- Arrest van 3 februari 2011

03/02/2011 - 19/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 1022, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 9 april 2010 in zake het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen (RSVZ) tegen Géry Cardyn en de bvba « Selcar », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 16 april 2010, heeft het Arbeidshof te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 1022, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het niet toelaat dat de rechtsplegingsvergoeding verschuldigd door een persoon wiens inkomenssituatie hem in staat zou stellen tweedelijns juridische bijstand te genieten maar die zulks niet vordert, zelfs in geval van een kennelijk onredelijke situatie kan worden verminderd tot onder het minimumbedrag waarin bij koninklijk besluit is voorzien, terwijl die vermindering kan worden toegekend aan de begunstigde van de tweedelijns juridische bijstand, waarbij de in het geding zijnde bepaling personen die zich in vergelijkbare situaties bevinden aldus op verschillende wijze behandelt ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 1022, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals het van kracht was op het ogenblik van de feiten, vóór de wijziging ervan bij de wet van 21 februari 2010 « tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162bis van het Wetboek van strafvordering en tot opheffing van artikel 6 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties », bepaalde :

« Indien de in het ongelijk gestelde partij van de tweedelijns juridische bijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het door de Koning vastgestelde minimum, tenzij in geval van een kennelijk onredelijke situatie. De rechter motiveert in het bijzonder zijn beslissing op dat punt ».

B.2. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel 1022, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de in het geding zijnde bepaling de begunstigden van de juridische tweedelijnsbijstand die een vermindering van de rechtsplegingsvergoeding tot onder het door de Koning vastgestelde minimum kunnen verkrijgen en de personen die, aangezien zij het voordeel van de juridische tweedelijnsbijstand niet hebben aangevraagd terwijl hun financiële situatie hen in staat zou stellen die bijstand wel te verkrijgen, een dergelijke vermindering niet zouden kunnen genieten, verschillend zou behandelen.

B.3.1. De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vraag zonder voorwerp zou zijn aangezien het aangevoerde verschil in behandeling niet zou voortvloeien uit de in het geding zijnde bepaling maar zijn oorsprong zou vinden in het systeem van de juridische bijstand zoals het in het bijzonder bij de artikelen 508/7, 508/13 en 508/14 van het Gerechtelijk Wetboek is ingevoerd en geregeld.

B.3.2. Wanneer een exceptie van onontvankelijkheid tevens betrekking heeft op de draagwijdte die aan de in het geding zijnde bepaling dient te worden gegeven, valt het onderzoek van de ontvankelijkheid samen met dat van de grond van de zaak.

B.4.1. Artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet bepaalt dat de economische, sociale en culturele rechten onder meer het recht op « juridische bijstand » omvatten.

Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgt het recht op een eerlijk proces.

B.4.2. Het recht op de toegang tot de rechter, dat een wezenlijk aspect van het recht op een eerlijk proces vormt, is fundamenteel in een rechtsstaat.

B.5. In zijn arrest nr. 182/2008 van 18 december 2008 heeft het Hof voor recht gezegd :

« B.7.4. Met toepassing van artikel 508/13 van het Gerechtelijk Wetboek kan ' de juridische tweedelijnsbijstand [...] gedeeltelijk of volledig kosteloos zijn voor wie over onvoldoende inkomsten beschikt en voor de met hen gelijkgestelde personen '.

De rechtzoekenden wier inkomsten als onvoldoende worden beschouwd, hebben recht op de bijstand van een advocaat, ook voor een vertegenwoordiging in rechte, die volledig of gedeeltelijk ten laste wordt genomen door de Schatkist. De rechtzoekenden die tot die categorie behoren, betalen dus niet, of niet volledig, de kosten en erelonen die, indien zij het voordeel van de juridische bijstand niet zouden genieten, van hen zouden worden gevorderd door de advocaat die hun zaak verdedigt.

B.7.5. De wetgever heeft bij de totstandkoming van de regeling van de verhaalbaarheid die het voorwerp van de bestreden wet uitmaakt, rekening gehouden met de specifieke situatie van de rechtzoekenden die juridische tweedelijnsbijstand genieten. Wanneer de winnende partij juridische bijstand geniet, diende aldus te worden vermeden dat ' de advocaat voor de geleverde prestaties dubbel wordt vergoed ' en moest ' men ook erover waken dat de rechtsonderhorige niet onrechtmatig geniet van een rechtsplegingsvergoeding die de kosten en honoraria van zijn advocaat dekt, daar waar die net door de Staat ten laste werden genomen in het kader van het systeem van de juridische bijstand ' (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-1686/4, p. 2). De artikelen 508/19 tot 508/20 van het Gerechtelijk Wetboek zijn in die zin aangepast.

B.7.6.1. Luidens het door het bestreden artikel 7 ingevoegde artikel 1022, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, wordt indien de in het ongelijk gestelde partij juridische bijstand geniet, de rechtsplegingsvergoeding vastgesteld op het door de Koning bepaalde minimum, tenzij in geval van een kennelijk onredelijke situatie.

B.7.6.2. Door te bepalen dat het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding verschuldigd door de in het ongelijk gestelde rechtzoekende die juridische bijstand geniet, in beginsel wordt vastgesteld op het door de Koning bepaalde minimum, houdt de wetgever rekening met de specifieke situatie van die categorie van rechtzoekenden.

B.7.6.3. Bovendien kan de rechter ' in geval van een kennelijk onredelijke situatie ' afwijken van het door de Koning bepaalde minimum.

B.7.6.4. Ofschoon in de parlementaire voorbereiding is verklaard dat die uitzondering het mogelijk maakt om de vergoeding te verhogen tot boven het minimum, maar nooit om die tot onder dat minimum te verlagen (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2891/002, p. 14), bevat de tekst van artikel 1022, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek geenszins een dergelijke beperking.

B.7.6.5. Bovendien is een dergelijke interpretatie van artikel 1022, vierde lid, onbestaanbaar met de in B.7.3 vermelde standstill -verplichting, vermits de verplichting om een rechtsplegingsvergoeding te betalen die is vastgesteld op het door de Koning bepaalde minimum, het aan de begunstigde van de juridische bijstand geboden beschermingsniveau in aanzienlijke mate zou kunnen verminderen, zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang. Het systeem van de juridische tweedelijnsbijstand strekt immers ertoe de toegang tot de rechter mogelijk te maken voor de rechtzoekenden die niet over voldoende financiële middelen beschikken om de kosten en erelonen verbonden aan hun eigen verdediging te betalen.

B.7.6.6. De bestreden bepaling kan dus alleen in die zin worden geïnterpreteerd dat zij het de rechter mogelijk maakt het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding verschuldigd door de rechtzoekende die juridische tweedelijnsbijstand geniet, vast te stellen onder het door de Koning bepaalde minimum, en het zelfs op een symbolisch bedrag vast te stellen wanneer hij, met een in het bijzonder op dat punt gemotiveerde beslissing, oordeelt dat het kennelijk onredelijk zou zijn die vergoeding op het door de Koning bepaalde minimum vast te stellen ».

B.6. Er bestaat een verschil in behandeling tussen de rechtzoekende die juridische tweedelijnsbijstand geniet en diegene die hem had kunnen genieten indien hij zulks had aangevraagd.

Enkel de eerstgenoemde rechtzoekende zal immers een vermindering, door de rechter, van het minimumbedrag van de rechtsplegingsvergoeding kunnen genieten, in tegenstelling tot de rechtzoekende die juridische tweedelijnsbijstand had kunnen genieten maar zulks niet heeft aangevraagd.

B.7.1. Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het al dan niet hebben uitgeoefend van het recht op juridische tweedelijnsbijstand, zoals het bij de artikelen 508/7 tot 508/18 van het Gerechtelijk Wetboek is ingevoerd en geregeld. Het is om rekening te houden met de specifieke situatie van de rechtzoekenden die die juridische bijstand genieten, dat artikel 1022, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek in de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat is ingevoegd.

B.7.2. De maatregel is ook pertinent ten aanzien van het door de wetgever beoogde doel rekening te houden met de specifieke situatie van de begunstigden van de juridische tweedelijnsbijstand. Daarom heeft de wetgever in casu toegestaan dat de rechter het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding vermindert in de hypothese dat de in het ongelijk gestelde partij juridische tweedelijnsbijstand geniet, zonder dat hij daarom die vermindering kan doorvoeren ten gunste van een rechtzoekende die, hoewel hij die tweedelijnsbijstand niet heeft aangevraagd, hem wel had kunnen genieten.

B.8.1. Door het voordeel van de toepassing van artikel 1022, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek te beperken tot de personen die de juridische tweedelijnsbijstand hebben aangevraagd en die hem hebben verkregen, heeft de wetgever geen afbreuk gedaan aan de bij artikel 23, derde lid, van de Grondwet gewaarborgde standstill -verplichting. Die bepaling impliceert een standstill -verplichting die eraan in de weg staat dat de wetgever het bestaande beschermingsniveau in aanzienlijke mate vermindert, zonder dat daarvoor redenen van algemeen belang bestaan. De rechten van de rechtzoekende die geen juridische tweedelijnsbijstand heeft aangevraagd, worden niet aanzienlijk ingeperkt door artikel 1022, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aangezien het die rechtzoekende niet verhindert om die aanvraag in te dienen.

B.8.2. De in het geding zijnde bepaling doet geen afbreuk aan het recht op een eerlijk proces, zoals het bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens is gewaarborgd, aangezien de rechtzoekenden de mogelijkheid hebben om al dan niet het recht op juridische tweedelijnsbijstand dat hun wordt toegekend uit te oefenen.

B.8.3. Ten slotte heeft de in het geding zijnde bepaling geen onevenredige gevolgen voor de niet-verschijnende rechtzoekende die het voordeel van de juridische tweedelijnsbijstand niet heeft aangevraagd. Het systeem van de juridische tweedelijnsbijstand, zoals het bij de artikelen 508/13 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek is geregeld, maakt het immers mogelijk dat een persoon die verzet zou willen aantekenen tegen een beslissing waarbij hij tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding wordt veroordeeld, op elk ogenblik een aanvraag indient om de volledige of gedeeltelijke kosteloosheid te genieten en, bijgevolg, in voorkomend geval, artikel 1022, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals het door het Hof in zijn voormelde arrest nr. 182/2008 is geïnterpreteerd, kan genieten.

B.9. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 1022, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 3 februari 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 1022, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals dat artikel vervangen werd bij artikel 7 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, gesteld door het Arbeidshof te Brussel. Gerechtelijk recht

  • Verhaalbaarheid van kosten en honoraria van een advocaat

  • Toepassingsgebied

  • Rechtzoekenden die juridische tweedelijnsbijstand genieten. # Rechten en vrijheden

  • 1. Recht op een eerlijk proces

  • Recht op toegang tot de rechter

  • 2. Economische, sociale en culturele rechten

  • Recht op juridische bijstand

  • Standstillverplichting.