- Arrest van 10 maart 2011

10/03/2011 - 34/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

De wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat zij geen enkele bepaling bevat betreffende de verjaringstermijn van de vordering tot terugbetaling van de vergoeding voor sluiting van een onderneming.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 11 februari 2010 in zake het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers tegen Louis Agazzi en de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 23 februari 2010, heeft de Arbeidsrechtbank te Bergen de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« De wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen, opgeheven bij de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, voorziet in geen enkele verjaringstermijn voor de terugvordering van een ten onrechte betaalde sluitingsvergoeding en verwijst niet naar artikel 30 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, dat verjaringstermijnen van zes maanden, drie jaar of vijf jaar vaststelt voor de vordering tot terugbetaling van een ten onrechte betaald bedrag.

Bevat de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen bijgevolg geen discriminatie tussen werknemers en sociaal verzekerden die strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat zij niet voorziet in een verjaringstermijn voor de terugvordering van een ontslagvergoeding die bij de sluiting van een onderneming ten onrechte werd betaald, terwijl in korte verjaringstermijnen is voorzien voor de vorderingen tot terugbetaling van ten onrechte betaalde prestaties, zoals die zijn bepaald door de wet van 29 juni 1981, maar eveneens in de aangelegenheden van sociale zekerheid, opgevat in ruime zin ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. De wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die worden ontslagen bij sluiting van ondernemingen beoogt de bescherming van de werknemers bij de sluiting van een onderneming. Ze geeft de paritaire comités, enerzijds, de opdracht om de aan de sluiting voorafgaande informatieverplichtingen te regelen en verleent aan de ontslagen werknemers, anderzijds, het recht op een vergoeding ten laste van de werkgever.

De wet voorziet in de oprichting, bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers. Het Fonds heeft tot opdracht aan de betrokken werknemers de sluitingsvergoeding uit te betalen indien de werkgever zijn verplichtingen niet nakomt (artikel 9). De werkgever die zijn onderneming sluit, moet aan het Fonds het bedrag der vergoedingen terugbetalen die dat laatste heeft uitgekeerd (artikel 18).

B.1.2. De wet van 28 juni 1966 bevat geen enkele bepaling over de verjaring die van toepassing zou zijn op de terugvordering van een vergoeding die ten onrechte werd betaald, met name wanneer het onverschuldigde karakter volgt uit artikel 5bis, § 2, van dezelfde wet, dat werd ingevoegd bij de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, en krachtens hetwelk de werknemers die meer bepaald een aanvullende vergoedingsregeling genieten bepaald bij de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17, gesloten op 19 december 1974 in de Nationale Arbeidsraad, de sluitingsvergoeding niet kunnen genieten.

B.2. De verwijzende rechter vergelijkt, enerzijds, die situatie met de situatie die wordt geregeld door andere teksten inzake sociale zekerheid, meer bepaald door artikel 30 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, dat voorziet in een verjaringstermijn van drie jaar, die op vijf jaar wordt gebracht in geval van bedrog of arglist van de werknemer en die wordt teruggebracht tot zes maanden indien de betaling enkel het gevolg is van een vergissing van de instelling of de dienst, waarvan de betrokkene zich normaal geen rekenschap kon geven.

De verwijzende rechter vermeldt, anderzijds, de korte verjaringstermijnen die zijn bepaald « in de aangelegenheden van sociale zekerheid, opgevat in ruime zin ».

Hij stelt het Hof een vraag over de mogelijke discriminatie onder werknemers of onder sociaal verzekerden, die uit de in het geding zijnde wet zou voortvloeien.

B.3. Uit de bewoordingen van het alternatief van de prejudiciële vraag en van de motivering van de verwijzingsbeslissing volgt dat de verwijzende rechter zich niet heeft uitgesproken over de vraag of de in het geding zijnde aanvullende ontslagvergoeding een vergoeding is die met een socialezekerheidsprestatie kan worden gelijkgesteld, dan wel of zij een element van het loon is.

B.4.1. De sluitingsvergoeding zou aldus kunnen worden gelijkgesteld met een socialezekerheidsprestatie in ruime zin.

Het Hof stelt vast dat het in B.2 vermelde artikel 30 van de wet van 29 juni 1981 aangeeft dat de wetgever niet heeft toegestaan dat de inzake sociale zekerheid gestorte uitkeringen, wanneer die onverschuldigd zijn geïnd, binnen de gemeenrechtelijke termijnen kunnen worden teruggevorderd. Hij heeft rekening willen houden met het feit dat « de eigen aard en het toenemende technische aspect van de normatieve teksten die ons sociale zekerheidssysteem beheersen [...] een bijzondere regeling [vereisen] voor de materie van de terugvordering van onverschuldigde bedragen ten aanzien van de principes van het burgerlijk recht » (Parl. St., Senaat, 1979-1980, 508, nr. 1, p. 25). Hij heeft tevens erover gewaakt dat de korte verjaringstermijnen niet van toepassing zijn « in geval van bedrog, arglist of bedrieglijke handelingen van de betrokkene » en in dat geval de verjaringstermijn tot vijf jaar beperkt (artikel 30, § 1, derde lid, van voormelde wet van 29 juni 1981).

B.4.2. De vergoeding die, bij nalatigheid vanwege de werkgever, wordt gestort door het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers, dat werd opgericht bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, verschilt niet dermate van de andere sociale prestaties dat het verantwoord zou zijn de terugvordering van de onverschuldigd betaalde vergoeding aan de verjaringstermijn van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek te onderwerpen terwijl, voor andere vergelijkbare onverschuldigd betaalde sociale uitkeringen de verjaringstermijn, naar gelang van de gevallen, zes maanden, drie jaar of vijf jaar bedraagt.

B.5.1. Overigens zou de vergoeding in kwestie eveneens kunnen worden beschouwd als een element van het loon.

Welnu, wanneer de aanvullende ontslagvergoeding rechtstreeks door de werkgever wordt gestort, is de terugvordering ervan, in geval van een onverschuldigde betaling, onderworpen aan artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, dat bepaalt dat de « rechtsvorderingen die uit de overeenkomst ontstaan, verjaren één jaar na het eindigen van deze overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat deze termijn één jaar na het eindigen van deze overeenkomst mag overschrijden ».

B.5.2. Uit het feit dat die vergoeding door het Fonds wordt gestort, mag niet voortvloeien dat dit Fonds een andere verjaringstermijn kan doen gelden dan die waartoe de werkgever is gehouden op grond van het voormelde artikel 15.

B.6. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

De wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat zij geen enkele bepaling bevat betreffende de verjaringstermijn van de vordering tot terugbetaling van de vergoeding voor sluiting van een onderneming.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 10 maart 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen, vóór de opheffing ervan bij de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Bergen. Sociaal recht

  • Arbeidsrecht / Sociale zekerheid

  • Vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers

  • Sluitingsvergoeding

  • Onterecht uitbetaalde vergoeding

  • Terugvordering

  • Verjaringstermijn.