- Arrest van 10 maart 2011

10/03/2011 - 36/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

- Artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals van toepassing vóór de vervanging ervan bij artikel 2 van de wet van 15 mei 2007 « tot wijziging van artikel 14 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 », schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

- De ontstentenis van een wetsbepaling die een beroep organiseert tegen een beslissing van een orgaan van de Raad van State waarbij aan een magistraat van de Raad van State een maatregel van orde wordt opgelegd die een verhulde tuchtsanctie zou kunnen zijn, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest nr. 201.600 van 8 maart 2010 in zake Emiel Haesbrouck tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 16 maart 2010, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 14, § 1, eerste lid, 1° en 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gewijzigd bij artikel 4 van de wet van 15 september 2006, in die zin gelezen dat de Raad van State niet bevoegd is om kennis te nemen van een annulatieberoep ingesteld door een magistraat van de Raad van State tegen een beslissing waarbij een orgaan van de Raad van State hem een maatregel van orde oplegt die mogelijk een verkapte tuchtstraf vormt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat de betrokken magistraat over geen rechtsmiddel beschikt om zich tegen dergelijke beslissingen te verzetten, terwijl de magistraten van de rechterlijke orde en de burgers zich wel in rechte kunnen voorzien tegen dergelijke beslissingen ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling

B.1.1. De Raad van State ondervraagt het Hof over de bestaanbaarheid van « artikel 14, § 1, eerste lid, 1° en 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gewijzigd bij artikel 4 van de wet van 15 september 2006 ».

B.1.2. Uit de feiten van de zaak voor het verwijzende rechtscollege blijkt dat de prejudiciële vraag van de Raad van State betrekking heeft op artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals vervangen bij artikel 2 van de wet van 25 mei 1999 « tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, van de wet van 5 april 1955 inzake de wedden van de ambtsdragers bij de Raad van State, alsook van het Gerechtelijk Wetboek » en zoals gewijzigd bij artikel 4 van de wet van 15 september 2006 « tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen », vóór de vervanging ervan bij artikel 2 van de wet van 15 mei 2007 « tot wijziging van artikel 14 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 ». Die bepaling luidde als volgt :

« De afdeling doet uitspraak, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden, alsook tegen de administratieve handelingen van wetgevende vergaderingen of van hun organen, daarbij inbegrepen de ombudsmannen ingesteld bij deze assemblees, van het Rekenhof en van het Arbitragehof, van de Raad van State en de administratieve rechtscolleges evenals van organen van de rechterlijke macht en van de Hoge Raad van de Justitie met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel ».

B.2.1. Op grond van die bepaling is de Raad van State slechts bevoegd om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring indien de bestreden handeling kan worden beschouwd hetzij als een handeling van een administratieve overheid, hetzij als een handeling van onder meer de Raad van State en de administratieve rechtscolleges, voor zover het in het laatste geval gaat om een handeling met betrekking tot een overheidsopdracht of met betrekking tot een lid van het personeel van de betrokken overheid.

B.2.2. In het verwijzingsarrest stelt de Raad van State vast dat hij geen administratieve overheid is en dat hij derhalve niet onder artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State valt. Hij stelt eveneens vast dat met het « personeel » van de Raad van State niet de magistraten zelf worden bedoeld, maar wel het administratief personeel, zodat hij evenmin op die grond bevoegd is om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring van een beslissing van een orgaan van de Raad van State dat een magistraat van de Raad een maatregel van orde oplegt die een verhulde tuchtsanctie zou kunnen zijn.

B.2.3. Uit wat voorafgaat vloeit voort dat een magistraat van de Raad van State geen beroep tot nietigverklaring kan instellen tegen een beslissing waarbij een orgaan van de Raad van State hem een maatregel van orde oplegt die een verhulde tuchtsanctie zou kunnen zijn. De Raad van State vraagt of artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, in die zin geïnterpreteerd, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.3. Het Hof wordt verzocht de situatie van een magistraat van de Raad van State te vergelijken met die van, enerzijds, de magistraten van de rechterlijke orde en, anderzijds, de burgers in het algemeen. Terwijl een magistraat van de Raad van State geen rechtsmiddel zou hebben tegen een beslissing waarbij een orgaan van de Raad van State hem een maatregel van orde oplegt die een verhulde tuchtsanctie zou kunnen zijn, zouden de magistraten van de rechterlijke orde en de burgers in het algemeen wel een rechtsmiddel hebben tegen dergelijke beslissingen.

B.4. In zijn arrest nr. 27/2009 van 18 februari 2009 heeft het Hof geoordeeld :

« B.6. Uit wat voorafgaat volgt dat tegen de beslissing van een procureur des Konings in verband met de aan een magistraat van het openbaar ministerie toevertrouwde opdrachten geen enkel dienstig beroep kan worden ingesteld, zelfs wanneer een dergelijke beslissing een verhulde tuchtsanctie zou vormen.

B.7. Die ontstentenis van enig beroep is niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, maar die discriminatie vindt haar oorsprong noch in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, noch in de artikelen 608, 610 en 1088 van het Gerechtelijk Wetboek. Zij vloeit voort uit het feit dat geen enkele bepaling van het Gerechtelijk Wetboek het mogelijk maakt een beroep in te stellen.

In artikel 405 van het Gerechtelijk Wetboek worden de tuchtstraffen opgesomd die kunnen worden opgelegd aan de magistraten en in artikel 415 worden de overheden aangewezen die bevoegd zijn om kennis te nemen van de beroepen die worden ingesteld tegen die straffen, maar geen enkele bepaling maakt een beroep mogelijk tegen een maatregel van inwendige aard die een verhulde tuchtsanctie zou vormen.

B.8. De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord.

B.9. Het staat aan de wetgever te beoordelen tot welk type van beroep de beslissing van een procureur des Konings moet leiden in verband met de opdrachten van een magistraat van het openbaar ministerie en die een verhulde tuchtsanctie zou kunnen vormen, en dat beroep te organiseren binnen de rechterlijke orde ».

B.5. Hetzelfde geldt voor de leden van het auditoraat van de Raad van State : de ontstentenis van enig beroep tegen een beslissing van een orgaan van de Raad van State waarbij hun een maatregel van orde wordt opgelegd die een verhulde tuchtsanctie zou kunnen zijn, is niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.6. Die discriminatie vindt evenwel niet haar oorsprong in artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Zij vloeit voort uit het feit dat geen enkele bepaling van die gecoördineerde wetten het mogelijk maakt een beroep in te stellen tegen een dergelijke beslissing.

B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

B.8. Het staat aan de wetgever het type van beroep te bepalen waartoe een beslissing van een orgaan van de Raad van State dat een lid van het auditoraat een maatregel van orde oplegt die een verhulde tuchtsanctie zou kunnen zijn, moet kunnen leiden, en dat beroep te organiseren. Hierbij dient de wetgever rekening te houden met het feit dat de leden van het auditoraat « in volle onafhankelijkheid hun verslagen en adviezen moeten [kunnen] opstellen » (Parl. St., Kamer, 1968-1969, nr. 369/7, p. 19).

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- Artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals van toepassing vóór de vervanging ervan bij artikel 2 van de wet van 15 mei 2007 « tot wijziging van artikel 14 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 », schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

- De ontstentenis van een wetsbepaling die een beroep organiseert tegen een beslissing van een orgaan van de Raad van State waarbij aan een magistraat van de Raad van State een maatregel van orde wordt opgelegd die een verhulde tuchtsanctie zou kunnen zijn, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 10 maart 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 14, § 1, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, gesteld door de Raad van State. Bestuursrecht

  • Raad van State

  • Beslissing van een orgaan van de Raad van State dat een magistraat van de Raad een maatregel van orde oplegt

  • Verhulde tuchtsanctie

  • Rechtsmiddelen

  • Ontstentenis van enig beroep.