- Arrest van 10 februari 2011

10/02/2011 - 25/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 8, § 1, tweede lid, van de algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 21 december 2009 in zake Roger Suykerbuyk tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 26 maart 2010, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 8, § 1, tweede lid, van de algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet nu dit artikel een onderscheid maakt voor de pensioenberekening tussen een vastbenoemde in een ambt en diegene die tijdelijk een ander ambt uitgeoefend heeft waarin hij niet vast is benoemd en waarbij alleen de wedde verbonden aan het ambt waarin hij vast is benoemd in aanmerking wordt genomen ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 8, § 1, tweede lid, inzonderheid de derde zin, van de algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen dat bepaalt :

« De referentiewedde is de gemiddelde wedde van de laatste vijf jaar van de loopbaan of van de volledige duur van de loopbaan als die minder dan vijf jaar bedraagt. De gemiddelde wedde wordt bepaald op basis van de wedden zoals die vastgelegd zijn in de weddenschalen verbonden aan de ambten waarin de betrokkene vast was benoemd. Indien de betrokkene, die vast was benoemd in een ambt, gedurende de hiervoor bedoelde tijd een ander ambt heeft uitgeoefend waarin hij niet vast was benoemd, worden alleen de wedden verbonden aan het ambt waarin hij vast was benoemd, in aanmerking genomen. [...] ».

B.2. Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid van die bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij, wat de berekening van het pensioen betreft, een onderscheid maakt tussen, enerzijds, de categorie van vastbenoemde ambtenaren en, anderzijds, de categorie van vastbenoemde ambtenaren die tijdelijk een hoger ambt hebben uitgeoefend dan hetgeen waarin zij vastbenoemd zijn. Voor de laatstvermelde categorie wordt voor de berekening van het pensioen enkel de wedde, verbonden aan het ambt waarin zij vastbenoemd zijn, in aanmerking genomen.

B.3.1. De eisende partij in het bodemgeschil breidt het in de prejudiciële vraag voorgelegde verschil in behandeling uit tot een beweerde discriminatie op het vlak van de verloning en van het weddecomplement voor een belastende functie.

B.3.2. De partijen voor het Hof vermogen de draagwijdte van de prejudiciële vraag niet te wijzigen of uit te breiden.

Bijgevolg onderzoekt het Hof enkel het verschil in behandeling dat in de prejudiciële vraag is voorgelegd en dat uitsluitend betrekking heeft op de wijze van berekening van het pensioen van de onderscheiden categorieën van ambtenaren.

B.4.1. Volgens de Ministerraad is de categorie van vastbenoemde ambtenaren niet voldoende vergelijkbaar met de categorie van ambtenaren die slechts tijdelijk een hoger ambt uitoefenen.

B.4.2. Uit het gegeven dat, wat de wijze van aanstelling in het ambt en de beëindiging van het ambt betreft, onderscheiden regels van toepassing zijn op, enerzijds, vastbenoemde ambtenaren en, anderzijds, ambtenaren die tijdelijk in een hoger ambt worden aangesteld, kan niet worden afgeleid dat, wat de wijze van berekening van hun pensioen betreft, beide categorieën van ambtenaren niet voldoende vergelijkbaar zouden zijn.

B.5.1. De wijze waarop een ambtenaar in een bepaald ambt vastbenoemd kan worden, wordt geregeld door het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel.

In de regel bestaan er twee mogelijkheden : ofwel slagen voor de voorgeschreven vergelijkende selectie en met goed gevolg de stage volbrengen, ofwel een bevordering genieten.

In beginsel wordt een vastbenoemd ambtenaar voor het leven in zijn ambt benoemd. Zijn ambt kan slechts worden beëindigd in de gevallen die limitatief in het voormelde koninklijk besluit van 2 oktober 1937 zijn opgesomd.

B.5.2. De wijze waarop een ambtenaar een hoger ambt uitoefent dan dat waarin hij is benoemd, wordt geregeld door het koninklijk besluit van 8 augustus 1983 betreffende de uitoefening van een hoger ambt in de rijksbesturen.

De enige grondvoorwaarde om tijdelijk in een hoger ambt te worden aangesteld bestaat erin dat de betrokken ambtenaar dient te voldoen aan de statutaire vereisten om tot de met het hogere ambt overeenstemmende graad of klasse te worden benoemd. Afhankelijk van de concrete functie wordt nog in andere vereisten voorzien, die evenwel niet zo strikt zijn als die welke voor een vaste benoeming gelden. Zo wordt niet als vereiste voorzien in het slagen voor een vergelijkende selectie of in het volbrengen van een stage met goed gevolg.

Het uitoefenen van een hoger ambt is in beginsel in de tijd beperkt, namelijk zes maanden. Op die basisregel bestaan uitzonderingen ten gevolge waarvan een hoger ambt ook voor een langere periode kan worden uitgeoefend. Het betreft evenwel nooit een aanstelling voor het leven.

B.6. Die verschillen in de regelgeving tussen een vast benoemd ambtenaar en een tijdelijk aangesteld ambtenaar verantwoorden dat hun pensioen op een verschillende basis wordt berekend.

Overigens gebeurt de toekenning van een rustpensioen aan een ambtenaar op basis van zijn statutaire rechtspositie.

B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 8, § 1, tweede lid, van de algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 10 februari 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 8, § 1, tweede lid, van de algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijk pensioenen, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen. Bestuursrecht

  • Ambtenarenzaken

  • Rechtspositie van het personeel

  • Pensioenen

  • Pensioenberekening

  • 1. Vastbenoemde ambtenaren

  • 2. Ambtenaren die tijdelijk in een hoger ambt worden aangesteld.