalde opzeggingstermijnen geniet de bediende het voordeel van het bepaalde in artikel 17. ' ».

B.10.2. Uit de memorie van toelichting bij de voormelde wet blijkt dat de invoering van verkorte opzeggingstermijnen naar aanleiding van de pensioengerechtigde leeftijd verband houdt met de invoering van de regel dat een ontbindende voorwaarde in een arbeidsovereenkomst die ertoe zou leiden dat het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd een einde maakt aan de arbeidsovereenkomst, nietig is :

« Door de nietigheid uit te spreken van het beding, waarbij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd een einde maakt aan de arbeidsovereenkomst, beperkt het ontwerp de mogelijkheden om een einde te stellen aan deze overeenkomsten uitsluitend tot de wettelijke modaliteiten.

[...]

Indien immers voormelde wetten de bedingen nietig verklaren waarbij de werkgever ertoe gemachtigd wordt de overeenkomst te beëindigen zonder sommige opzeggingstermijnen te eerbiedigen dan ligt de reden daarvan in het feit dat de wetgever de werknemer heeft willen beschermen op het ogenblik waarop deze de overeenkomst aanging. Op dat ogenblik kan er worden verondersteld dat hij vanwege de werkgever enige drukking zou kunnen ondergaan hebben. Deze reden geldt natuurlijk niet meer op het ogenblik dat de werknemer op het punt staat zijn werkgever te verlaten. De partijen mogen dan wederzijds van de wettelijke opzeggingstermijn afzien.

Bij ontstentenis van wederzijds akkoord zal er voortaan, behoudens dringende reden, een opzegging nodig zijn om aan de voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst een einde te stellen wanneer de werknemer de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Het recht opzegging te geven kan slechts worden uitgeoefend met inachtneming van een opzeggingstermijn.

[...]

Wegens de lange duur van de in acht te nemen opzeggingstermijn is het voor de partijen praktisch onmogelijk met volle kennis van zaken te beslissen op het ogenblik dat de opzegging normaal moet betekend worden, de ene of zij verder zal blijven arbeiden na de pensioengerechtigde leeftijd, de andere of zij nog beroep zal blijven doen op de bediende na diezelfde leeftijd.

De beslissing de dienstbetrekkingen na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd voort te zetten kan redelijkerwijze slechts worden genomen op het ogenblik dat deze leeftijd wordt bereikt.

Zelfs wanneer de partijen het erover eens zijn de bestaande arbeidsovereenkomst voort te zetten nadat de bediende de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, omdat zij er alle twee baat kunnen bij hebben, kan nochtans de arbeidscapaciteit van de bediende zeer snel afnemen, terwijl daarentegen de in acht te nemen opzeggingstermijn wordt opgevoerd of toch minstens behouden blijft.

Deze overwegingen hebben de Regering ertoe aangezet een versoepeling voor te stellen van de wettelijke bepalingen inzake eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst van de pensioengerechtigde bedienden.

[...]

De korte opzeggingstermijnen zijn bestemd om de tewerkstelling na de pensioengerechtigde leeftijd te vergemakkelijken. Zij zijn een uitzonderingsregeling waarvan de toepassing bijgevolg dient beperkt te zijn. Daarom mag van deze verkorte opzeggingstermijnen slechts worden gebruik gemaakt om een einde te maken aan de arbeidsovereenkomst bij het bereiken van de leeftijd waarop de bediende theoretisch een recht op volledig pensioen kan doen gelden. [...] » (Parl. St., Kamer, 1966-1967, nr. 407/1, pp. 18-21).

B.10.3. In de wet van 3 juli 1978 werd de bepaling inzake de verkorte opzeggingstermijnen, zoals ingevoerd bij artikel 45 van de wet van 21 november 1969, overgenomen. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 3 juli 1978 werd over de regeling van de verkorte opzeggingstermijnen door de toenmalige minister van Tewerkstelling en Arbeid gesteld :

« Het artikel moet veeleer als een begunstiging van de bediende zelf worden gezien. Hierdoor wordt soms een grotere mogelijkheid gegeven om spijts het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd nog wat te blijven doorwerken » (Parl. St., Senaat, 1977-1978, nr. 258-2, p. 150).

B.10.4. Artikel 83, § 1, van de wet van 3 juli 1978 werd vervangen bij artikel 15 van de wet van 20 juli 1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn. Die wet heeft een einde gemaakt aan het algemene stelsel van de vaste pensioenleeftijd van 65 jaar voor mannen en 60 jaar voor vrouwen en heeft een flexibele pensioenleeftijd ingevoerd vanaf de leeftijd van 60 jaar. Daardoor diende artikel 83, § 1, van de wet van 3 juli 1978 eveneens te worden gewijzigd, zonder dat het evenwel de bedoeling was de fundamentele beleidsopties die ten grondslag liggen aan de bepaling te wijzigen.

B.11.1. Artikel 7 van de wet van 20 juli 1991 houdende begrotingsbepalingen heeft artikel 83, eerste lid, van de wet van 3 juli 1978, zoals vervangen bij het voormelde artikel 15 van de wet van 20 juli 1990, aangevuld met de bepaling luidens welke voor de leden van het stuurpersoneel of van het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart de leeftijden van 65 en 60 jaar worden vervangen door de leeftijd van 55 jaar.

B.11.2. In de memorie van toelichting van de wet van 20 juli 1991 werd die bepaling als volgt verantwoord :

« De leden van het stuurpersoneel of het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart hebben recht op een volledig pensioen op de leeftijd van 55 jaar. Hun werkgever moet dus de bepalingen van artikel 83 van de wet van 3 juli [1978] betreffende de arbeidsovereenkomsten kunnen toepassen » (Parl. St., Kamer, 1990-1991, nr. 1641/1, p. 5).

De parlementaire voorbereiding heeft daar nog aan toegevoegd :

« De Minister herinnert eraan dat ingevolge de wet van 20 juli 1991 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd van werknemers er sedert 1 januari geen normale pensioenleeftijd meer bestaat.

Om die reden dient in de wet van 3 juli 1978 te worden gepreciseerd dat voor de leden van het stuurpersoneel of het kabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart de verkorte opzeggingstermijnen gelden vanaf de leeftijd van 55 jaar.

Een lid vraagt of deze maatregel verband houdt met de specifieke aard van het betrokken beroep of integendeel het gevolg is van de saneringsoperatie bij Sabena.

De Minister antwoordt dat onderhavig artikel enkel en alleen verband houdt met de belastende en stresserende werkzaamheden van deze arbeidskrachten. Het is een kwalitatieve maatregel die geen enkel uitstaans heeft met de sanering van Sabena » (Parl. St., Kamer, 1990-1991, nr. 1641/9, p. 8).

B.12.1. Uit wat voorafgaat blijkt dat de in het geding zijnde bepaling beoogt het mogelijk te maken middels verkorte opzeggingstermijnen een einde te maken aan de arbeidsovereenkomst bij het bereiken van de pensioenleeftijd.

B.12.2. Artikel 3 van het koninklijk besluit van 3 november 1969 « houdende vaststelling voor het vliegend personeel van de burgerlijke luchtvaart, van de bijzondere regelen betreffende het ingaan van het pensioenrecht en van de bijzondere toepassingsmodaliteiten van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, van de wet van 20 juli 1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn en van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels » bepaalt :

« In afwijking van de artikelen 2, § 1, 3, 4, §§ 1 en 4, eerste en tweede lid, van het koninklijk besluit van 23 december 1996 gaat het rustpensioen van het vliegend personeel van de burgerlijke luchtvaart in de eerste dag van de maand volgend op deze tijdens welke de belanghebbende het aanvraagt en ten vroegste de eerste dag van de maand volgend op deze tijdens welke de belanghebbende :

a) de normale pensioenleeftijd die voor de leden van het vliegend personeel op 55 jaar is vastgesteld, bereikt;

b) of van een gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling als lid van het vliegend personeel van de burgerlijke luchtvaart doet blijken hetzij gedurende dertig jaar in hoedanigheid van lid van het stuurpersoneel, hetzij gedurende vierendertig jaar in hoedanigheid van lid van het cabinepersoneel of achtereenvolgens of afwisselend in hoedanigheid van lid van het stuur- en cabinepersoneel ».

B.12.3. Vermits de pensioenleeftijd van de leden van het stuurpersoneel of van het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart op 55 jaar is vastgesteld, is het niet zonder redelijke verantwoording dat ten aanzien van de leden van het stuurpersoneel of van het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart de in de in het geding zijnde bepaling voorgeschreven opzeggingstermijn geldt wanneer het ontslag gegeven wordt om aan de voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst een einde te maken vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de bediende de leeftijd van 55 jaar bereikt.

B.12.4. Dat uit artikel 21 van het koninklijk besluit van 10 januari 2000 tot regeling van de burgerlijke vergunningen van bestuurder van vliegtuigen, zoals van toepassing op de feiten voor het verwijzende rechtscollege, en uit artikel 2.10.10.1 van bijlage 1 bij het Verdrag van Chicago, zoals gewijzigd door de Raad van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) op 10 maart 2006, zou voortvloeien dat een piloot die 60 jaar oud is de functie van bestuurder mag uitoefenen als lid van een meerkoppige bemanning, op voorwaarde dat hij het enige lid van het stuurpersoneel is dat de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt en voor zover hij geen 65 jaar oud is, doet geen afbreuk aan het voorgaande. De in het geding zijnde bepaling koppelt de verkorte opzeggingstermijnen waarin ze voorziet, immers niet aan het feit dat een lid van het stuurpersoneel van de burgerlijke luchtvaart de functie van bestuurder niet meer mag uitoefenen, maar aan het feit dat hij de pensioenleeftijd bereikt. Die pensioenleeftijd wordt bepaald in het voormelde artikel 3 van het koninklijk besluit van 3 november 1969.

B.13. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- Artikel 2, § 2, van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, in samenhang gelezen met artikel 83, § 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

- Artikel 83, § 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 3 februari 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen over artikel 2, § 2, van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, en over artikel 83, § 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Brussel. Sociaal recht

  • Arbeidsrecht

  • Arbeidsovereenkomsten

  • Werknemers die lid zijn van het stuurpersoneel of van het cabinepersoneel van de burgerlijke luchtvaart

  • 1. Personeelsafgevaardigde

  • a. Ontslagbescherming

  • b. Verkiesbaarheidsvoorwaarde

  • Leeftijdsvoorwaarde

  • 2. Werknemer die de pensioengerechtigde leeftijd bereikt

  • Ontslag

  • Verkorte opzeggingstermijn.