- Arrest van 3 februari 2011

03/02/2011 - 16/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 1675/19, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 20 van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, A. Alen, J.-P. Snappe, J. Spreutels en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 11 februari 2010 in zake I.L. tegen de cv « CHU Ambroise Paré » en anderen, in aanwezigheid van Manuella Senecaut, schuldbemiddelaar, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 17 februari 2010, heeft de Arbeidsrechtbank te Bergen de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 1675/19 van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de schuldenaar die schuldbemiddeling heeft genoten en die in de onmogelijkheid verkeert om de staat van kosten en erelonen van de schuldbemiddelaar te betalen (zelfs binnen een redelijke termijn), verschillend behandelt naargelang hij :

1. een volledige kwijtschelding van schulden of een aanzuiveringsregeling met kwijtschelding van schulden in kapitaal geniet en van die bemiddelingskosten is of kan worden vrijgesteld via het optreden van het Fonds ter bestrijding van de overmatige schuldenlast;

2. geen volledige kwijtschelding van schulden of geen aanzuiveringsregeling met kwijtschelding van schulden in kapitaal geniet en niet van die bemiddelingskosten kan worden vrijgesteld via het optreden van het Fonds ter bestrijding van de overmatige schuldenlast ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 1675/19 van het Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt :

« § 1. De regels en barema's tot vaststelling van het ereloon, de emolumenten en de kosten van de schuldbemiddelaar worden door de Koning bepaald. De Koning oefent deze bevoegdheden uit op de gezamenlijke voordracht van de ministers tot wier bevoegdheid Justitie en Economische Zaken behoren.

§ 2. De staat van ereloon, emolumenten en kosten van de schuldbemiddelaar komt ten laste van de schuldenaar en wordt bij voorrang betaald.

Onverminderd artikel 1675/9, § 4, houdt de schuldbemiddelaar tijdens de opmaak van de regeling van de baten van het vermogen van de schuldenaar een reserve af voor de betaling van ereloon, emolumenten en kosten.

In geval van totale kwijtschelding van schulden legt de rechter de totale of gedeeltelijke onbetaalde honoraria van de schuldbemiddelaar ten laste van het Fonds ter bestrijding van de overmatige schuldenlast bedoeld in artikel 20 van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen.

Indien de regeling voorziet in een kwijtschelding van schulden in kapitaal en enkel mits wordt gerechtvaardigd dat de verzoeker in de onmogelijkheid verkeert de honoraria binnen een redelijke termijn te betalen, kan de rechter de totale of gedeeltelijke onbetaalde honoraria van de schuldbemiddelaar ten laste leggen van het Fonds.

De schuldbemiddelaar duidt in zijn verzoek de redenen aan waarom de aangelegde reserve onvoldoende is en waarom de beschikbare middelen van de schuldenaar ontoereikend zijn om het ereloon te betalen.

De rechter geeft de redenen aan die de interventie van het Fonds rechtvaardigen. Het bedrag van de honoraria van de schuldbemiddelaar mag niet hoger liggen dan 1.200 euro tenzij mits een bijzondere gemotiveerde beslissing van de rechter.

In het ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling, bedoeld in artikel 1675/10, § 2, en in de gerechtelijke aanzuiveringsregeling wordt aangegeven hoe de vervallen en te vervallen honoraria worden betaald door de schuldenaar.

§ 3. Tenzij deze maatregelen getroffen werden door de beschikking bedoeld in artikel 1675/10, § 5, in artikel 1675/12 of in artikel 1675/13, geeft de rechter, op verzoek van de schuldbemiddelaar, een bevel tot tenuitvoerlegging voor het voorschot dat hij bepaalt of ten belope van het bedrag van de erelonen, emolumenten en kosten dat hij vaststelt. Zo nodig hoort hij voorafgaandelijk in raadkamer de opmerkingen van de schuldenaar, van de schuldeisers en van de schuldbemiddelaar. De beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep. Bij elk verzoek van de schuldbemiddelaar wordt een gedetailleerd overzicht van de te vergoeden prestaties en van de gedragen of te dragen kosten gevoegd ».

B.2.1. Uit de motivering van het verwijzingsvonnis blijkt dat de prejudiciële vraag beperkt is tot artikel 1675/19, § 2, dat in het derde en het vierde lid ervan de tegemoetkoming van het Fonds ter bestrijding van de overmatige schuldenlast, dat werd opgericht bij artikel 20 van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen, zou beperken tot de gevallen van volledige kwijtschelding van schulden (derde lid) of kwijtschelding van schulden in kapitaal (onder de voorwaarden bepaald in het vierde lid).

B.2.2. Artikel 1675/19, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek zou een verschil in behandeling creëren onder schuldenaars die een procedure van collectieve schuldenregeling genieten naargelang deze al dan niet leidt tot een volledige kwijtschelding van schulden of tot een kwijtschelding van schulden in kapitaal : alleen voor diegenen aan wie één van die kwijtscheldingen wordt toegekend, zouden de kosten, de emolumenten en het ereloon van de schuldbemiddelaar ten laste kunnen worden genomen door het Fonds ter bestrijding van de overmatige schuldenlast.

B.3. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden, houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels, een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen.

B.4. Zoals de Ministerraad aangeeft, dient de in het geding zijnde bepaling in samenhang te worden gelezen met artikel 20 van de voormelde wet van 5 juli 1998 (dat verwijst naar artikel 1675/19 van het Gerechtelijk Wetboek, vóór de wijziging ervan bij artikel 34 van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I)), waarvan de paragrafen 3 en 4 bepalen :

« § 3. Ten laste van het Fonds worden aangerekend :

1° de betaling van het onbetaald gebleven saldo na toepassing van artikel 1675/19, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, van het ereloon, de emolumenten en de kosten van de schuldbemiddelaars, voor de verrichtingen, uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het Vijfde Deel, Titel IV, van het Gerechtelijk Wetboek;

2° de betaling van de inrichtings- en werkingskosten van de administratieve cel van het Fonds en van de kosten van het administratieve personeel en van het controlepersoneel, toegewezen aan deze administratieve cel;

3° de betaling van maatregelen inzake informatie en sensibiliseren gericht tot de personen bedoeld in deze wet met betrekking tot de doelstellingen en de werking van deze wet, en meer in het algemeen, de financiering van maatregelen inzake informatie en sensibiliseren omtrent schuldoverlast. De Koning bepaalt, bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de modaliteiten en de nadere regels betreffende de toekenning van de middelen van het Fonds die worden gebruikt voor deze maatregelen inzake informatie en sensibiliseren. Er kunnen slechts middelen worden toegekend wanneer de schulden van het Fonds zijn weggewerkt en het Fonds een structureel budgettair overschot realiseert;

4° de betaling van het gedeelte van de erelonen, emolumenten en kosten van de schuldbemiddelaars dat door de rechter bepaald is overeenkomstig artikel 1675/19, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

§ 4. Om de tussenkomst van het Fonds ter Bestrijding van de Overmatige Schuldenlast te bekomen, delen de schuldbemiddelaars aan dit Fonds het onbetaald gebleven saldo na toepassing van artikel 1675/19, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, van hun ereloon, de emolumenten en de kosten voor de verrichtingen uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het Vijfde Deel, Titel IV, van het Gerechtelijk Wetboek, mee.

In het in artikel 1675/19, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde geval deelt de schuldbemiddelaar een afschrift van de beslissing van de rechter aan het Fonds mee ».

B.5. Uit die bepaling blijkt dat de tegemoetkoming van het Fonds niet beperkt is tot de gevallen die worden beoogd door het voormelde artikel 1675/19, § 2. Dat artikel vloeit overigens, in de huidige versie ervan, voort uit artikel 34 van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I). In de memorie van toelichting van die wet wordt erop gewezen dat de kosten, de emolumenten en het ereloon van de bemiddelaar de voorrang voor gerechtskosten genieten (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2760/001, p. 29) en wordt aangegeven dat de tegemoetkoming van het Fonds werd opgevat als een aanvullende waarborg (ibid., p. 33), vermits de door het Fonds toegelaten uitgaven « het onbetaald gebleven saldo » van het ereloon bedoeld in artikel 20 van de wet van 5 juli 1998 betreffen (ibid., p. 29). Na een tekort van het Fonds te hebben vastgesteld (ibid., pp. 31 tot 34), heeft de wetgever, door een wijziging van artikel 1675/19, willen vermijden dat « alle erelonen door het Fonds [worden gedragen] » (ibid., p. 31). In de parlementaire voorbereiding wordt in dat verband aangegeven :

« Het onderhavige ontwerp wijzigt geenszins de beginselen van de oorspronkelijke wet.

Het herbevestigt en verduidelijkt zowel de geest als de letter van de wet, teneinde alle bemiddelaars in de toekomst ervan te verzekeren dat hun onbetaalde erelonen zullen worden betaald, en om de essentiële functie van het Fonds in de procedure van de collectieve schuldenregeling te kunnen bestendigen.

[...]

In geval van totale schuldkwijtschelding worden de honoraria ten laste gelegd van het Fonds, ongeacht of ze is opgenomen in een minnelijke of een gerechtelijke aanzuiveringsregeling.

In die veronderstelling beschikt de verzoeker over weinig of geen middelen. In dat geval worden de honoraria verondersteld niet te zijn betaald. Het komt de rechter toe te beslissen of de honoraria geheel of gedeeltelijk ten laste van het Fonds worden gelegd. Er kan inderdaad nog een beschikbaar bedrag zijn, dat ofwel ter beschikking van de verzoeker zal worden gesteld ofwel moet dienen om de schuldbemiddelaar te betalen. De tekst van artikel 1675/19, § 2, derde lid van het ontwerp werd zoals de Raad van State voorstelt, aangepast zodat er overeenstemming is tussen de tekst van het ontwerp en de memorie van toelichting.

Kan een dergelijke maatregel in hoofde van de schuldbemiddelaars de verzoeken tot schuldkwijtschelding in de hand werken ?

Totale schuldkwijtschelding is aan strikte voorwaarden onderworpen.

Bij minnelijke schikking is het akkoord van alle schuldeisers vereist. De ervaring leert dat een eenparig akkoord voor een totale kwijtschelding de uitzondering blijft. De totale schuldkwijtschelding door de rechter is onderworpen aan voorwaarden die de rechter soeverein beoordeelt.

Algemeen gezien strekt onderhavig ontwerp ertoe de betaling van de schuldbemiddelaar in alle omstandigheden te verzekeren.

In de andere gevallen dan dat bedoeld in artikel 1675/13bis moeten de honoraria door de verzoeker worden betaald. Maar in het geval van een kwijtschelding van schulden in kapitaal kan de interventie van het Fonds worden gevraagd als de onmogelijkheid tot betalen is aangetoond.

Wanneer de verzoeker geen schuldkwijtschelding geniet, betekent dit dat er een beschikbaar bedrag aanwezig is om de schuldeisers te betalen. Derhalve geldt de regel van de wet van 1998 : de schuldbemiddelaar heeft voorrang wat de betaling van zijn honoraria betreft.

De schuldbemiddelaar zal, zodra de toelaatbaarheidsbeslissing is genomen, een reserve moeten aanlegen voor de betaling van de honoraria. Deze verplichting werd toegevoegd in § 2 van artikel 1675/19. Heel wat schuldbemiddelaars gaan reeds vandaag zo te werk. Het aanleggen van de reserve moet gebeuren met naleving van artikel 1675/9, § 4, dat bepaalt dat de schuldbemiddelaar een leefgeld dat ten minste gelijk is aan het bedrag dat met toepassing van de artikelen 1409 tot 1412 beschermd wordt, ter beschikking van de verzoeker stelt.

Die reserve moet redelijk zijn. Ze mag worden geraamd op basis van het aantal in het verzoekschrift vermelde schuldeisers, de inkomsten, de al dan niet waarschijnlijke moeilijkheden van de procedure ...

Aangezien de gemiddelde duur van de regelingen 12 maanden bedraagt en de honoraria op gemiddeld 1.200 euro worden geraamd, betekent dit dat gemiddeld een reserve van 100 euro per maand moet worden aangelegd om de honoraria te betalen.

Op het ogenblik van de homologatie of de beslissing van de rechter aangaande een regeling, kan die reserve ontoereikend zijn, hetzij omdat het beschikbaar bedrag te laag is, hetzij omdat er uitgaven zijn gebeurd die waren gerechtvaardigd op grond van het respect voor de menselijke waardigheid en desgevallend door de rechter waren toegestaan.

Het kan ook dat het plan in een prioritaire betaling voorziet (artikel 1675/10, § 4 en 1675/13, § 6).

Ingeval de rekening van bemiddeling ontoereikend is, moeten de terugbetalingsmodaliteiten in de regeling worden bepaald.

In de minnelijke regeling kan worden bepaald dat de eerste maandelijkse stortingen al dan niet exclusief aan de betaling van de honoraria zullen worden besteed.

In het kader van een gerechtelijke regeling kan de rechter ook beslissen op welke manier de honoraria worden betaald, rekening houdend met de voorrang voor de bemiddelaar. Hij kan enkel beslissen tot een niet-exclusieve terugbetaling, namelijk een regeling die voorziet in een maandelijkse terugbetaling zowel van de schuldeisers als van de bemiddelaar, indien laatstgenoemde hiermee akkoord gaat.

De bemiddelaar moet kunnen aantonen dat het voor de verzoeker niet mogelijk is binnen een redelijke termijn te betalen na de homologatie of de beslissing tot een gerechtelijke regeling. De aanduiding van een vaste termijn om het begrip ' onbetaalde honoraria ' nader te bepalen, bijv. de honoraria worden verondersteld onbetaald te zijn indien niet is betaald binnen 5 maanden na de homologatie van de regeling of van de beslissing tot een gerechtelijke regeling, zou weliswaar zekerheid hebben gebracht maar ook voor ongelijkheden hebben gezorgd, gelet op de verscheidenheid van de situaties. Zo is voor een plan dat snel wordt uitgewerkt, bijv. drie maanden na de toelaatbaarheidsbeslissing, een termijn van meerdere maanden voor de betaling van de honoraria redelijk. Voor een plan daarentegen dat pas een hele tijd na de toelaatbaarheidsbeslissing tot stand komt, zou de betalingstermijn eerder kort moeten zijn » (ibid., pp. 34 tot 36; in dezelfde zin, DOC 51-2760/036, pp. 26 tot 34).

B.6.1. Uit die elementen volgt dat, vermits de tegemoetkoming van het Fonds mogelijk is in andere gevallen dan die van een volledige kwijtschelding van schulden en een kwijtschelding van schulden in kapitaal - vermeld in de in het geding zijnde bepaling -, het verschil in behandeling dat het voorwerp vormt van de prejudiciële vraag, onbestaande is.

B.6.2. Het feit dat de tenlasteneming, door het Fonds, van de kosten, de emolumenten en het ereloon van de bemiddelaar in de gevallen van gerechtelijke aanzuivering die door de in het geding zijnde bepaling worden beoogd, een optreden van de rechter veronderstelt terwijl de beslissing aan het Fonds zelf toekomt in de andere gevallen, kan worden verantwoord door de omstandigheid dat de gedeeltelijke of volledige kwijtschelding van schulden die wordt beoogd in de artikelen 1675/13 en 1675/13bis, aan het oordeel van de rechter is onderworpen, die aldus over elementen beschikt op grond waarvan hij in de tegemoetkoming van het Fonds kan voorzien, rekening houdend met het feit dat de schuldenaar in voorkomend geval niet in staat zal zijn om de bemiddelaar te betalen of te vergoeden. In de andere gevallen staat het aan het Fonds te beoordelen in welke mate de schuldenaar van de bemiddelingskosten kan worden vrijgesteld en, in voorkomend geval, rekening te houden met het voorrecht dat de bemiddelaar bij artikel 1675/19, § 2, eerste lid, is toegekend en met de reserve die door de bemiddelaar op grond van artikel 1675/19, § 2, tweede lid, is aangelegd. Dat zijn aldus pertinente redenen om de daadwerkelijke draagkracht van de schuldenaar om de bemiddelaar te betalen of te vergoeden, te laten verifiëren, door de rechter in het eerste geval, en door het Fonds in de andere gevallen. Rekening houdend met de bekommernis van de wetgever om zowel de bemiddelaars de betaling van hun kosten, emolumenten en ereloon te waarborgen als het financiële evenwicht van het Fonds te vrijwaren, worden de rechten van de betrokkenen, zoals de bemiddelaar die, zoals te dezen, de tegemoetkoming van het Fonds kan verkrijgen op grond van artikel 20, § 4, van de wet van 5 juli 1998, niet op onevenredige wijze aangetast.

B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 1675/19, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 20 van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 3 februari 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 1675/19 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Bergen. Gerechtelijk recht

  • Collectieve schuldenregeling

  • Fonds ter bestrijding van de overmatige schuldenlast

  • Gevallen van tussenkomst.