- Arrest van 24 februari 2011

24/02/2011 - 32/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof, beperkte kamer,

met eenparigheid van stemmen uitspraak doende, verwerpt de vordering tot schorsing en het beroep tot vernietiging.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof, beperkte kamer,

samengesteld uit voorzitter R. Henneuse en de rechters-verslaggevers P. Nihoul en E. De Groot, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 23 december 2010 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 28 december 2010, heeft Marc van der Pas, die keuze van woonplaats doet te 5000 Namen, boulevard d'Herbatte 221, een beroep tot vernietiging en een vordering tot schorsing ingesteld van artikel 835 van het Gerechtelijk Wetboek.

Op 6 januari 2011 hebben de rechters-verslaggevers P. Nihoul en E. De Groot, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de voorzitter ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdend in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarbij vastgesteld wordt dat het beroep tot vernietiging en de vordering tot schorsing klaarblijkelijk onontvankelijk zijn.

(...)

II. In rechte

(...)

B.1. De verzoekende partij vordert de schorsing en de vernietiging van artikel 835 van het Gerechtelijk Wetboek. De bestreden bepaling is in het Gerechtelijk Wetboek ingevoerd bij artikel 375 van de programmawet van 22 december 2003, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 31 december 2003.

De termijn van drie maanden opgelegd bij artikel 21, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 om een vordering tot schorsing in te stellen en de termijn van zes maanden opgelegd bij artikel 3, § 1, van dezelfde wet om een beroep tot vernietiging in te stellen, waren dus beide verstreken op het ogenblik dat het beroep tot vernietiging en de vordering tot schorsing werden ingesteld.

B.2. De verzoekende partij brengt daartegen in dat de toepassing van die termijnen onder de rechtzoekenden een discriminatie tot stand brengt naargelang hun belang om in rechte te treden reeds bestond op het ogenblik van de bekendmaking van de betrokken norm dan wel pas later is ontstaan.

De beperking van de termijnen om bij het Hof een beroep tot vernietiging en een vordering tot schorsing in te stellen, is niet zonder verantwoording. In de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 6 januari 1989 is gepreciseerd : « De termijn van onzekerheid mag immers niet onbeperkt zijn in de tijd; de eis van stabiliteit geldt bijzonder sterk in de publiekrechtelijke sfeer in verband met de verhoudingen tussen de overheid en de particulieren en tussen de verschillende overheden onderling » (Parl. St., Senaat, 1988-1989, nr. 483-1, p. 6).

De artikelen 3, § 1, en 21, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof zijn niet in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Bovendien staat, krachtens artikel 4 van dezelfde bijzondere wet, voor eenieder die doet blijken van een belang een nieuwe termijn van zes maanden open voor het instellen van een beroep tot vernietiging tegen een wettelijke norm indien het Hof, uitspraak doende op een prejudiciële vraag, heeft verklaard dat die wettelijke norm in strijd is met de Grondwet.

B.3. Het verzoekschrift voldoet overigens niet aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, aangezien daarin niet wordt uiteengezet in welke zin de bestreden bepaling in strijd zou zijn met de artikelen 10, 11, 13 en 19 van de Grondwet en de artikelen 6 en 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens die worden aangevoerd. De memorie met verantwoording van de verzoekende partij maakt het evenmin mogelijk de precieze draagwijdte van de door de verzoeker aangevoerde middelen te begrijpen.

B.4. Hieruit volgt dat het beroep tot vernietiging en de vordering tot schorsing klaarblijkelijk onontvankelijk zijn.

Om die redenen,

het Hof, beperkte kamer,

met eenparigheid van stemmen uitspraak doende,

verwerpt de vordering tot schorsing en het beroep tot vernietiging.

Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 24 februari 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Beroep tot vernietiging en de vordering tot schorsing van artikel 835 van het Gerechtelijk Wetboek, ingesteld door Marc van der Pas. Voorafgaande rechtspleging

  • Beroep tot vernietiging en vordering tot schorsing

  • Klaarblijkelijke niet-ontvankelijkheid.