- Arrest van 2 maart 2011

02/03/2011 - 33/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof

- vernietigt het decreet van het Vlaamse Gewest van 8 mei 2009 « houdende wijziging van het REG-decreet van 2 april 2004, wat de uitbreiding tot luchtvaartactiviteiten betreft »;

- handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepalingen tot de inwerkingtreding van een bij samenwerkingsakkoord tussen de federale Staat en de gewesten vastgestelde regeling ter uitvoering van richtlijn 2008/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 « tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde ook luchtvaartactiviteiten op te nemen in de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap » en uiterlijk tot 31 december 2011.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter M. Melchior, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 8 december 2009 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 10 december 2009, heeft de Brusselse Hoofdstedelijke Regering beroep tot vernietiging ingesteld van het decreet van het Vlaamse Gewest van 8 mei 2009 « houdende wijziging van het REG-decreet van 2 april 2004, wat de uitbreiding tot luchtvaartactiviteiten betreft » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 9 juni 2009, tweede editie) en, in ondergeschikte orde, van artikel 4 van voormeld decreet van 8 mei 2009, in zoverre het een artikel 20bis invoegt in het REG-decreet van 2 april 2004.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de context van het bestreden decreet

B.1.1. De richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 « tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad » strekt ertoe de antropogene emissies van broeikasgassen te beperken in het kader van het Kyoto-protocol door een regeling in te voeren voor de toewijzing van en de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Europese Unie.

De richtlijn 2008/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 « tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde ook luchtvaartactiviteiten op te nemen in de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap » beoogt onder meer de luchtvaartsector te onderwerpen aan de Europese regeling voor de toewijzing van en de handel in broeikasgasemissierechten die bij de voormelde Richtlijn 2003/87/EG tot stand is gekomen.

Het bestreden decreet heeft tot doel de voormelde richtlijn 2008/101/EG om te zetten, wat het Vlaamse Gewest betreft (Parl. St., Vlaams Parlement, 2008-2009, nr. 2184/1, p. 2).

Bijlage I van de richtlijn 2003/87/EG, zoals gewijzigd bij bijlage I van de Richtlijn 2008/101/EG, bepaalt de categorieën van luchtvaartactiviteiten waarop de richtlijn van toepassing is. Punt 2, tweede alinea, van bijlage I van de richtlijn 2003/87/EG bepaalt in dat verband :

« Vanaf 1 januari 2012 vallen alle vluchten die vertrekken van of aankomen op een luchtvaartterrein dat gelegen is op het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is, onder de luchtvaartactiviteit ».

B.1.2. Artikel 3 van de voormelde richtlijn 2003/87/EG, zoals gewijzigd bij de richtlijn 2008/101/EG, bepaalt :

« In deze richtlijn wordt verstaan onder :

a) ' emissierecht ' : overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn overdraagbaar recht om, uitsluitend teneinde aan de eisen van deze richtlijn te voldoen, gedurende een bepaalde periode één ton kooldioxide-equivalent uit te stoten;

b) ' emissie ' : emissie van broeikasgassen in de atmosfeer door in een installatie aanwezige bronnen, of de emissie door een vliegtuig dat een in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteit uitoefent, van de met betrekking tot die activiteit gespecificeerde gassen;

[...]

o) ' vliegtuigexploitant ' : persoon die een luchtvaartuig exploiteert op het moment dat dit een in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteit uitoefent of, wanneer die persoon niet bekend is of niet is geïdentificeerd door de eigenaar van het vliegtuig, de eigenaar van het vliegtuig;

[...]

q) ' administrerende lidstaat ' : lidstaat die verantwoordelijk is voor de administratie van de Gemeenschapsregeling met betrekking tot een vliegtuigexploitant, overeenkomstig artikel 18bis ;

r) ' aan de luchtvaart toegewezen emissies ' : emissies van alle vluchten die onder de in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteiten vallen, die vertrekken vanuit een op het grondgebied van een lidstaat gelegen luchtvaartterrein of aldaar vanuit een derde land aankomen;

[...] ».

B.1.3. De toewijzing, door elke lidstaat, van emissierechten aan de vliegtuigexploitanten gebeurt op twee manieren. Een groot deel ervan wordt kosteloos toegewezen, terwijl de resterende rechten worden geveild door de administrerende lidstaat.

Artikel 3quater van dezelfde richtlijn, zoals ingevoegd bij de richtlijn 2008/101/EG, bepaalt in dat verband :

« 1. Voor de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 is de totale hoeveelheid aan vliegtuigexploitanten toe te wijzen emissierechten gelijk aan 97 % van de historische luchtvaartemissies.

2. Voor de in artikel 11, lid 2, bedoelde periode die ingaat op 1 januari 2013, en, indien er na de in artikel 30, lid 4, bedoelde evaluatie geen wijzigingen zijn aangebracht, voor iedere volgende periode, is de totale hoeveelheid aan vliegtuigexploitanten toe te wijzen emissierechten gelijk aan 95 % van de historische luchtvaartemissies vermenigvuldigd met het aantal jaren in de periode.

Dit percentage kan in het kader van de algemene evaluatie van deze richtlijn worden herzien.

3. De Commissie evalueert de totale hoeveelheid aan vliegtuigexploitanten toe te wijzen emissierechten overeenkomstig artikel 30, lid 4.

4. Uiterlijk op 2 augustus 2009 stelt de Commissie op grond van de beste beschikbare gegevens de historische luchtvaartemissies vast, inclusief de op actuele verkeersinformatie gebaseerde ramingen. Die vaststelling wordt door het in artikel 23, lid 1, bedoelde comité bestudeerd ».

Artikel 3quinquies van dezelfde richtlijn, zoals ingevoegd bij de richtlijn 2008/101/EG, bepaalt eveneens :

« 1. Voor de in artikel 3quater, lid 1, bedoelde periode wordt 15 % van de rechten geveild.

2. Vanaf 1 januari 2013 wordt 15 % van de rechten geveild. Dit percentage kan worden verhoogd, als onderdeel van de algehele evaluatie van deze richtlijn.

3. Er wordt een verordening vastgesteld met gedetailleerde voorschriften voor de veiling door lidstaten van emissierechten die niet kosteloos behoeven te worden verleend in overeenstemming met de leden 1 en 2 van dit artikel of artikel 3septies, lid 8. Voor alle lidstaten geldt dat het aantal in elke periode te veilen emissierechten evenredig is met het aandeel van de betreffende lidstaat in de totale hoeveelheid aan de luchtvaart toegewezen emissies voor de referentiejaren, als gerapporteerd ingevolge artikel 14, lid 3, en geverifieerd ingevolge artikel 15. Voor de in artikel 3quater, lid 1, bedoelde periode is het referentiejaar 2010; voor elke volgende in artikel 3quater bedoelde periode is het referentiejaar het kalenderjaar dat 24 maanden voor het begin van de periode waarop de veiling betrekking heeft, afloopt.

Die verordening, die is bedoeld om niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door deze aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing, als bedoeld in artikel 23, lid 3.

4. De lidstaten bepalen hoe de opbrengsten van de veiling van emissierechten worden gebruikt. De opbrengsten zouden moeten worden gebruikt om de klimaatverandering in de Europese Unie en in derde landen aan te pakken, onder meer om de emissie van broeikasgassen terug te dringen, om de aanpassing aan het effect van de klimaatverandering in de Europese Unie en derde landen, met name ontwikkelingslanden te bevorderen, om onderzoek en ontwikkeling te financieren op het gebied van beperking en aanpassing, inclusief met name in de luchtvaart en het luchtvervoer, om de emissies terug te dringen via transport met een lage emissie en om de beheerskosten van de Gemeenschapsregeling te dekken. De veilingopbrengsten moeten ook worden gebruikt voor de financiering van bijdragen aan het wereldfonds voor energie-efficiency en hernieuwbare energie, alsmede van maatregelen ter voorkoming van ontbossing.

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van acties die overeenkomstig dit lid worden ondernomen.

5. De verstrekking van informatie aan de Commissie op basis van deze richtlijn ontslaat de lidstaten niet van de verplichting tot kennisgeving uit hoofde van artikel 88, lid 3, van het Verdrag ».

B.1.4. Uit artikel 12, lid 2bis, van de richtlijn 2003/87/EG, zoals gewijzigd bij artikel 10, onder b), van de richtlijn 2008/101/EG, vloeit overigens voort dat elke vliegtuigexploitant uiterlijk 30 april van elk jaar een hoeveelheid emissierechten dient in te leveren die gelijk is aan de totale emissies, gedurende het voorgaande kalenderjaar, van de in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteiten waarvoor die de vliegtuigexploitant is. De lidstaten waken erover dat de ingeleverde rechten vervolgens worden geannuleerd.

B.1.5. Om de administratieve lasten voor vliegtuigexploitanten te beperken, bepaalt de richtlijn 2008/101/EG dat voor elke vliegtuigexploitant slechts één enkele lidstaat verantwoordelijk kan zijn. Artikel 18bis van richtlijn 2003/87/EG, zoals ingevoegd bij richtlijn 2008/101/EG, bepaalt dienaangaande :

« 1. De administrerende lidstaat voor een vliegtuigexploitant is :

a) voor een vliegtuigexploitant met een geldige, door een lidstaat overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 2407/92 van de Raad van 23 juli 1992 betreffende de verlening van exploitatievergunningen aan luchtvaartmaatschappijen verleende exploitatievergunning, de lidstaat die de exploitatievergunning met betrekking tot die vliegtuigexploitant heeft verleend, en

b) in alle andere gevallen, de lidstaat waaraan het grootste deel van de geschatte luchtvaartemissies van door die vliegtuigexploitant in het referentiejaar uitgevoerde vluchten kan worden toegeschreven.

[...] ».

B.1.6. De bijlage van de verordening (EG) nr. 748/2009 van de Commissie van 5 augustus 2009 « betreffende de lijst van vliegtuigexploitanten die op of na 1 januari 2006 een in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG genoemde luchtvaartactiviteit hebben uitgeoefend, met specificatie van de administrerende lidstaat van elke vliegtuigexploitant » stelt de lijst vast van vliegtuigexploitanten voor wie België de administrerende lidstaat is. Het betreft een 50-tal vliegtuigexploitanten, waaronder een 10-tal die België als thuisstaat hebben en een 30-tal met een thuisstaat van buiten de Europese Unie.

B.2.1. Artikel 20bis van het decreet van 2 april 2004 « tot vermindering van de uitstoot van broeikasgassen in het Vlaamse Gewest door het bevorderen van het rationeel energiegebruik, het gebruik van hernieuwbare energiebronnen en de toepassing van flexibiliteitsmechanismen uit het Protocol van Kyoto » (hierna : « het REG-decreet van 2 april 2004 »), zoals ingevoegd bij artikel 4 van het bestreden decreet, regelt de toewijzing van de administratieve controle op de verschillende vliegtuigexploitanten voor wie België luidens het voormelde artikel 18bis van de richtlijn 2003/87/EG de administrerende lidstaat is. Die bepaling luidt :

« Voor het jaar 2012 en de periode van 2013-2020 wordt de administratieve controle van de vliegtuigexploitant die onder de administratieve bevoegdheid van België valt, verzorgd door het gewest dat de meeste CO2-emissies, uitgestoten door de vliegtuigexploitant in het referentiejaar, krijgt toegekend.

Het Vlaamse Gewest krijgt voor elke vliegtuigexploitant de CO2-emissies toegekend van alle vluchten die betrekking hebben op een luchtvaartactiviteit die nader door de Vlaamse Regering zal worden bepaald, en die :

a) vertrekken vanuit luchtvaartterreinen, gelegen op het grondgebied van het Vlaamse Gewest;

b) landen op luchtvaartterreinen, gelegen op het grondgebied van het Vlaamse Gewest, op voorwaarde dat die vluchten niet vertrekken vanuit een lidstaat van de Europese Unie ».

B.2.2. Artikel 20ter, §§ 6 tot 8, van het REG-decreet van 2 april 2004, zoals ingevoegd bij artikel 4 van het decreet van 8 mei 2009, legt de vliegtuigexploitanten een drievoudige verplichting op : (1) met ingang van het jaar 2010 jaarlijks op uiterlijk 1 januari beschikken over een goedgekeurd monitoringplan CO2-emissies; (2) met ingang van het jaar 2011 jaarlijks uiterlijk op 31 maart een als bevredigend geverifieerd CO2-emissiejaarrapport indienen; (3) met ingang van het jaar 2013 jaarlijks op uiterlijk 30 april de emissierechten inleveren ter dekking van de CO2-emissies van het voorgaande jaar.

B.2.3. Voor elke ton CO2-equivalent die wordt uitgestoten en waarvoor, in strijd met het voormelde artikel 20ter, § 8, van het REG-decreet van 2 april 2004, geen enkel emissierecht werd ingeleverd, wordt aan de vliegtuigexploitant een administratieve geldboete van 100 euro opgelegd (artikel 26 van het voormelde REG-decreet, zoals gewijzigd bij artikel 5 van het decreet van 8 mei 2009). Artikel 26bis van het REG-decreet van 2 april 2004, zoals ingevoegd bij artikel 6 van het decreet van 8 mei 2009, bepaalt dat een administratieve geldboete wordt opgelegd aan een vliegtuigexploitant die niet beschikt over een goedgekeurd monitoringplan CO2-emissies of die geen als bevredigend geverifieerd CO2-emissiejaarrapport indient. Indien die maatregelen niet volstaan, kan de Vlaamse Regering de Europese Commissie verzoeken aan een vliegtuigexploitant een exploitatieverbod op te leggen (artikel 26ter van het REG-decreet, zoals ingevoegd bij artikel 7 van het decreet van 8 mei 2009).

Ten gronde

Wat het eerste middel betreft

B.3.1. In het eerste middel voert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan dat het bestreden decreet de artikelen 5, 33, 35, 39, 134 en 143 van de Grondwet en de artikelen 2 en 6 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen schendt, in zoverre het activiteiten die plaatsvinden in het luchtruim (eerste onderdeel) en het luchtverkeer (tweede onderdeel) zou regelen.

B.3.2. Noch artikel 142 van de Grondwet, noch artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 kent het Hof de bevoegdheid toe om de eventuele schending van artikel 33 van de Grondwet af te keuren : het betreft immers geen regel die door of krachtens de Grondwet is vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten, noch een regel bedoeld in artikel 1, 2°, van die bijzondere wet.

B.3.3. Bij gebrek aan uitvoering van artikel 35 van de Grondwet, kan het Hof niet aan die bepaling toetsen.

B.3.4. In zoverre de verzoekende partij de schending aanvoert van artikel 143 van de Grondwet, valt het middel samen met het derde middel.

B.4.1. Artikel 6, § 1, II, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bepaalt :

« Wat het leefmilieu en het waterbeleid betreft :

1° De bescherming van het leefmilieu, onder meer die van de bodem, de ondergrond, het water en de lucht tegen verontreiniging en aantasting, alsmede de strijd tegen de geluidshinder;

[...] ».

B.4.2. Voor zover zij er niet anders over hebben beschikt, hebben de Grondwetgever en de bijzondere wetgever aan de gemeenschappen en de gewesten de volledige bevoegdheid toegekend tot het uitvaardigen van regels die eigen zijn aan de hun toegewezen aangelegenheden.

Op grond van het voormelde artikel 6, § 1, II, zijn de gewesten bevoegd voor de voorkoming en bestrijding van de verschillende vormen van milieuverontreiniging; de gewestwetgever vindt in het 1° van die bepaling de algemene bevoegdheid die hem in staat stelt hetgeen betrekking heeft op de bescherming van het leefmilieu, onder meer van de lucht, tegen verontreiniging en aantasting, te regelen.

B.4.3. Uit de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 vloeit voort dat de aan de gewesten toegewezen bevoegdheid inzake de bescherming van de lucht onder meer betrekking heeft op de aangelegenheden welke werden geregeld bij de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging (Parl. St., Senaat, 1979-1980, nr. 434/1, p. 13).

Luidens artikel 2 van de voormelde wet van 28 december 1964 wordt onder « luchtverontreiniging » verstaan « het in de lucht lozen, ongeacht de oorsprong van gassen, vloeistoffen of vaste stoffen, die de gezondheid van de mens kunnen aantasten, nadelig kunnen zijn voor dieren en planten of schade kunnen toebrengen aan goederen en aan stads- en natuurschoon ».

B.4.4. Uit wat voorafgaat vloeit voort dat de bevoegdheid van de gewesten inzake de bescherming van de lucht de bevoegdheid omvat om maatregelen te nemen teneinde de uitstoot van broeikasgassen in de lucht te verminderen. Die bevoegdheid is niet beperkt tot vaste installaties, maar betreft elke uitstoot van broeikasgassen, ongeacht de oorsprong. Gelet op de weerslag van broeikasgassen op het leefmilieu, en inzonderheid op het klimaat, vermogen de gewesten bijgevolg maatregelen te nemen teneinde de uitstoot van broeikasgassen door vliegtuigen te verminderen, voor zover zij evenwel hun territoriale bevoegdheid niet overschrijden.

B.5. De artikelen 5, 39 en 134 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2 en 19, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en met de artikelen 2, § 1, en 7 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, hebben een exclusieve territoriale bevoegdheidsverdeling tot stand gebracht. Een zodanig stelsel veronderstelt dat het onderwerp van iedere regeling die een gewestwetgever uitvaardigt, moet kunnen worden gelokaliseerd binnen het gebied waarvoor hij bevoegd is, zodat iedere concrete verhouding of situatie slechts door één enkele wetgever wordt geregeld.

B.6.1. Uit het voormelde artikel 18bis van de richtlijn 2003/87/EG vloeit voort dat België de administrerende lidstaat is voor, enerzijds, de vliegtuigexploitanten aan wie de bevoegde Belgische overheid overeenkomstig de bepalingen van de verordening (EEG) nr. 2407/92 van de Raad van 23 juli 1992 « betreffende de verlening van exploitatievergunningen aan luchtvaartmaatschappijen » een geldige exploitatievergunning heeft verleend en, anderzijds, de andere vliegtuigexploitanten waarvan het grootste deel van de geschatte luchtvaartemissies van de door hen in het referentiejaar uitgevoerde vluchten aan die lidstaat kan worden toegeschreven.

B.6.2. De bevoegdheid van een administrerende lidstaat strekt zich uit tot alle vluchten van de betrokken vliegtuigexploitanten die vertrekken van of aankomen op een luchtvaartterrein dat gelegen is op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie.

B.7. Uit artikel 20bis van het REG-decreet van 2 april 2004, zoals ingevoegd bij artikel 4 van het decreet van 8 mei 2009, vloeit voort dat het Vlaamse Gewest de administratieve controle uitoefent van de vliegtuigexploitanten die onder de administratieve bevoegdheid van België vallen en waarvan de meeste in het referentiejaar uitgestoten CO2-emissies aan het Vlaamse Gewest worden toegekend. Die controle strekt zich uit tot alle vluchten van de betrokken vliegtuigexploitanten die vertrekken van of landen op een luchtvaartterrein dat gelegen is op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie, met inbegrip van de vluchten die niet vertrekken van of landen op een luchtvaartterrein dat gelegen is op het grondgebied van het Vlaamse Gewest.

B.8.1. Hoewel het in artikel 20bis van het REG-decreet vervatte criterium om de emissies van broeikasgassen afkomstig van de luchtvaart in het Vlaamse Gewest te lokaliseren, sterk is geïnspireerd op het criterium dat in artikel 18bis van de richtlijn 2003/87/EG wordt gebruikt om de bevoegdheid over vliegtuigexploitanten die niet over een geldige exploitatievergunning van een lidstaat van de Europese Unie beschikken voor de toepassing van die richtlijn toe te wijzen aan een welbepaalde lidstaat van de Europese Unie, dient te worden nagegaan of dat criterium de exclusieve territoriale bevoegdheidsverdeling tussen de gewesten en de federale Staat in acht neemt.

Het in artikel 20bis van het REG-decreet gehanteerde criterium heeft tot gevolg dat het Vlaamse Gewest bevoegdheid beoogt uit te oefenen over emissies die zich slechts zeer ten dele voordoen in het luchtruim van dat Gewest. Wat de vluchten betreft die landen op of opstijgen van op een in het Vlaamse Gewest gelegen luchtvaartterrein, zullen, mede vanwege de beperkte oppervlakte van dat Gewest en een weinig ontwikkelde binnengewestelijke luchtvaart, die emissies hoofdzakelijk plaatsvinden in het luchtruim buiten dat Gewest. Een gedeelte van die emissies zal plaatsvinden in het luchtruim van de andere gewesten of in het luchtruim boven de Belgische mariene gebieden, welke tot de territoriale bevoegdheid van de federale overheid behoren. Een nog groter deel van de bedoelde emissies zal plaatsvinden in het luchtruim van andere lidstaten van de Europese Unie of daarbuiten. Maar ook emissies van vluchten welke geheel niet het luchtruim van het Vlaamse Gewest aandoen, zijn beoogd, aangezien het principe dat er slechts één administrerende overheid mag zijn per vliegtuigexploitant, in combinatie met het criterium van artikel 20bis van het REG-decreet, tot gevolg heeft dat emissies van bepaalde vluchten welke uitsluitend andere gewesten of andere lidstaten van de Europese Unie aandoen, onder het toepassingsgebied van de bestreden regeling vallen, zodra die vluchten worden uitgevoerd door een vliegtuigexploitant die met toepassing van het bedoelde criterium onder de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest zou vallen.

Omgekeerd worden niet alle emissies die in het luchtruim van het Vlaamse Gewest plaatsvinden, beoogd. Meer zelfs, de overgrote meerderheid van bedoelde emissies valt buiten het toepassingsgebied van de bestreden regeling, nu, hoewel zij afkomstig zijn van vluchten van of naar in het Vlaamse Gewest gelegen luchtvaartterreinen, die vluchten worden uitgevoerd door vliegtuigexploitanten voor wie andere lidstaten of gewesten als administrerende overheid optreden, of omdat zij afkomstig zijn van vluchten uitgevoerd door dergelijke vliegtuigexploitanten zonder landing in het Vlaamse Gewest.

B.8.2. Hoewel het bestreden criterium sterk gelijkt op het subsidiaire criterium dat om redenen van beperking van administratieve lasten voor vliegtuigexploitanten door de richtlijn 2003/87/EG wordt gebruikt om de controle over de emissies van niet-EU-vliegtuigexploitanten toe te wijzen aan één of andere lidstaat, is het niet geschikt om de emissies van broeikasgassen afkomstig van de luchtvaart, waarvoor België krachtens voormelde richtlijn bevoegd is, te lokaliseren binnen de territoriale bevoegdheid van het Vlaamse Gewest.

B.9. Het eerste onderdeel van het eerste middel is in die mate gegrond.

Nu alle bepalingen van het decreet van 8 mei 2009 « houdende wijziging van het REG-decreet van 2 april 2004, wat de uitbreiding tot luchtvaartactiviteiten betreft » onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, dient het decreet in zijn geheel te worden vernietigd.

De overige middelen en onderdelen van middelen behoeven niet te worden onderzocht omdat zij niet tot een ruimere vernietiging kunnen leiden.

B.10.1. Op grond van artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen kunnen de Staat, de gemeenschappen en de gewesten samenwerkingsakkoorden sluiten die onder meer betrekking hebben op de gezamenlijke oprichting en het gezamenlijke beheer van gemeenschappelijke diensten en instellingen, op de gezamenlijke uitoefening van eigen bevoegdheden of op de gemeenschappelijke ontwikkeling van initiatieven. Daarnaast beschikken ze over andere instrumenten om hun samenwerking gestalte te geven.

B.10.2. In de regel houdt de afwezigheid van samenwerking in een aangelegenheid waarvoor de bijzondere wetgever daartoe niet in een verplichting voorziet, geen schending in van de bevoegdheidverdelende regels.

Te dezen zijn evenwel de bevoegdheden van de federale Staat en de gewesten door, enerzijds, de Europeesrechtelijke noodzaak dat er slechts één administrerende overheid mag zijn per vliegtuigexploitant en, anderzijds, de hoofdzakelijk gewestgrensoverschrijdende aard van de door in een gewest landende of opstijgende vliegtuigen veroorzaakte emissies tijdens hun volledige vlucht, dermate verweven dat ze niet dan in onderlinge samenwerking kunnen worden uitgeoefend. Een samenwerkingsakkoord tussen de federale Staat en de gewesten zal het overigens mogelijk maken om, naar het voorbeeld van de richtlijn 2003/87/EG (artikel 18ter ), zo nodig de bevoegde federale luchtvaartautoriteiten bij de toepassing van het stelsel te betrekken.

B.11. Luidens artikel 2 van de richtlijn 2008/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 « tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde ook luchtvaartactiviteiten op te nemen in de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap » dienen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden om uiterlijk op 2 februari 2010 aan die richtlijn te voldoen. Hoewel het stelsel van de verhandelbare emissierechten pas op 1 januari 2012 in werking treedt ten aanzien van luchtvaartactiviteiten, dienen de vliegtuigexploitanten en de autoriteiten van de lidstaten in de periode die daaraan voorafgaat een reeks voorbereidende maatregelen te nemen. Inmiddels heeft ook het Waalse Gewest de voormelde richtlijn omgezet bij het decreet van 6 oktober 2010 « tot wijziging van het decreet van 10 november 2004 tot invoering van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten, tot oprichting van een 'Fonds wallon Kyoto' (Waals Kyotofonds) en betreffende de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto » (Belgisch Staatsblad , 22 november 2010).

Teneinde de rechtsonzekerheid te vermijden die uit de vernietiging zou voortvloeien, en België in staat te stellen verdere uitvoering te geven aan de voormelde richtlijn dienen, met toepassing van artikel 8, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de gevolgen van de vernietigde bepalingen te worden gehandhaafd, zoals aangegeven in het beschikkend gedeelte.

Om die redenen,

het Hof

- vernietigt het decreet van het Vlaamse Gewest van 8 mei 2009 « houdende wijziging van het REG-decreet van 2 april 2004, wat de uitbreiding tot luchtvaartactiviteiten betreft »;

- handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepalingen tot de inwerkingtreding van een bij samenwerkingsakkoord tussen de federale Staat en de gewesten vastgestelde regeling ter uitvoering van richtlijn 2008/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 « tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde ook luchtvaartactiviteiten op te nemen in de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap » en uiterlijk tot 31 december 2011.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 2 maart 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Beroep tot vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 8 mei 2009 « houdende wijziging van het REG-decreet van 2 april 2004, wat de uitbreiding tot luchtvaartactiviteiten betreft », en, in ondergeschikte orde, van artikel 4 van voormeld decreet van 8 mei 2009, in zoverre het een artikel 20bis invoegt in het REG-decreet van 2 april 2004, ingesteld door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering. Grondwettelijk recht

  • Bevoegdheden van de gewesten

  • Vlaams Gewest

  • Leefmilieu

  • 1. Voorkoming en bestrijding van milieuverontreiniging

  • Bescherming van de lucht

  • Emissies van broeikasgassen afkomstig van de luchtvaart

  • Lokalisatiecriterium

  • 2. Territoriale bevoegdheid

  • Exclusiviteitsbeginsel

  • Extraterritoriale gevolgen

  • Ontstentenis van samenwerkingsakkoord met de federale Staat. # Europees recht

  • Leefmilieu

  • Toewijzing van en handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie

  • Luchtvaartactiviteiten

  • Eén administrerende lidstaat per vliegtuigexploitant.