- Arrest van 10 februari 2011

10/02/2011 - 24/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 365, § 2, eerste lid, d), van het Gerechtelijk Wetboek, zoals aangevuld bij artikel 8 van de wet van 27 december 2002, schendt niet de artikelen 10 en 11, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 154, van de Grondwet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij arrest van 17 maart 2010 in zake Hans Baeke tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 24 maart 2010, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld :

1. « Is artikel 365, § 2, eerste lid, d) van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 8 van de wet van 27 december 2002 (BS 31 december 2002), strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenlezing met artikel 154 van de Grondwet, in zoverre deze bepaling aan de magistraten die in de periode vanaf 1 oktober 1993 en vóór 31 december 2002 benoemd werden op grond van artikel 194 van het Gerechtelijk Wetboek voor juridische ervaring in de private sector een verhoging toekent van de nuttige anciënniteit voor een maximumduur van 6 jaar vanaf 1 januari 2003, terwijl, in de interpretatie daaraan gegeven door de Belgische Staat, ditzelfde voordeel moet worden geweigerd aan magistraten die op grond van artikel 194 van het Gerechtelijk Wetboek benoemd werden vóór 1 oktober 1993 en die het bewijs leveren dat zij op deze laatste datum voldaan hebben aan alle nieuwe benoemingsvoorwaarden van artikel 194 van het Gerechtelijk Wetboek die vanaf 1 oktober 1993 in werking zijn getreden, in het bijzonder, tenminste 9 jaar (nadien 5 jaar) werkzaam zijn geweest in een juridische functie in openbare of private dienst en, in toepassing van artikel 21, § 1 (nadien 21, eerste lid) van de wet van 18 juli 1991, geslaagd zijn in het voorgeschreven examen inzake beroepsbekwaamheid of de voorgeschreven gerechtelijke stage hebben doorgemaakt ? »;

2. « Is artikel 365, § 2, eerste lid, d), van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 8 van de wet van 27 december 2002 (BS 31 december 2002), strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenlezing met artikel 154 van de Grondwet, in zoverre deze bepaling aan de magistraten die in de periode vanaf 1 oktober 1993 en vóór 31 december 2002 benoemd werden op grond van artikel 194 van het Gerechtelijk Wetboek voor juridische ervaring in de private sector een verhoging toekent van de nuttige anciënniteit voor een maximumduur van 6 jaar vanaf 1 januari 2003, terwijl, in de interpretatie daaraan gegeven door de Belgische Staat, ditzelfde voordeel moet worden geweigerd aan magistraten die op grond van artikel 194 van het Gerechtelijk Wetboek benoemd werden vóór 1 oktober 1993 en die het bewijs leveren dat zij op deze laatste datum voldaan hebben aan alle nieuwe benoemingsvoorwaarden van artikel 194 van het Gerechtelijk Wetboek die vanaf 1 oktober 1993 in werking zijn getreden, in het bijzonder, tenminste 9 jaar (nadien 5 jaar) werkzaam zijn geweest in een juridische functie in openbare of private dienst en, in toepassing van artikel 21, § 1 (nadien 21, eerste lid) van de wet van 18 juli 1991, geslaagd zijn in het voorgeschreven examen inzake beroepsbekwaamheid of de voorgeschreven gerechtelijke stage hebben doorgemaakt, en die ook nog bewijzen dat bij de concrete overwegingen die hebben geleid tot hun benoeming door de Koning, rekening werd gehouden met hun juridische ervaring in private dienst ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 154 van de Grondwet, van artikel 365, § 2, eerste lid, d), van het Gerechtelijk Wetboek, zoals aangevuld bij artikel 8 van de wet van 27 december 2002 « tot wijziging, wat de wedden van de magistraten van de Rechterlijke Orde betreft, van het Gerechtelijk Wetboek » (hierna : wet van 27 december 2002).

Artikel 9 van diezelfde wet bepaalt :

« Deze wet heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 2002, met uitzondering van artikel 8 dat uitwerking heeft met ingang van 1 mei 2001 ».

Artikel 365, § 2, eerste lid, d), eerste en vierde lid (waarvan dit vierde lid bij de wet van 27 december 2002 is toegevoegd), bepaalt :

« Voor de berekening van de anciënniteit komen in aanmerking :

[...]

d) onverminderd de toepassing van de bepalingen van § 1, de duur van de diensten die volgens de bezoldigingsregeling van het personeel der ministeries in aanmerking kunnen worden genomen voor de berekening van de geldelijke anciënniteit van de ambtenaren van niveau 1 en dit volgens dezelfde regels.

[...]

Onder voorbehoud van de toepassing van de bepaling van punt a), komt echter de als benoemingsvoorwaarde vereiste ervaring in de privé-sector of als zelfstandige, slechts in aanmerking voor een maximumduur van zes jaar vanaf 1 januari 2003 ».

Het punt a) waarnaar in de in het geding zijnde bepaling wordt verwezen, bepaalt - in de na 's Hofs vernietigingsarrest nr. 116/2004 van 30 juni 2004 bij wet van 27 december 2004 houdende diverse bepalingen vervangen versie - dat voor de berekening van de anciënniteit in aanmerking komen, « de tijd van inschrijving bij de balie, evenals de uitoefening van het ambt van notaris door een doctor, licentiaat of master in de rechten ».

B.2. Bij het verwijzende rechtscollege is in hoger beroep de vordering aanhangig van een in 1992 benoemde magistraat, die vraagt dat bij het bepalen van zijn geldelijke anciënniteit met ingang van 1 januari 2003 rekening zou worden gehouden met zijn voorafgaande ervaring als jurist in de privésector. Hij klaagt aan dat voor magistraten die, zoals hij, zijn benoemd vóór 1 oktober 1993, de voorafgaande ervaring als jurist in de privésector niet wordt gevaloriseerd, terwijl dat wel het geval is voor nadien benoemde magistraten.

In zoverre uit de in het geding zijnde bepaling in de daaraan door de Belgische Staat gegeven interpretatie volgt dat enkel de « als benoemingsvoorwaarde vereiste ervaring » in aanmerking kan worden genomen, rijst volgens hem de vraag of dit discriminerend is voor de eerder benoemde magistraten, voor wie die ervaring geen benoemingsvoorwaarde was maar wel een belangrijke, zo niet determinerende, factor bij de benoeming.

De appellant voor het verwijzende rechtscollege bekritiseert niet dat de juridische ervaring eerst vanaf 1 januari 2003 in rekening wordt gebracht, noch dat dit geldt voor een maximumtermijn van zes jaar. Bij zijn arrest nr. 116/2004 van 30 juni 2004 heeft het Hof overigens reeds geoordeeld dat de beperking tot zes jaar niet in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Daarbij oordeelde het Hof ook dat het verschil in valorisatie van de voorafgaande ervaring in de privésector - die aldus is beperkt - en de valorisatie van voorafgaande ervaring als ambtenaar - die volledig wordt verrekend - niet discriminerend is en dat het evenmin discriminerend is om wel rekening te houden met de ervaring aan de balie.

Bij zijn arrest nr. 136/2010 van 9 december 2010 heeft het Hof voorts geoordeeld dat het gegeven dat geen rekening wordt gehouden met de voorafgaande ervaring als vakbondsafgevaardigde voor de arbeidsrechtbanken, maar wel met de ervaring als advocaat of als notaris, niet in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.3.1. In de bewoordingen van de prejudiciële vragen moet meer bepaald een vergelijking worden gemaakt tussen, enerzijds,

« magistraten die in de periode vanaf 1 oktober 1993 en vóór 31 december 2002 benoemd werden op grond van artikel 194 van het Gerechtelijk Wetboek [aan wie de in het geding zijnde bepaling] voor juridische ervaring in de private sector een verhoging toekent van de nuttige anciënniteit voor een maximumduur van 6 jaar vanaf 1 januari 2003 »

en, anderzijds,

« magistraten die op grond van artikel 194 van het Gerechtelijk Wetboek benoemd werden vóór 1 oktober 1993 en die het bewijs leveren dat zij op deze laatste datum voldaan hebben aan alle nieuwe benoemingsvoorwaarden van artikel 194 van het Gerechtelijk Wetboek die vanaf 1 oktober 1993 in werking zijn getreden, in het bijzonder, ten minste 9 jaar (nadien 5 jaar) werkzaam zijn geweest in een juridische functie in openbare of private dienst en, in toepassing van artikel 21, § 1 (nadien 21, eerste lid) van de wet van 18 juli 1991, geslaagd zijn in het voorgeschreven examen inzake beroepsbekwaamheid of de voorgeschreven gerechtelijke stage hebben doorgemaakt ».

B.3.2. De Ministerraad en de Belgische Staat voeren aan dat niet duidelijk is op basis waarvan de onderverdeling wordt gemaakt tussen magistraten benoemd vóór of na 31 december 2002 binnen de categorie van magistraten benoemd na 1 oktober 1993. In ieder geval zouden de categorie van de magistraten benoemd vóór 1 oktober 1993 en die van de magistraten benoemd na die datum, maar uiterlijk op 31 december 2002, niet vergelijkbaar zijn.

B.3.3. Artikel 194 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 10 van de wet van 18 juli 1991 tot wijziging van de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de opleiding en de werving van magistraten (hierna : wet van 18 juli 1991), bepaalde :

« § 1. Om tot substituut-procureur des Konings of substituut-arbeidsauditeur te worden benoemd, moet de kandidaat doctor of licentiaat in de rechten zijn en voor het bij artikel 259bis voorgeschreven examen inzake beroepsbekwaamheid geslaagd zijn of de bij artikel 259quater voorgeschreven gerechtelijke stage doorgemaakt hebben.

§ 2. De kandidaat die voor het examen inzake beroepsbekwaamheid is geslaagd, moet bovendien :

1° hetzij ten minste negen jaar werkzaam zijn geweest aan de balie, een gerechtelijk ambt of het notarisambt hebben vervuld, of een academische of een rechtswetenschappelijke functie hebben bekleed of een juridisch ambt hebben vervuld in een openbare of private dienst;

2° hetzij ten minste vijf jaar een ambt van staatsraad, auditeur, adjunct-auditeur, referendaris, adjunct-referendaris bij de Raad van State of een ambt van referendaris bij het Arbitragehof hebben uitgeoefend.

[...] ».

De in de prejudiciële vragen vermelde referentiedatum van 1 oktober 1993 houdt verband met de inwerkingtreding van de wet van 18 juli 1991.

In zoverre de in het geding zijnde bepaling zo wordt geïnterpreteerd dat enkel de « als benoemingsvoorwaarde vereiste ervaring » in aanmerking kan worden genomen bij het bepalen van de geldelijke anciënniteit, volgt daaruit een verschil in behandeling tussen de magistraten die op grond van artikel 194 van het Gerechtelijk Wetboek zijn benoemd na 1 oktober 1993, van wie een voorafgaande juridische ervaring wordt vereist, en de vóór die datum op basis van het oude artikel 194 van het Gerechtelijk Wetboek benoemde magistraten, voor wie een eventuele juridische ervaring geen benoemingsvoorwaarde was.

B.3.4. Volgens de bewoordingen van de prejudiciële vragen betreft de eerste categorie van personen de « magistraten die in de periode vanaf 1 oktober 1993 en vóór 31 december 2002 benoemd werden ».

De referentiedatum van 31 december 2002 wordt door de appellant voor het verwijzende rechtscollege in verband gebracht met de datum waarop de wet van 27 december 2002 in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt. Hij betoogt dat kandidaat-magistraten vanaf die bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van 31 december 2002 op de hoogte waren van het feit dat er een geldelijk voordeel was verbonden aan de vereiste beroepservaring in een juridische functie in de privésector en dat dit feit ongetwijfeld een « wervend effect » zal hebben gehad op de potentiële kandidaat-magistraten.

Zowel de magistraten benoemd tussen 1 oktober 1993 en 31 december 2002 als die welke nadien zijn benoemd, kunnen in voorkomend geval hun voorafgaande ervaring uit de privésector of als zelfstandige (maximaal zes jaar) in aanmerking doen nemen en hun wedde wordt rekening houdend met die anciënniteit aangepast. Ook de magistraten die behoren tot de eerste categorie van magistraten kunnen die ervaring dus doen gelden, terwijl voor hen niet het « wervend effect » daarvan heeft gespeeld waarvan de appellant voor het verwijzende rechtscollege gewag maakt. Voor het bepalen van de categorieën van magistraten die te dezen moeten worden vergeleken, is de datum van 31 december 2002 derhalve niet relevant.

B.3.5. Het Hof beperkt zich derhalve tot een vergelijking van de categorie van de magistraten die vóór 1 oktober 1993 zijn benoemd op basis van het oude artikel 194 van het Gerechtelijk Wetboek en de magistraten die na die datum zijn benoemd op basis van het bij de wet van 18 juli 1991 gewijzigde artikel 194 van dat Wetboek. Die twee categorieën van personen kunnen wel pertinent worden vergeleken wat de valorisatie van de voorafgaande juridische beroepservaring in de privésector of als zelfstandige bij de weddebepaling betreft.

B.4. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is.

Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

B.5.1. Het verschil in behandeling tussen de te vergelijken categorieën van magistraten berust op een objectief criterium, naargelang zij zijn benoemd vóór of na 1 oktober 1993, tijdstip waarop de wijziging aan artikel 194 van het Gerechtelijk Wetboek bij de wet van 18 juli 1991 in werking is getreden.

B.5.2.1. Dat criterium is pertinent in het licht van die wetswijziging, in zoverre sindsdien, krachtens artikel 194, § 2, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, voor de kandidaten die zijn geslaagd voor het examen inzake beroepsbekwaamheid ook diegenen in aanmerking kwamen « die een juridisch ambt hebben vervuld in een openbare of private dienst », terwijl voordien, krachtens het oude artikel 194, eerste lid, van dat Wetboek, in aanmerking kwamen de kandidaten die « volle vijfentwintig jaar oud zijn, doctor in de rechten zijn, en, in België ten minste drie jaar werkzaam zijn geweest aan de balie, een gerechtelijk ambt of het notarisambt hebben vervuld of een ambt hebben uitgeoefend bij de Raad van State of de rechtswetenschap hebben onderwezen aan een universiteit of een juridisch ambt hebben vervuld bij een Rijksdienst of bij een van de instellingen bedoeld bij de wet van 16 maart 1954 betreffende het toezicht op sommige instellingen van openbaar nut ».

Het regeringsamendement dat geleid heeft tot de wijziging van artikel 365, § 2, eerste lid, d), van het Gerechtelijk Wetboek bij artikel 8 van de wet van 27 december 2002 is als volgt verantwoord :

« In het kader van de Copernicus-hervorming werd het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der ministeries gewijzigd (zie koninklijk besluit van 27 maart 2001 - Belgisch Staatsblad van 14 april 2001). Ingevolge die wijziging komen diensten die in de privé sector of als zelfstandige werden verricht voortaan in aanmerking voor een verhoging in de weddeschaal, voor zover het bericht van aankondiging van de selectieprocedure uitdrukkelijk het bezit van vroegere nuttige ervaring vereist en de kandidaten de nuttige ervaring met elk rechtsmiddel kunnen bewijzen.

De benoemingsvoorwaarden van de magistraten maken naast onder andere balie-ervaring ook gewag van juridische functies in private dienst. Bijgevolg genieten ook de magistraten van de nieuwe regeling die terzake werd uitgewerkt voor de rijksambtenaren.

De regering heeft niettemin de bedoeling de budgettaire impact van de toepassing van deze maatregel op de magistraten te beperken, rekening houdende met het feit dat Copernicus enkel het federaal openbaar ambt viseert. De prestaties in de privé-sector en in hoedanigheid van zelfstandige worden bijgevolg slechts gevaloriseerd als nuttige anciënniteit voor een maximumperiode van 6 jaar. Deze beperkte valorisatie kan overigens, in functie van de budgettaire imperatieven, slechts in werking treden vanaf 1 januari 2003. De rechtsgevolgen van het koninklijk besluit van 27 maart 2001, dat in werking is getreden op 1 mei 2001, dienen derhalve te worden geneutraliseerd. Dit maakt een nieuwe wijziging van artikel 9 noodzakelijk (zie het subamendement op amendement nr. 3).

Er wordt opgemerkt dat de valorisatie van de baliejaren en de jaren van uitoefening van het ambt van notaris onderworpen blijft aan de bepalingen van punt a) van hetzelfde lid » (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-1911/009, p. 2).

De wetgever vermocht in redelijkheid te oordelen dat, naar het voorbeeld van de regeling voor de ambtenaren, ook voor de magistraten de ervaring uit de privésector of als zelfstandige bij het bepalen van de anciënniteit in overweging kon worden genomen nu die ervaring op 1 oktober 1993 een onderdeel was geworden van de voorwaarden voor de benoeming van magistraten zoals bepaald in artikel 194 van het Gerechtelijk Wetboek.

B.5.2.2. De appellant voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat de magistraten benoemd vóór 1 oktober 1993 ook « een nuttige, soms onmisbare beroepservaring [hebben] binnengebracht in de magistratuur » en dat « deze magistraten in feite aan strengere benoemingsvoorwaarden hebben voldaan », nu het voordien niet mogelijk was « om als magistraat te worden benoemd, uitsluitend op grond [van de] ervaring als jurist in de privé-sector ».

Er kan bezwaarlijk worden gesteld dat de benoemingsvoorwaarden voor magistraten niet zijn verstrengd. Weliswaar verleent artikel 194 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij wet van 18 juli 1991, ook toegang tot de bedoelde ambten voor kandidaten met juridische ervaring in openbare of private dienst, maar de kandidaten van wie die ervaring wordt vereist, moeten zijn geslaagd voor het examen inzake beroepsbekwaamheid, terwijl voordien geen dergelijke examens werden georganiseerd.

In zoverre volgens de bewoordingen van de prejudiciële vragen wordt gevraagd de categorie van de magistraten die zijn benoemd na 1 oktober 1993 te vergelijken met « magistraten die op grond van artikel 194 van het Gerechtelijk Wetboek benoemd werden vóór 1 oktober 1993 en die het bewijs leveren dat zij op deze laatste datum voldaan hebben aan alle nieuwe benoemingsvoorwaarden van artikel 194 van het Gerechtelijk Wetboek die vanaf 1 oktober 1993 in werking zijn getreden », berusten de vragen op een hypothetische vergelijking waarop het Hof niet kan ingaan. Voor de personen van de tweede categorie kan het Hof immers niet uitgaan van de hypothese dat zij zouden zijn geslaagd voor een examen inzake beroepsbekwaamheid dat niet werd ingericht toen zij kandidaat waren.

De appellant voor het verwijzende rechtscollege betoogt nog dat de magistraten in dienst op de dag van de inwerkingtreding van de wet van 18 juli 1991 krachtens artikel 21 van die wet worden geacht de gerechtelijke stage te hebben vervuld en worden geacht geslaagd te zijn voor het examen inzake beroepsbekwaamheid. Met dat vermoeden beoogde de wetgever de rechten van de magistraten die reeds in dienst waren te vrijwaren, wat niet meebrengt dat hij hun aanvullende bijslagen zou hebben willen toekennen.

B.5.3. De maatregel staat in een redelijk verband van evenredigheid met de doelstelling van de wetgever die erin bestaat de ervaring in de privésector of als zelfstandige te valoriseren voor magistraten voor wie die ervaring een voorwaarde is voor hun benoeming.

Het gelijkheidsbeginsel gebiedt niet dat de wetgever daarbij zover moest gaan ook de ervaring in de privésector of als zelfstandige in aanmerking te doen nemen voor de reeds in dienst zijnde magistraten voor wie die ervaring geen benoemingsvoorwaarde was. Zoals het Hof reeds oordeelde in zijn arrest nr. 116/2004 van 30 juni 2004, heeft de wetgever de weerslag van de in het geding zijnde maatregel overigens beperkt tot maximaal zes jaar vanaf 1 januari 2003, enerzijds, om budgettaire redenen en, anderzijds, om te vermijden dat de gerechtelijke stage zijn aantrekkingskracht zou verliezen.

B.6. Met de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof gevraagd om, binnen dezelfde vergelijking, bovendien rekening te houden met de situatie van magistraten (benoemd vóór 1 oktober 1993) « die ook nog bewijzen dat bij de concrete overwegingen die hebben geleid tot hun benoeming door de Koning, rekening werd gehouden met hun juridische ervaring in private dienst ».

Het Hof kan zich enkel uitspreken over verschillen in behandeling die rechtstreeks verband houden met wetskrachtige bepalingen die voorwerp kunnen zijn van een prejudiciële vraag. Ook al kan de feitelijke voorafgaande juridische ervaring van de betrokken kandidaten een belangrijk element zijn geweest bij hun benoeming vóór 1 oktober 1993, het is pas met de wet van 18 juli 1991 dat de wetgever uitdrukkelijk een bepaalde ervaring in de privésector als voorwaarde voor benoeming heeft gesteld.

B.7. De toetsing aan de artikelen 10 en 11 in samenhang gelezen met artikel 154 van de Grondwet leidt niet tot een andere conclusie.

B.8. De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 365, § 2, eerste lid, d), van het Gerechtelijk Wetboek, zoals aangevuld bij artikel 8 van de wet van 27 december 2002, schendt niet de artikelen 10 en 11, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 154, van de Grondwet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 10 februari 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen betreffende artikel 365, § 2, eerste lid, d), van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 8 van de wet van 27 december 2002, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Gerechtelijk recht

  • Rechterlijke organisatie

  • Magistraten

  • Geldelijk statuut

  • Geldelijke anciënniteit

  • Juridische ervaring in de privé-sector of als zelfstandige

  • Als benoemingsvoorwaarde vereiste ervaring.