- Arrest van 24 februari 2011

24/02/2011 - 28/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

- Artikel 8 van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het het de rechter niet mogelijk maakt de overlevering van een persoon, van Belgische nationaliteit of die in België verblijft, op wie een Europees aanhoudingsbevel met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf die bij verstek is uitgesproken, zonder dat die persoon in kennis is gesteld van de datum en de plaats van de terechtzitting die aan de veroordeling is voorafgegaan, waartegen die persoon nog over een mogelijkheid van rechtsmiddel beschikt, betrekking heeft, afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat die persoon naar België wordt teruggezonden teneinde aldaar de straf te ondergaan die definitief tegen hem zou zijn uitgesproken in de uitvaardigende Staat.

- Dezelfde bepaling schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet indien zij in die zin wordt geïnterpreteerd dat zij het de rechter mogelijk maakt de overlevering van een persoon, van Belgische nationaliteit of die in België verblijft, op wie een Europees aanhoudingsbevel met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf die bij verstek is uitgesproken, zonder dat die persoon in kennis is gesteld van de datum en de plaats van de terechtzitting die aan de veroordeling is voorafgegaan, waartegen die persoon nog over een mogelijkheid van rechtsmiddel beschikt, betrekking heeft, afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat die persoon naar België wordt teruggezonden teneinde aldaar de straf te ondergaan die definitief tegen hem zou zijn uitgesproken in de uitvaardigende Staat.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter M. Melchior, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter M. Melchior,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij beschikking van 22 juli 2008 in zake I.B., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 24 juli 2008, heeft de raadkamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Nijvel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 8 van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, in die zin geïnterpreteerd dat het enkel van toepassing is op het Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd met het oog op de instelling van vervolging in tegenstelling tot het aanhoudingsbevel uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf of veiligheidsmaatregel, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het zou verhinderen dat de overlevering aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit van een persoon van Belgische nationaliteit of van een persoon die in België verblijft en die het voorwerp uitmaakt van een Europees aanhoudingsbevel met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf uitgesproken bij een vonnis gewezen bij verstek te zijnen aanzien, afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat die persoon, na hoger beroep te hebben ingesteld en de nieuwe vonnisprocedure te hebben genoten waarover de uitvaardigende rechterlijke autoriteit waarborgen heeft geboden die als toereikend worden beschouwd in de zin van artikel 7 van die wet, naar België wordt teruggezonden teneinde aldaar de straf of de veiligheidsmaatregel te ondergaan die tegen hem in de uitvaardigende Staat zou zijn uitgesproken ? ».

(...)

Bij tussenarrest nr. 128/2009 van 24 juli 2009, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 11 augustus 2009, heeft het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie :

« 1. Dient het Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een veroordeling die bij verstek is gewezen zonder dat de veroordeelde in kennis is gesteld van de plaats of de datum van de terechtzitting en waartegen die persoon nog over een rechtsmiddel beschikt, te worden beschouwd, niet als een aanhoudingsbevel met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, in de zin van artikel 4, punt 6), van het kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, maar wel als een aanhoudingsbevel met het oog op de instelling van strafvervolging, in de zin van artikel 5, punt 3), van hetzelfde kaderbesluit ?

2. Dienen, indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, de artikelen 4, punt 6), en 5, punt 3), van hetzelfde kaderbesluit in die zin te worden geïnterpreteerd dat zij de lidstaten niet toelaten de overlevering aan de rechterlijke autoriteiten van de uitvaardigende Staat van een persoon die op hun grondgebied verblijft en op wie, in de in de eerste vraag beschreven omstandigheden, een aanhoudingsbevel met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel betrekking heeft, afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat die persoon naar de uitvoerende Staat wordt teruggezonden teneinde aldaar de vrijheidsstraf of de tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel te ondergaan die definitief tegen hem in de uitvaardigende Staat zou worden uitgesproken ?

3. Schenden, indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, diezelfde artikelen artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, meer bepaald het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie ?

4. Dienen, indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, de artikelen 3 en 4 van hetzelfde kaderbesluit in die zin te worden geïnterpreteerd dat zij zich ertegen verzetten dat de rechterlijke autoriteiten van een lidstaat de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel weigeren indien er ernstige redenen bestaan om te denken dat de tenuitvoerlegging ervan afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokkene, zoals zij in artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie zijn vervat ? ».

Bij arrest van 21 oktober 2010 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie op de vragen geantwoord.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de in het geding zijnde wet

B.1.1. De wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel zet het kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten om in het interne recht.

B.1.2. Artikel 2, § 3, van de in het geding zijnde wet bepaalt :

« Het Europees aanhoudingsbevel is een gerechtelijke beslissing genomen door de bevoegde rechterlijke autoriteit van een lid-Staat van de Europese Unie, uitvaardigende rechterlijke autoriteit genaamd, met het oog op de aanhouding en de overlevering door de bevoegde rechterlijke autoriteit van een andere lidstaat, uitvoerende autoriteit genaamd, van een persoon gezocht met het oog op de instelling van strafvervolging of de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf of veiligheidsmaatregel ».

B.1.3. Artikel 4 van de in het geding zijnde wet bepaalt :

« De tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel wordt in volgende gevallen geweigerd :

[...]

5° ingeval ernstige redenen bestaan te denken dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals die worden bevestigd door artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie ».

In de parlementaire voorbereiding werd die bepaling als volgt verantwoord :

« De laatste grond voor niet-tenuitvoerlegging is niet als dusdanig bepaald in het kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel. Deze grond beantwoordt evenwel aan het streven aan artikel 1, § 3, van het kaderbesluit passend gevolg te geven. Aangezien in die bepaling is vereist dat het kaderbesluit artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie in acht neemt, waarin wordt verwezen naar andere normen van internationaal publiekrecht van toepassing op de lidstaten, draagt zij niets bij aan de bestaande juridische realiteit. Zodra dit beginsel evenwel wordt opgenomen in een instrument dat overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie voor de staten verbindend is ten aanzien van het te bereiken resultaat, waarbij de nationale instanties bevoegd zijn om de vorm en de middelen te kiezen, mag het worden begrepen als een oproep tot de nationale wetgever om uitdrukkelijke relevante bepalingen goed te keuren teneinde deze inachtneming te waarborgen. Vanuit dit oogpunt is in artikel 4 van dit ontwerp een nieuwe grond tot weigering van de overlevering gegrond op de niet-naleving van de fundamentele rechten en de rechtsbeginselen als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ingevoegd » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-279/001, p. 12).

B.1.4.1. Artikel 6 van de in het geding zijnde wet bepaalt :

« De tenuitvoerlegging kan worden geweigerd :

[...]

4° ingeval het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf of van een veiligheidsmaatregel, de betrokken persoon Belg is of in België verblijft, en de bevoegde Belgische autoriteiten zich ertoe verbinden die straf of veiligheidsmaatregel overeenkomstig de Belgische wetgeving ten uitvoer te leggen;

[...] ».

In de parlementaire voorbereiding werd die bepaling als volgt verantwoord :

« Hoewel het nieuwe instrument niet langer voorziet in een algemene reden tot weigering op grond van nationaliteit, wordt daarmee nog steeds rekening gehouden in specifieke gevallen. Ingeval het Europees aanhoudingsbevel immers is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf of van een veiligheidsmaatregel, kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel weigeren, indien de gezochte persoon onderdaan of ingezetene is van de uitvoerende staat en die staat zich ertoe verbindt zelf die straf of veiligheidsmaatregel overeenkomstig zijn recht ten uitvoer te leggen. De bepaling is ruimer dan de reden tot weigering met betrekking tot de onderdanen, aangezien zij tevens van toepassing is op de ingezetenen en meer in het algemeen op eenieder die op het grondgebied van de uitvoerende staat ' verblijft '. De toepassing ervan is beperkter aangezien zij slechts kan worden aangewend voor zover op grond van het Belgische recht de straf of de veiligheidsmaatregel uitgesproken door een andere staat ten uitvoer kan worden gelegd en enkel ingeval België zich concreet ertoe verbindt van deze mogelijkheid gebruik te maken » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-279/001, pp. 15-16).

B.1.4.2. Artikel 18, § 2, van de wet van 23 mei 1990 « inzake de overbrenging tussen Staten van veroordeelde personen, de overname en de overdracht van het toezicht op voorwaardelijk veroordeelde of voorwaardelijk in vrijheid gestelde personen, en de overname en de overdracht van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen » maakt de daadwerkelijke toepassing van de in artikel 6, 4°, van de in het geding zijnde wet bedoelde procedure mogelijk.

Dat artikel 18, § 2, bepaalt :

« De rechterlijke beslissing die genomen is met toepassing van artikel 6, 4°, van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, brengt de overname van de tenuitvoerlegging mee van de vrijheidsbenemende straf of maatregel waarop die rechterlijke beslissing betrekking heeft. De vrijheidsbenemende straf of maatregel wordt overeenkomstig de bepalingen van deze wet ten uitvoer gelegd ».

Artikel 18 van de wet van 23 mei 1990 is ingevoegd in een hoofdstuk VI, getiteld « De tenuitvoerlegging in België van in het buitenland opgelegde vrijheidsbenemende straffen en maatregelen ». Het dient te worden gelezen in het licht van artikel 25 van dezelfde wet, dat bepaalt :

« De bepalingen van hoofdstuk V en VI zijn niet van toepassing op bij verstek gewezen strafrechtelijke veroordelingen, behalve in de in artikel 18, § 2, bedoelde gevallen, wanneer het gaat om een bij verstek gewezen veroordeling die in kracht van gewijsde is gegaan ».

De invoeging van dat artikel 25 in de wet van 23 mei 1990 bij de wet van 26 mei 2005 werd als volgt verantwoord :

« België heeft n.a.v. de ratificatie van het Toezichtverdrag op 21 september 1970 een voorbehoud gemaakt op basis waarvan de titels II en IV van het Verdrag geen toepassing zullen vinden in het geval dat de betrokken persoon veroordeeld werd bij verstek.

Artikel 25 voorziet dat alleen op strafrechtelijke veroordelingen met een definitief en uitvoerbaar karakter het Toezichtverdrag in België toepassing kan vinden. Aangezien de instemming van de betrokken persoon niet nodig is in toepassing van het Toezichtverdrag, is het immers noodzakelijk dat de rechten van de verdediging in de eerste plaats voldoende worden gewaarborgd » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1555/001, p. 17).

B.1.4.3. Artikel 25 van de wet van 23 mei 1990 maakt artikel 6, 4°, van de in het geding zijnde wet niet-toepasselijk op een procedure van tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf die bij verstek is uitgesproken, maar waartegen de veroordeelde nog over een beroepsmogelijkheid beschikt waarvan hij niet heeft afgezien.

B.1.5. Artikel 7 van de in het geding zijnde wet bepaalt :

« Indien het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf of van een veiligheidsmaatregel uitgesproken bij een bij verstek gewezen vonnis en de betrokken persoon niet persoonlijk is gedagvaard of op een andere wijze in kennis is gesteld van de datum en de plaats van de terechtzitting waarop voornoemd vonnis is gewezen [lees : de terechtzitting die tot het verstekvonnis heeft geleid], kan de overlevering afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit waarborgen biedt die als toereikend worden beschouwd om de persoon op wie het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft, ervan te verzekeren dat hij in de uitvaardigende Staat een nieuwe vonnisprocedure kan vragen en in zijn aanwezigheid wordt berecht.

Het gegeven dat in het recht van de uitvaardigende Staat een bepaling bestaat die voorziet in de mogelijkheid tot hoger beroep en in de voorwaarden voor het instellen ervan, waaruit blijkt dat de persoon daadwerkelijk beroep kan instellen, moet in de zin van het eerste lid als toereikend worden beschouwd ».

In de parlementaire voorbereiding werd die bepaling als volgt verantwoord :

« Naast de gronden voor niet-tenuitvoerlegging voorziet het kaderbesluit in gevallen waarin de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel afhankelijk kan worden gesteld van waarborgen die de uitvaardigende staat moet verstrekken. Het eerste in artikel 7 bedoelde geval heeft betrekking op de bij verstek gewezen vonnissen. ` Indien de betrokken persoon niet persoonlijk is gedagvaard of op een andere wijze in kennis is gesteld van de datum en de plaats van de terechtzitting waarop voornoemd vonnis is gewezen [lees : de terechtzitting die tot het verstekvonnis heeft geleid], kan in dat geval de overlevering afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit waarborgen biedt die als toereikend worden beschouwd om de persoon op wie het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft, ervan te verzekeren dat hij in de uitvaardigende staat om een nieuwe vonnisprocedure kan vragen en in zijn aanwezigheid worden berecht. ' Deze formulering is gebaseerd op artikel 3 van het tweede aanvullende protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 1978 en stemt overeen met de omschrijving van verstek gegeven in resolutie 75 (11) van de Raad van Europa.

In artikel 7, tweede lid, is nader bepaald wat moet worden verstaan onder ` voldoende garantie `, teneinde te voorkomen dat de Belgische rechterlijke autoriteiten die zich over de verzoeken moeten uitspreken, een verschillende aanpak zullen hanteren » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-279/001, p. 17).

B.1.6.1. Artikel 8 van dezelfde wet bepaalt :

« Indien de persoon op wie het Europees aanhoudingsbevel met het oog op de instelling van vervolging betrekking heeft, Belg is of in België verblijft, kan de overlevering afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat de persoon, na te zijn berecht, naar België wordt teruggezonden teneinde aldaar de straf of de veiligheidsmaatregel te ondergaan die tegen hem in de uitvaardigende Staat is uitgesproken ».

Het betreft de in het geding zijnde bepaling.

B.1.6.2. In de parlementaire voorbereiding werd die bepaling als volgt verantwoord :

« Het tweede geval waarin de overlevering afhankelijk wordt gesteld van het verstrekken van waarborgen door de uitvaardigende [Staat] is omschreven in artikel 8. In dit geval wordt de nationaliteit van de betrokken persoon in aanmerking genomen. Indien het gaat om een Europees aanhoudingsbevel met het oog op de instelling van vervolging en de persoon onderdaan of ingezetene is van de uitvoerende staat, kan deze laatste de overlevering afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de persoon naar de uitvoerende staat wordt teruggezonden teneinde aldaar de straf of de veiligheidsmaatregel te ondergaan die na zijn overlevering te zijnen laste in de uitvaardigende staat wordt uitgesproken. Een dergelijke mogelijkheid bestond reeds in het Belgische recht sedert de bekrachtiging van de overeenkomst van de Europese Unie van 1996 (artikel 7) en wordt hier uitgebreid tot de ingezetenen.

Voor de toepassing van deze bepaling moet onder meer worden verwezen naar de wet van 23 mei 1990 inzake de overbrenging tussen Staten van de gevonniste personen, naar het Verdrag van de Raad van Europa van 21 maart 1983 inzake de overbrenging van gevonniste personen, opgemaakt te Straatsburg, en naar de Overeenkomst van 25 mei 1987 betreffende de toepassing tussen de lidstaten van de Europese Gemeenschap van dat Verdrag, opgemaakt te Brussel en goedgekeurd bij de wet van 19 juni 1990, waarin onder meer vereist wordt dat de betrokken persoon zijn instemming verleent » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-279/001, pp. 17-18).

Ten aanzien van het kaderbesluit 2002/584/JBZ

B.2.1. Het kaderbesluit 2002/584/JBZ van 13 juni 2002 heeft tot doel het multilaterale uitleveringssysteem tussen de lidstaten te vervangen door een op het beginsel van wederzijdse erkenning gebaseerde regeling van overlevering tussen rechterlijke autoriteiten van veroordeelde of verdachte personen met het oog op tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen of vervolging (HvJ, grote kamer, 3 mei 2007, Advocaten voor de Wereld, C-303/05, Jurispr., blz. I-3633, punt 28; HvJ, grote kamer, 17 juli 2008, Szymon Kozlowski, C-66/08, punt 31; HvJ, 1 december 2008, Leymann, C-388/08 PPU, punt 42).

B.2.2. De eerste, de tiende en de twaalfde overweging van het kaderbesluit van 13 juni 2002 luiden als volgt :

« (1) Volgens de conclusies van de Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999, en met name punt 35, moet voor personen die na een definitieve veroordeling aan de rechtspleging proberen te ontkomen, de formele uitleveringsprocedure tussen de lidstaten worden afgeschaft en moeten voor personen die ervan verdacht worden een strafbaar feit te hebben begaan, de uitleveringsprocedures worden versneld.

[...]

(10) De regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten. De toepassing ervan kan slechts worden opgeschort in geval van een ernstige en voortdurende schending door een lidstaat van de in artikel 6, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde beginselen, welke schending door de Raad is geconstateerd overeenkomstig artikel 7, lid 1, en volgens de procedure van artikel 7, lid 2, van dat Verdrag.

[...]

(12) Dit kaderbesluit eerbiedigt de grondrechten en voldoet aan de beginselen die worden erkend bij artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en zijn weergegeven in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name in hoofdstuk VI. Niets in dit kaderbesluit staat eraan in de weg dat de overlevering kan worden geweigerd van een persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, indien er objectieve redenen bestaan om aan te nemen dat het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op vervolging of bestraffing van die persoon op grond van zijn geslacht, ras, godsdienst, etnische afstamming, nationaliteit, taal, politieke overtuiging of seksuele geaardheid of dat de positie van die persoon kan worden aangetast om een van deze redenen ».

B.2.3. Artikel 1 van het kaderbesluit bepaalt :

« 1. Het Europees aanhoudingsbevel is een rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en de overlevering door een andere lidstaat van een persoon die gezocht wordt met het oog op strafvervolging of uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel.

2. De lidstaten verbinden zich ertoe om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit, elk Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen.

3. Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, wordt aangetast ».

B.2.4. Artikel 4 van het kaderbesluit bepaalt :

« De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel weigeren in de volgende gevallen :

[...]

6. het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, terwijl de gezochte persoon verblijft in of onderdaan of ingezetene is van de uitvoerende lidstaat en deze staat zich ertoe verbindt die straf of maatregel overeenkomstig zijn nationale recht zelf ten uitvoer te leggen;

[...] ».

B.2.5. Artikel 5 van het kaderbesluit bepaalt :

« De tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel door de uitvoerende rechterlijke autoriteit kan door het recht van de uitvoerende lidstaat afhankelijk worden gesteld van een van de volgende voorwaarden :

1. indien het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd ter uitvoering van een bij verstek opgelegde vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, dat wil zeggen dat de betrokkene niet aanwezig was omdat hij niet persoonlijk gedagvaard of anderszins in kennis gesteld is van datum en plaats van de terechtzitting die tot het verstekvonnis heeft geleid, kan overlevering afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit een voldoende garantie geeft dat de persoon tegen wie het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, in de gelegenheid zal worden gesteld in de uitvaardigende lidstaat om een nieuw proces te verzoeken en aanwezig te zijn op de terechtzitting;

[...]

3. indien de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel ter fine van een strafvervolging is uitgevaardigd, onderdaan of ingezetene van de uitvoerende lidstaat is, kan overlevering afhankelijk worden gesteld van de garantie dat de persoon, na te zijn berecht, wordt teruggezonden naar de uitvoerende lidstaat om daar de vrijheidsstraf of de tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel te ondergaan die hem eventueel wordt opgelegd in de uitvaardigende lidstaat ».

B.2.6. Na te hebben vastgesteld dat de in het geding zijnde wet de omzetting van het voormelde kaderbesluit was, heeft het Hof, bij zijn arrest nr. 128/2009 van 24 juli 2009, de volgende prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gesteld :

« 1. Dient het Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een veroordeling die bij verstek is gewezen zonder dat de veroordeelde in kennis is gesteld van de plaats of de datum van de terechtzitting en waartegen die persoon nog over een rechtsmiddel beschikt, te worden beschouwd, niet als een aanhoudingsbevel met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, in de zin van artikel 4, punt 6), van het kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, maar wel als een aanhoudingsbevel met het oog op de instelling van strafvervolging, in de zin van artikel 5, punt 3), van hetzelfde kaderbesluit ?

2. Dienen, indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, de artikelen 4, punt 6), en 5, punt 3), van hetzelfde kaderbesluit in die zin te worden geïnterpreteerd dat zij de lidstaten niet toelaten de overlevering aan de rechterlijke autoriteiten van de uitvaardigende Staat van een persoon die op hun grondgebied verblijft en op wie, in de in de eerste vraag beschreven omstandigheden, een aanhoudingsbevel met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel betrekking heeft, afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat die persoon naar de uitvoerende Staat wordt teruggezonden teneinde aldaar de vrijheidsstraf of de tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel te ondergaan die definitief tegen hem in de uitvaardigende Staat zou worden uitgesproken ?

3. Schenden, indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, diezelfde artikelen artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, meer bepaald het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie ?

4. Dienen, indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, de artikelen 3 en 4 van hetzelfde kaderbesluit in die zin te worden geïnterpreteerd dat zij zich ertegen verzetten dat de rechterlijke autoriteiten van een lidstaat de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel weigeren indien er ernstige redenen bestaan om te denken dat de tenuitvoerlegging ervan afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokkene, zoals zij in artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie zijn vervat ? ».

B.2.7. Bij het arrest van 21 oktober 2010, dat is gewezen in de zaak C-306/09, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld :

« 50. Hoewel de systematiek van kaderbesluit 2002/584 steunt op het beginsel van wederzijdse erkenning, impliceert deze erkenning, zoals blijkt uit de artikelen 3 tot en met 5 ervan, evenwel niet dat de tenuitvoerlegging van het uitgevaardigde aanhoudingsbevel een absolute verplichting is.

51. De regeling van het kaderbesluit, zoals dat blijkt uit met name de voorschriften van de artikelen ervan, laat de lidstaten immers de mogelijkheid om in specifieke gevallen de bevoegde rechterlijke autoriteiten toe te staan te beslissen dat een opgelegde straf ten uitvoer moet worden gelegd op het grondgebied van de uitvoerende lidstaat.

52. Dat is met name het geval krachtens de artikelen 4, punt 6, en 5, punt 3, van kaderbesluit 2002/584. Voor beide soorten van Europees aanhoudingsbevel waarop dit kaderbesluit ziet, hebben deze bepalingen met name tot doel, bijzonder gewicht toe te kennen aan de mogelijkheid om de kansen op sociale re-integratie van de gezochte persoon te verhogen (zie met name arrest van 6 oktober 2009, Wolzenburg, C-123/08, Jurispr. blz. I-9621, punt 62).

53. Er is geen reden om aan te nemen dat de Uniewetgever deze doelstelling heeft willen uitsluiten voor personen die worden gezocht wegens een bij verstek uitgesproken veroordeling.

54. Een bij verstek gewezen rechterlijke beslissing valt, zo de betrokkene niet persoonlijk is gedagvaard of op een andere wijze in kennis is gesteld van de datum en de plaats van de terechtzitting die tot deze beslissing heeft geleid, immers binnen de werkingssfeer van kaderbesluit 2002/584, dat met name in artikel 5, punt 1, bepaalt dat de tenuitvoerlegging van het naar aanleiding van een dergelijke beslissing uitgevaardigde aanhoudingsbevel afhankelijk kan worden gesteld van de garantie dat de betrokkene in de gelegenheid zal worden gesteld om om een nieuw proces te verzoeken.

55. De loutere omstandigheid dat dit artikel 5, punt 1, een dergelijke garantie als voorwaarde stelt voor de tenuitvoerlegging van een naar aanleiding van een verstekvonnis uitgevaardigd aanhoudingsbevel, kan bovendien niet tot gevolg hebben dat de grond of de voorwaarde genoemd in artikel 4, punt 6, respectievelijk artikel 5, punt 3, van kaderbesluit 2002/584 niet van toepassing op een dergelijk aanhoudingsbevel wordt verklaard teneinde de kansen op sociale re-integratie van de gezochte persoon te verhogen.

56. Ingeval de veroordeling bij verstek die, in het hoofdgeding, ten grondslag aan het aanhoudingsbevel ligt, niet uitvoerbaar is geworden, bestaat het doel van de overlevering er precies in, voortzetting van de strafvordering of inleiding van een nieuwe procedure mogelijk te maken, dat wil zeggen dat overlevering plaatsvindt met het oog op strafvervolging, hetgeen overeenkomt met het geval waarop artikel 5, punt 3, van kaderbesluit 2002/584 ziet.

57. Aangezien een bij verstek veroordeelde die nog over de mogelijkheid beschikt om om een nieuw proces te verzoeken, zich in een vergelijkbare situatie bevindt als een persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel met het oog op strafvervolging is uitgevaardigd, bestaat er geen objectief beletsel dat eraan in de weg staat dat een uitvoerende rechtelijke autoriteit die artikel 5, punt 1, van kaderbesluit 2002/584 heeft toegepast, toepassing maakt van de voorwaarde van artikel 5, lid 3, ervan.

58. Deze uitlegging is bovendien de enige die thans ruimte biedt voor een reële mogelijkheid om de kansen te verhogen op sociale re-integratie van een persoon die in de uitvoerende lidstaat verblijft en die, na te zijn veroordeeld bij een nog niet uitvoerbaar geworden rechterlijke beslissing, in de uitvaardigende lidstaat om een nieuw proces kan verzoeken.

59. Ten slotte maakt deze uitlegging het ook mogelijk om, zoals met name de Zweedse regering heeft benadrukt, de bij verstek veroordeelde niet ertoe te dwingen af te zien van een nieuw proces in de uitvaardigende lidstaat teneinde te verkrijgen dat zijn veroordeling krachtens artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 wordt uitgevoerd in de lidstaat waar hij verblijft in de zin van de relevante bepalingen van dat besluit.

60. Hieruit volgt dat, zoals is betoogd door alle lidstaten en de Europese Commissie, die opmerkingen betreffende de eerste vraag of de eerste en de tweede vraag hebben ingediend, het de uitvoerende lidstaat is toegestaan de overlevering van een persoon die zich in een situatie als die van I.B. bevindt, afhankelijk te stellen van de cumulatieve toepassing van de voorwaarden van artikel 5, punten 1 en 3, van kaderbesluit 2002/584 ».

Het heeft bijgevolg voor recht verklaard :

« De artikelen 4, punt 6, en 5, punt 3, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten moeten aldus worden uitgelegd dat, wanneer de betrokken uitvoerende lidstaat artikel 5, punten 1 en 3, van dit kaderbesluit heeft omgezet in nationaal recht, de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een bij verstek opgelegde straf in de zin van artikel 5, punt 1, afhankelijk kan worden gesteld van de voorwaarde dat de betrokkene, die de nationaliteit van de uitvoerende lidstaat heeft of aldaar verblijft, naar deze lidstaat wordt teruggezonden om in voorkomend geval aldaar de straf te ondergaan die na een nieuwe berechting in zijn aanwezigheid tegen hem zou worden uitgesproken in de uitvaardigende lidstaat ».

Ten aanzien van de door de verwijzende rechter gestelde prejudiciële vraag

B.3.1. Aan de verwijzende rechter wordt een verzoek tot tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel voorgelegd dat door een Roemeense rechterlijke autoriteit is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een bij verstek uitgesproken veroordeling tot een gevangenisstraf van vier jaar.

Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de in het geding zijnde persoon, die van Roemeense nationaliteit is en thans met zijn gezin in België verblijft, in eerste aanleg tot vier jaar gevangenisstraf is veroordeeld. Die veroordeling is in hoger beroep bevestigd. Zowel de tweede strafrechtelijke afdeling van de Rechtbank te Boekarest als het Hof van Beroep te Boekarest hadden de veroordeelde toegestaan zijn straf op zijn werkplaats uit te voeren. Die twee beslissingen zijn na een procedure op tegenspraak gewezen.

Bij een beslissing van 15 januari 2002 verklaarde de strafrechtelijke afdeling van het Hooggerechtshof, die bij verstek uitspraak deed, die twee beslissingen nietig en legde zij de veroordeelde de verplichting op zijn straf in een regime van hechtenis te ondergaan.

Volgens de Franse vertaling van het Europees aanhoudingsbevel die door de Roemeense autoriteiten is toegezonden, en op grond waarvan de verwijzende rechter de zaak bij het Hof aanhangig heeft gemaakt, zou de beschuldigde niet persoonlijk in kennis zijn gesteld van de datum en de plaats van de terechtzitting voor het Hooggerechtshof en zou, op verzoek van de veroordeelde, opnieuw uitspraak kunnen worden gedaan over de zaak door het rechtscollege dat in eerste aanleg over de zaak had geoordeeld. De verwijzende rechter merkte eveneens op dat niets aantoonde dat de veroordeelde van dat recht had afgezien.

Bij een brief van 15 september 2010 heeft de dienst voor internationale justitiële samenwerking in strafzaken van de Republiek Roemenië de procureur des Konings te Nijvel ingelicht over fouten in de Franse vertaling van het in het geding zijnde Europees aanhoudingsbevel. In tegenstelling tot wat daarin was aangegeven, zou de betrokkene « persoonlijk [zijn] gedagvaard met betrekking tot de datum en de plaats van de zitting waarna de beslissing in afwezigheid van de beklaagde is uitgesproken ».

Volgens het door de Roemeense autoriteiten uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel zou de betrokkene echter, op zijn verzoek, opnieuw kunnen worden berecht door het rechtscollege van eerste aanleg.

B.3.2. Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid van artikel 8 van de in het geding zijnde wet met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, indien dat artikel wordt geïnterpreteerd als zijnde enkel van toepassing op het Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd met het oog op de instelling van strafvervolging en niet eveneens op het Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een veroordeling tot een vrijheidsbenemende straf, die bij verstek is uitgesproken en waartegen de veroordeelde nog over een rechtsmiddel beschikt.

Het staat in de regel niet aan het Hof om de draagwijdte te wijzigen van de prejudiciële vraag die het voorgelegd krijgt. Gelet op hetgeen in B.3.1 is gepreciseerd, komt het de verwijzende rechter toe aan de hand van artikel 15, lid 2, van het kaderbesluit, de noodzakelijke stappen te ondernemen om de precieze impact van de vertaalfout op het aan hem gerichte verzoek tot overlevering te bepalen, en in het bijzonder te informeren naar de mogelijkheid voor I.B om opnieuw te worden berecht krachtens het Roemeense recht, en volgens welke modaliteiten, alsook na te gaan of de beklaagde zich bevindt in de omstandigheden van het verstek bedoeld in artikel 5, punt 1), van hetzelfde kaderbesluit en derhalve of het antwoord van het Hof van Justitie voor hem dienstig is.

Ten gronde

B.4.1. De artikelen 4, 6, 4°, en 8 van de in het geding zijnde wet voeren een juridisch stelsel in op grond van zowel het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten van de Europese Unie als de wens om de grondrechten te eerbiedigen.

B.4.2. Door te bepalen dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel respectievelijk kan worden geweigerd wanneer de persoon « verblijft in of onderdaan of ingezetene is van de uitvoerende lidstaat » of aan voorwaarden kan worden gekoppeld wanneer de persoon « onderdaan of ingezetene van de uitvoerende lidstaat is », hebben de artikelen 4, punt 6), en 5, punt 3), van het kaderbesluit « met name tot doel, bijzonder gewicht toe te kennen aan de mogelijkheid om de kansen op sociale re-integratie van de gezochte persoon te verhogen » (HvJ, 21 oktober 2010, I.B., C-306/09, punt 52).

In dat opzicht moet worden opgemerkt dat « de begrippen ' ingezetene ' en ' verblijven ' [...] respectievelijk van toepassing [zijn] op situaties waarin de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, ofwel zijn werkelijke verblijfplaats in de uitvoerende lidstaat heeft gevestigd, ofwel, op grond van een duurzaam verblijf in deze staat gedurende een bepaalde periode, een band met deze staat heeft opgebouwd die vergelijkbaar is met die van een ingezetene » (HvJ, grote kamer, 17 juli 2008, Szymon Kozlowski, reeds aangehaald, punt 46).

Te dezen stelt de verwijzende rechter vast dat de betrokkene « sedert meer dan vijf jaar in België verblijft en er onmiskenbare familiale, sociale en beroepsbanden heeft ».

B.5.1. Geen enkele objectieve reden kan verantwoorden dat het onderzoeksgerecht de weerslag op de kansen op sociale re-integratie van de overlevering van een individu met het oog op de tenuitvoerlegging van een veroordeling die bij verstek is uitgesproken zonder definitief te zijn, niet kan beoordelen, terwijl dat rechtscollege wel daartoe is gemachtigd wanneer het zich uitspreekt over de tenuitvoerlegging van een aanhoudingsbevel met het oog op de instelling van strafvervolging.

B.5.2. De omstandigheid dat het onderzoeksgerecht krachtens artikel 7 van de in het geding zijnde wet, de overlevering van de persoon op wie een Europees aanhoudingsbevel met het oog op de tenuitvoerlegging van een bij verstek uitgesproken straf betrekking heeft, afhankelijk kan stellen van de voorwaarde dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit waarborgt dat in de uitvaardigende Staat een nieuwe vonnisprocedure zal worden gevoerd die in zijn aanwezigheid zal plaatsvinden, kan op zich een dergelijk verschil in behandeling niet verantwoorden (HvJ, 21 oktober 2010, I.B., reeds aangehaald, punt 55).

Hoewel die procedure het mogelijk maakt zich ervan te vergewissen dat de waarborgen met betrekking tot een eerlijk proces in de uitvaardigende Staat in acht worden genomen (EHRM, grote kamer, 1 maart 2006, Sejdovic t. Italië, § 82), maakt zij het daarentegen immers niet mogelijk rekening te houden met de mogelijkheid om de kansen op sociale re-integratie te verhogen van de persoon op wie het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft.

B.6. Daaruit volgt dat de in het geding zijnde bepaling, in de interpretatie van de verwijzende rechter, niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en dat de prejudiciële vraag bevestigend dient te worden beantwoord.

B.7. De in het geding zijnde bepaling kan evenwel in die zin worden geïnterpreteerd dat het toepassingsgebied ervan de Europese aanhoudingsbevelen uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf die bij verstek is uitgesproken, zonder dat de gezochte persoon in kennis is gesteld van de datum en de plaats van de terechtzitting, en waartegen een mogelijkheid tot hoger beroep blijft bestaan, omvat.

Uit het antwoord op de prejudiciële vragen die aan het Hof van Justitie van de Europese Unie zijn gesteld, blijkt dat een dergelijke interpretatie van de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 4, punt 6), en 5, punt 3), van het kaderbesluit.

B.8. In die interpretatie is de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- Artikel 8 van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het het de rechter niet mogelijk maakt de overlevering van een persoon, van Belgische nationaliteit of die in België verblijft, op wie een Europees aanhoudingsbevel met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf die bij verstek is uitgesproken, zonder dat die persoon in kennis is gesteld van de datum en de plaats van de terechtzitting die aan de veroordeling is voorafgegaan, waartegen die persoon nog over een mogelijkheid van rechtsmiddel beschikt, betrekking heeft, afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat die persoon naar België wordt teruggezonden teneinde aldaar de straf te ondergaan die definitief tegen hem zou zijn uitgesproken in de uitvaardigende Staat.

- Dezelfde bepaling schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet indien zij in die zin wordt geïnterpreteerd dat zij het de rechter mogelijk maakt de overlevering van een persoon, van Belgische nationaliteit of die in België verblijft, op wie een Europees aanhoudingsbevel met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf die bij verstek is uitgesproken, zonder dat die persoon in kennis is gesteld van de datum en de plaats van de terechtzitting die aan de veroordeling is voorafgegaan, waartegen die persoon nog over een mogelijkheid van rechtsmiddel beschikt, betrekking heeft, afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat die persoon naar België wordt teruggezonden teneinde aldaar de straf te ondergaan die definitief tegen hem zou zijn uitgesproken in de uitvaardigende Staat.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 24 februari 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Melchior.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 8 van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, gesteld door de raadkamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Nijvel. Strafrecht

  • Europees aanhoudingsbevel

  • 1. Kaderbesluit van de Europese Raad

  • Omzetting

  • 2. Bevel uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een niet-definitieve veroordeling bij verstek tot een vrijheidsstraf.