- Arrest van 10 februari 2011

10/02/2011 - 23/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 21 van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten schendt artikel 12 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 29 januari 2010 in zake L.F. tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 16 februari 2010, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 21 van de wet tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten, artikel 12 van de Grondwet in de interpretatie dat een internering op basis van artikel 21 van deze wet ook na het einde van de straftijd van kracht blijft ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling

B.1.1. Artikel 21 van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten, zoals vervangen bij artikel 1 van de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en de gewoontemisdadigers, bepaalt :

« De wegens misdaad of wanbedrijf veroordeelde personen die, tijdens hun hechtenis, in staat van krankzinnigheid of in een ernstige staat van geestesstoornis of van zwakzinnigheid worden bevonden, die hen ongeschikt maakt tot het controleren van hun daden, kunnen geïnterneerd worden krachtens een beslissing van de minister van Justitie, genomen op eensluidend advies van de commissie tot bescherming van de maatschappij.

De internering heeft plaats in de inrichting die de commissie tot bescherming van de maatschappij aanwijst overeenkomstig artikel 14; de artikelen 15 tot 17 zijn mede van toepassing.

Indien de geestestoestand van de veroordeelde vóór het verstrijken van de straftijd voldoende is verbeterd zodat zijn internering niet meer nodig is, stelt de commissie dat vast en gelast de minister van Justitie de terugkeer van de veroordeelde naar de strafinrichting waar hij voordien in hechtenis was.

Voor de toepassing van de wet op de voorlopige invrijheidstelling wordt de tijd van de internering gelijkgesteld met hechtenis ».

B.1.2. Die bepaling wordt opgeheven bij artikel 153 van de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis, met ingang van een door de Koning te bepalen datum en uiterlijk op 1 januari 2012 (artikel 157 van de wet van 21 april 2007, zoals gewijzigd bij artikel 7 van de wet van 24 juli 2008 houdende diverse bepalingen (II)).

B.1.3. Vermits het voormelde artikel 153 van de wet van 21 april 2007 nog niet in werking is getreden, is artikel 21 van de wet van 9 april 1930 nog steeds van toepassing.

Ten gronde

B.2. De verwijzende rechter vraagt of artikel 21 van de wet van 9 april 1930 bestaanbaar is met artikel 12 van de Grondwet in de interpretatie dat, indien de geestestoestand van een veroordeelde die wordt geïnterneerd krachtens een beslissing van de minister van Justitie, niet voldoende is verbeterd op het ogenblik van het verstrijken van de straftijd, zodat zijn internering nodig blijft, die maatregel voortduurt.

B.3. Artikel 12, eerste lid, van de Grondwet bepaalt :

« De vrijheid van de persoon is gewaarborgd ».

B.4.1. Wanneer een verdragsbepaling die België bindt, een draagwijdte heeft die analoog is aan die van één van de grondwetsbepalingen waarvan de toetsing tot de bevoegdheid van het Hof behoort en waarvan de schending wordt aangevoerd, vormen de waarborgen vervat in die verdragsbepaling een onlosmakelijk geheel met de waarborgen die in de betrokken grondwetsbepalingen zijn opgenomen.

B.4.2. Artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« 1. Eenieder heeft recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid. Niemand mag van zijn vrijheid worden beroofd, behalve in de navolgende gevallen en langs wettelijke weg :

[...]

e) in het geval van rechtmatige gevangenhouding van personen die een besmettelijke ziekte zouden kunnen verspreiden, van geesteszieken, van verslaafden aan alcohol of verdovende middelen of van landlopers;

[...]

4. Eenieder die door arrestatie of gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd heeft het recht voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de gevangenhouding onrechtmatig is.

[...] ».

B.4.3. Vermits zowel artikel 12 van de Grondwet als artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens het recht op vrijheid waarborgen, dient het Hof, bij de toetsing aan de in de prejudiciële vraag aangehaalde grondwetsbepaling, rekening te houden met de voormelde verdragsbepaling.

B.5.1. Artikel 23 van de wet van 9 april 1930 bepaalde oorspronkelijk dat de veroordeelden die krachtens een beslissing van de minister van Justitie worden geïnterneerd, na het verstrijken van hun straf op het verzoek van het openbaar ministerie « in het gesticht [kunnen] worden behouden, bij beschikking van de rechtbank die de veroordeeling heeft uitgesproken, overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 7, 19 en 22, en wel voor den daarin bepaalden termijn, na aftrek echter, in voorkomend geval, van den duur der door hen reeds ondergane hechtenis of interneering ».

B.5.2. Uit die bepaling vloeide voort dat de rechtbank die over de verlenging van de internering diende te beslissen, de handhaving van de internering enkel kon gelasten voor de duur die zij oorspronkelijk had kunnen uitspreken en na aftrek van de reeds ondergane hechtenis of internering.

B.5.3. Die beperking in de tijd komt niet langer voor in het bij artikel 1 van de wet van 1 juli 1964 vervangen artikel 21 van de wet van 9 april 1930. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 1 juli 1964 werd hieromtrent het volgende uiteengezet :

« het [is] ingevolge de noodzakelijkheid de maatschappij te beschermen tegen de vanzelfsprekende risico's die uit een gevaarlijke psychische toestand voortvloeien, niet mogelijk rekening te houden met de vroeger ondergane hechtenis. Er valt ook op te merken dat dit gevaar niet gekend was toen de oorspronkelijke veroordeling werd uitgesproken. Tenslotte is, ingevolge de aard van de internering die een maatregel van betrekkelijk onbepaalde duur is, een vervroegde invrijheidstelling mogelijk zodra de geestestoestand geen gevaar meer is en al de voorwaarden voor de reclassering vervuld zijn » (Parl. St., Senaat, 1959-1960, nr. 514, p. 12).

B.5.4. Uit wat voorafgaat vloeit voort dat, indien de geestestoestand van de veroordeelde op het ogenblik van het verstrijken van de straftijd niet voldoende is verbeterd, zodat zijn internering nodig blijft, die maatregel voortduurt totdat de commissie tot bescherming van de maatschappij gelast dat de geïnterneerde in vrijheid zal worden gesteld.

B.6. Opdat de gevangenhouding van een geesteszieke rechtmatig zou zijn, moet volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens worden voldaan aan drie minimumvoorwaarden : er moet, op basis van een objectieve, medische expertise worden aangetoond dat er een reële en voortdurende mentale stoornis bestaat; die stoornis moet bovendien van dien aard zijn dat zij de opsluiting kan rechtvaardigen; de internering mag slechts zolang duren als de persoon geestesgestoord blijft, in die zin dat de geïnterneerde de mogelijkheid moet krijgen om vrij te komen zodra hij opnieuw gezond is (EHRM, 24 oktober 1979, Winterwerp t. Nederland, § 39).

B.7. Internering is geen straf, maar een maatregel om ervoor te zorgen dat een geesteszieke geen schade meer kan toebrengen en, terzelfder tijd, om hem een curatieve behandeling te doen ondergaan. Gelet op de aard van die maatregel is het redelijk verantwoord dat, indien de geestestoestand van een veroordeelde die wordt geïnterneerd krachtens een beslissing van de minister van Justitie, op het ogenblik van het verstrijken van de straftijd niet voldoende is verbeterd, zodat zijn internering nodig blijft, die maatregel voortduurt totdat de commissie tot bescherming van de maatschappij gelast dat de geïnterneerde in vrijheid zal worden gesteld. De risico's die uit een gevaarlijke psychische toestand voortvloeien en die de internering beoogt tegen te gaan, blijven immers voortbestaan totdat de commissie tot bescherming van de maatschappij van oordeel is dat de geestestoestand van de geïnterneerde voldoende is verbeterd en dat de voorwaarden voor zijn reclassering zijn vervuld.

B.8.1. De geïnterneerde moet de mogelijkheid krijgen om zijn invrijheidstelling aan te vragen wanneer hij van oordeel is dat zijn geestestoestand voldoende is verbeterd.

B.8.2. Artikel 18 van de wet van 9 april 1930, zoals vervangen bij artikel 1 van de wet van 1 juli 1964 en zoals gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 10 februari 1998 « tot wijziging van de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers teneinde de advocaat van de geïnterneerde het recht toe te kennen beroep in te stellen tegen de beslissing van de commissie tot bescherming van de maatschappij die een verzoek om invrijheidstelling afwijst » en bij artikel 40 van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (II) bepaalt :

« De commissie houdt zich op de hoogte van de toestand van de geïnterneerde en kan zich met het oog daarop naar de plaats van zijn internering begeven of deze taak aan een van haar leden opdragen. Zij kan, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de procureur des Konings, van de geïnterneerde of van zijn advocaat, gelasten dat de geïnterneerde voorgoed of op proef in vrijheid zal worden gesteld, wanneer zijn geestestoestand voldoende verbeterd is en de voorwaarden voor zijn reclassering vervuld zijn. Wordt het verzoek van de geïnterneerde of zijn advocaat afgewezen, dan kan het niet hernieuwd worden vóór het verstrijken van een termijn van zes maanden met ingang van de datum van de definitieve afwijzing.

Hiertoe kan de commissie, ambtshalve of op het verzoek van de geïnterneerde of zijn advocaat, aan de arrondissementele afdeling van de Dienst Justitiehuizen van de FOD Justitie van de verblijfplaats van de geïnterneerde opdracht geven tot het opstellen van een beknopt voorlichtingsrapport of het uitvoeren van een maatschappelijke enquête. De Koning bepaalt de nadere regels inzake het beknopt voorlichtingsrapport en de maatschappelijke enquête.

Deze rapporten en deze onderzoeken mogen alleen de pertinente elementen bevatten die van aard zijn de overheid die het verzoek tot de dienst van de justitiehuizen richtte in te lichten over de opportuniteit van de overwogen maatregel of straf.

Het bepaalde in artikel 16 is van toepassing.

In dringende gevallen kan de voorzitter van de commissie voorlopig de invrijheidstelling van de geïnterneerde gelasten; hij geeft hiervan onmiddellijk kennis aan de procureur des Konings. Zijn beslissing wordt voorgelegd aan de commissie, die tijdens haar eerstkomende vergadering uitspraak doet ».

B.8.3. Luidens de in het geding zijnde bepaling vindt de internering plaats in de instelling die de commissie tot bescherming van de maatschappij aanwijst overeenkomstig artikel 14 van de wet van 9 april 1930 en zijn de artikelen 15 tot 17 van die wet mede van toepassing. De commissie tot bescherming van de maatschappij is bijgevolg bevoegd voor de tenuitvoerlegging van het ministerieel besluit tot internering.

B.8.4. In het kader van die bevoegdheid kan de commissie nagaan of de geestestoestand van de veroordeelde voldoende is verbeterd zodat zijn internering niet meer nodig is. Artikel 21, derde lid, van de wet van 9 april 1930 bepaalt dienaangaande dat indien de geestestoestand van de veroordeelde vóór het verstrijken van de straftijd voldoende is verbeterd zodat zijn internering niet meer nodig is, de commissie dat vaststelt en de minister van Justitie de terugkeer van de veroordeelde gelast naar de strafinrichting waar hij voordien in hechtenis was.

B.8.5. De in het geding zijnde bepaling beperkt de bevoegdheid van de commissie voor de bescherming van de maatschappij om na te gaan of de geestestoestand van de veroordeelde voldoende is verbeterd, niet tot de straftijd van de veroordeelde. Bijgevolg kan de commissie ook na het verstrijken van de straftijd nagaan of de geestestoestand van de veroordeelde voldoende is verbeterd. Bij gebrek aan enige precisering dienaangaande, dient de in het geding zijnde bepaling aldus te worden geïnterpreteerd dat de commissie bij de uitoefening van de bevoegdheid om na te gaan of de geestestoestand van de veroordeelde voldoende is verbeterd, toepassing maakt van het voormelde artikel 18 van de wet van 9 april 1930.

B.8.6. Uit wat voorafgaat vloeit voort dat de geïnterneerde of zijn advocaat om de zes maanden de commissie kunnen verzoeken dat de geïnterneerde voorgoed of op proef in vrijheid wordt gesteld omdat zijn geestestoestand voldoende zou zijn verbeterd en de voorwaarden voor zijn reclassering zouden zijn vervuld. Aangezien de commissie tot bescherming van de maatschappij zich uitspreekt over de aanvragen tot invrijheidstelling van de geïnterneerden als rechtscollege, dat ertoe gehouden is zijn beslissing in rechte te verantwoorden en te motiveren, is voldaan aan de in artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens geformuleerde vereisten.

B.9. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 21 van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten schendt artikel 12 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 10 februari 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 21 van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Internering van personen met een geestesstoornis

  • Personen die tot een vrijheidsberovende straf zijn veroordeeld

  • Handhaving van de internering na het verstrijken van de straftijd. # Rechten en vrijheden

  • Individuele vrijheid

  • Beperkingen.