- Arrest van 15 maart 2011

15/03/2011 - 37/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof

- vernietigt artikel 2, 9°, artikel 4, artikel 5 en artikel 11, § 2, 3°, van de wet van 22 december 2009 betreffende een algemene regeling voor rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming van werknemers tegen tabaksrook, zoals gewijzigd bij de wet van 22 december 2009 tot wijziging van de wet van 22 december 2009 betreffende een algemene regeling van rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming voor werknemers tegen tabaksrook; - handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepalingen tot 30 juni 2011;

- verwerpt de beroepen voor het overige.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging

a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 28 januari 2010 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 29 januari 2010, is beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 22 december 2009 betreffende een algemene regeling voor rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming van werknemers tegen tabaksrook (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 december 2009) door de bvba « ADS », met maatschappelijke zetel te 2820 Bonheiden, Korte Veldstraat 19A, de bvba « Interfoods », met maatschappelijke zetel te 8940 Wervik, Kruisekestraat 52, en de bvba « Dany Croc Club Sandwich », met maatschappelijke zetel te 4000 Luik, rue Léon Troclet 8.

Bij hetzelfde verzoekschrift vorderden de verzoekende partijen eveneens de schorsing van dezelfde wet. Bij het arrest nr. 40/2010 van 22 april 2010 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 9 juni 2010) heeft het Hof de vordering tot schorsing verworpen.

b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 23 maart 2010 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 24 maart 2010, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 2, 9°, 4, § § 1 en 2, 5, 6, 11, § 2, 3°, en 14 van dezelfde wet door de vzw « Vlaamse Liga tegen Kanker », met maatschappelijke zetel te 1210 Brussel, Koningsstraat 217, en Leo Leys, wonende te 3010 Kessel-Lo, Verenigingstraat 58.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4859 en 4905 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

II. In rechte

(...)

Wat de bestreden bepalingen betreft

B.1.1. De bestreden wet is de wet van 22 december 2009 « betreffende een algemene regeling voor rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming van werknemers tegen tabaksrook », zoals gewijzigd bij de wet van 22 december 2009 « tot wijziging van de wet van 22 december 2009 betreffende een algemene regeling van rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming voor werknemers tegen tabaksrook ».

B.1.2. De artikelen 2 tot 6 van de bestreden wet bepalen :

« Art. 2. Voor de toepassing van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan wordt verstaan onder :

[...]

2° gesloten plaats : plaats door wanden afgesloten van de omgeving en voorzien van een plafond of zoldering;

3° plaats toegankelijk voor het publiek :

a) plaats waarvan de toegang niet beperkt is tot de gezinssfeer;

b) onder meer inrichtingen of gebouwen van volgende aard :

[...]

v. plaatsen waar al dan niet tegen betaling aan het publiek diensten worden verstrekt, met inbegrip van plaatsen waar voedingsmiddelen en/of dranken ter consumptie worden aangeboden;

[...]

5° werkruimte :

a) elke arbeidsplaats, ongeacht of deze zich binnen of buiten een onderneming of inrichting bevindt en ongeacht of deze zich in een gesloten of een open ruimte bevindt, met uitzondering van de ruimte in open lucht;

b) elke open of gesloten ruimte binnenin de onderneming of de inrichting waar de werknemer toegang tot heeft;

6° sociale voorzieningen : de sanitaire voorzieningen, de refter en lokalen bestemd voor rust of eerste hulp;

7° rookkamer : ruimte afgesloten door wanden en een zoldering waar gerookt mag worden;

[...]

9° drankgelegenheid : een inrichting waar de belangrijkste en permanente activiteit er enkel uit bestaat dranken, waaronder dranken met ethylalcohol, aan te bieden voor consumptie ter plaatse en waar geen andere levensmiddelen worden aangeboden voor consumptie ter plaatse dan voorverpakte levensmiddelen die zonder enige bijkomende maatregel gedurende minstens drie maanden houdbaar blijven;

[...].

Art. 3. § 1. Het is verboden te roken in gesloten plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn. Deze plaatsen dienen rookvrij te zijn.

Aan de ingang van en binnen elke plaats bedoeld in het eerste lid worden rookverbodstekens zoals bepaald bij artikel 2, 10°, zo aangebracht dat alle aanwezige personen er kennis van kunnen nemen. De Koning kan de bijkomende voorwaarden bepalen waaraan de signalisatie van het rookverbod dient te beantwoorden.

§ 2. Het verbod bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, geldt eveneens permanent in alle voertuigen die gebruikt worden voor het openbaar vervoer dus ook wanneer zij buiten dienst zijn.

§ 3. Elk element dat tot roken kan aanzetten of dat laat uitschijnen dat roken toegestaan is, is verboden in de plaatsen bedoeld in paragrafen 1 en 2.

Art. 4. § 1. Onverminderd de bepalingen van artikel 3, § 1, wordt een uitzondering gemaakt op het rookverbod voor afgesloten drankgelegenheden en die geen deel uitmaken van een sportruimte.

De uitbater van een drankgelegenheid bedoeld in het eerste lid, of het gaat om een fysiek persoon of een rechtspersoon, kan een zone die duidelijk afgebakend is, installeren, waar het toegestaan is te roken volgens vormen en voorwaarden voorzien in volgende paragrafen.

De uitzondering bedoeld in het eerste lid geldt tot 1 juli 2014. Niettemin kan de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na overleg met de sector een einde maken aan deze uitzondering vanaf 1 januari 2012.

§ 2. De zone gereserveerd voor rokers moet aangeduid worden door allerhande middelen die het mogelijk maken ze te situeren.

Ze moet zodanig ingericht zijn dat de ongemakken van de rook ten opzichte van niet-rokers maximaal verminderd worden.

De oppervlakte ervan moet minder dan de helft van de totale oppervlakte van de plaats waar dranken ter consumptie worden opgediend zijn, behalve indien deze totale oppervlakte minder dan 50 vierkante meter bedraagt.

§ 3. In de plaatsen gereserveerd voor niet-rokers dienen rookverbodstekens overeenkomstig punt 10° van artikel 2 zo te worden aangebracht dat alle aanwezige personen er kennis van kunnen nemen.

§ 4. Elk element dat tot roken kan aanzetten of dat laat geloven dat roken toegestaan is, is verboden in de zone gereserveerd voor niet-rokers.

§ 5. De Koning kan bijkomende voorwaarden vaststellen waaraan de drankgelegenheden moeten voldoen waar roken toegelaten is. Deze voorwaarden hebben betrekking op de installatie van een ventilatiesysteem dat een minimaal volume van luchtverversing verzekert.

Art. 5. Het in artikel 3 bedoelde verbod is niet van toepassing op de kansspelinrichtingen van klasse I, zoals omschreven in artikel 28 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers in de lokalen die uitsluitend bestemd zijn om te spelen en waar dranken mogen worden geserveerd.

De uitzondering bedoeld in het eerste lid geldt tot 1 juli 2014. Niettemin kan de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na overleg met de sector een einde maken aan deze uitzondering vanaf 1 januari 2012.

Art. 6. Onverminderd de bepalingen van artikel 3, kan de uitbater van een gesloten plaats, die toegankelijk is voor het publiek een rookkamer installeren.

Deze rookkamer is geen doorgangszone en is zodanig geconstrueerd en ingericht dat de ongemakken van de rook ten opzichte van de niet-rokers maximaal verminderd worden.

De rookkamer wordt duidelijk als lokaal voor rokers geïdentificeerd en wordt aangeduid door allerhande middelen die toelaten ze te situeren. In de rookkamer kunnen enkel dranken worden meegenomen.

De oppervlakte van de rookkamer mag niet meer bedragen dan een vierde van de totale oppervlakte van de gesloten plaats.

De rookkamer is voorzien van een rookafzuigsysteem of een verluchtingssysteem dat de rook afdoende verwijdert.

De Koning bepaalt de bijkomende voorwaarden waaraan de rookkamer dient te beantwoorden ».

B.1.3. De artikelen 11 tot 14 van de bestreden wet bepalen :

« Art. 11. § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de werkgevers en de werknemers en op de daarmee gelijkgestelde personen, bedoeld in artikel 2, § 1, tweede lid, 1°, a) tot e), en 2°, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.

§ 2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op :

1° de als private vertrekken te beschouwen gesloten plaatsen van alle instellingen van maatschappelijke dienstverlening en van de gevangenissen, waar de bewoners en niet-bewoners kunnen roken onder de voorwaarden die er voor hen zijn vastgelegd;

2° privéwoningen, behalve de ruimten die exclusief bestemd zijn voor professioneel gebruik en waar werknemers tewerk worden gesteld.

3° de drankgelegenheden en de kansspelinrichtingen respectievelijk bedoeld in de artikelen 4, § 1 en 5.

Art. 12. Elke werknemer heeft het recht te beschikken over werkruimten en sociale voorzieningen, vrij van tabaksrook.

Art. 13. De werkgever verbiedt het roken in de werkruimten en de sociale voorzieningen, evenals in het vervoermiddel dat voor gemeenschappelijk vervoer van en naar het werk door hem ter beschikking wordt gesteld van het personeel.

De werkgever neemt de nodige maatregelen teneinde erover te waken dat derden die zich in de onderneming bevinden, geïnformeerd worden omtrent de maatregelen die hij toepast overeenkomstig deze wet.

Elk element dat tot roken kan aanzetten of dat laat geloven dat roken toegestaan is, is verboden in de lokalen als bedoeld in het eerste lid.

Art. 14. In afwijking van het verbod bedoeld in artikel 13, bestaat de mogelijkheid te voorzien in een rookkamer binnen de onderneming, na voorgaand advies van het Comité.

De rookkamer, die uitsluitend tot het roken bestemd is, wordt afdoende verlucht of wordt voorzien van een rookafzuigsysteem dat de rook afdoende verwijdert. De Koning bepaalt de bijkomende voorwaarden waaraan de rookkamer dient te beantwoorden.

De regeling van de toegang tot deze kamer tijdens de werkuren wordt vastgesteld, na voorafgaand advies van het Comité.

Deze regeling veroorzaakt geen ongelijke behandeling van de werknemers ».

Voormeld artikel 11, § 2, 3°, wordt opgeheven uiterlijk op 1 juli 2014. Niettemin kan de Koning deze opheffing vervroegen vanaf 1 januari 2012 bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na overleg met de sector (artikel 4 van de wet van 22 december 2009 « tot wijziging van de wet van 22 december 2009 betreffende een algemene regeling van rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming voor werknemers tegen tabaksrook »).

B.2.1. In de zaak nr. 4859 vorderen de verzoekende partijen de vernietiging van de wet van 22 december 2009 betreffende een algemene regeling voor rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming van werknemers tegen tabaksrook, zoals gewijzigd bij de andere wet van 22 december 2009.

Uit het verzoekschrift blijkt dat het beroep is gericht tegen de uitzondering bepaald in artikel 4 van de wet van 22 december 2009 en tegen de definitie van « drankgelegenheid » in artikel 2, 9°, van dezelfde wet. De verzoekende partijen bestrijden immers niet het rookverbod als zodanig, maar slechts de uitzondering die bestaat voor « drankgelegenheden ».

B.2.2. In de zaak nr. 4905 vorderen de verzoekende partijen de vernietiging van artikel 2, 9°, artikel 4, § 1, artikel 4, § 2, artikel 5, artikel 6, artikel 11, § 2, 3°, en artikel 14 van de wet van 22 december 2009 betreffende een algemene regeling voor rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming van werknemers tegen tabaksrook, zoals gewijzigd bij de andere wet van 22 december 2009.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

B.3.1. In zijn arrest nr. 40/2010 van 22 april 2010 heeft het Hof geoordeeld dat de verzoekende partijen in de zaak nr. 4859 doen blijken van het rechtens vereiste belang.

B.3.2. In de zaak nr. 4905 zijn de verzoekende partijen de vzw « Vlaamse Liga tegen Kanker » en Leo Leys.

Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor het Hof optreedt, is vereist dat haar maatschappelijk doel van bijzondere aard is en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang; dat zij een collectief belang verdedigt; dat haar maatschappelijk doel door de bestreden norm kan worden geraakt; dat ten slotte niet blijkt dat dit maatschappelijk doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd.

Krachtens artikel 3 van haar statuten heeft de vzw « Vlaamse Liga tegen Kanker » « tot doel een daadwerkelijke bijdrage te leveren in de strijd tegen kanker en dit met alle nodige middelen en met alle nodige initiatieven ».

Daar de uitzonderingen waarin de bestreden wet voorziet op het algemene rookverbod in de horeca en op de bescherming van de rookvrije werkplaats, als gevolg hebben dat bepaalde categorieën van personen gedurende een bepaalde periode worden blootgesteld aan kankerverwekkende stoffen, betekent een beroep tot vernietiging tegen die uitzonderingen een bijdrage in de strijd tegen kanker.

Bijgevolg doet de vzw « Vlaamse Liga tegen Kanker » blijken van het rechtens vereiste belang.

B.3.3. Er dient niet te worden nagegaan of Leo Leys eveneens doet blijken van het vereiste belang om die bepalingen te bestrijden.

B.4. In tegenstelling tot wat de Ministerraad betoogt, bevatten de verzoekschriften in de zaken nrs. 4859 en 4905 een voldoende duidelijke uiteenzetting van de feiten en de middelen in de zin van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof.

Ten gronde

Wat de uitzondering voor drankgelegenheden betreft

B.5.1. De artikelen 2, 9°, en 4, § 1, van de bestreden wet hebben als gevolg dat, minstens tot 31 december 2011 en ten laatste tot 30 juni 2014, het roken toegestaan blijft in horecazaken waar « de belangrijkste en permanente activiteit er enkel uit bestaat dranken, waaronder dranken met ethylalcohol, aan te bieden voor consumptie ter plaatse en waar geen andere levensmiddelen worden aangeboden voor consumptie ter plaatse dan voorverpakte levensmiddelen die zonder enige bijkomende maatregel gedurende minstens drie maanden houdbaar blijven ».

In het enige middel in de zaak nr. 4859 en in het eerste tot en met het vierde middel in de zaak nr. 4905 voeren de verzoekende partijen aan dat die uitzondering op het algemene rookverbod in de horeca in strijd is met de artikelen 10, 11, 22 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.5.2. In het voormelde arrest nr. 40/2010 oordeelde het Hof dat het middel in de zaak met nummer 4859 ernstig is, om volgende redenen :

« B.8.1. Het onderscheid steunt op het soort etenswaren dat in een horecazaak wordt aangeboden. Roken is, tot op de door de Koning bepaalde datum tussen 1 januari 2012 en 1 juli 2014, enkel toegestaan in horecazaken waar geen andere etenswaren worden aangeboden dan ' voorverpakte levensmiddelen die zonder enige bijkomende maatregel gedurende minstens drie maanden houdbaar blijven '.

B.8.2. In het licht van de hoofddoelstelling van de bestreden wet, namelijk de bescherming van de niet-rokers en van de werknemers van de betrokken sector, lijkt het verschil in behandeling op grond van de aard van de etenswaren die in een horecazaak kunnen worden geconsumeerd, geen verband te houden met de verwezenlijking van die hoofddoelstelling.

B.9. De Ministerraad voert aan dat een plotse invoering van een algemeen rookverbod problematisch kan zijn voor de zogenaamde volkscafés, en dat het in die omstandigheden niet kennelijk onredelijk is dat de wetgever voorziet in een overgangsperiode die de uitbaters van dergelijke gelegenheden in staat stelt hun cliënteel voor te bereiden op een algemeen rookverbod, of hen in de gelegenheid stelt een rookkamer te installeren. Het door de wetgever aangewende criterium van onderscheid lijkt evenwel niet pertinent om de horecazaken die zonder grote problemen onmiddellijk kunnen voldoen aan de wettelijke vereisten te onderscheiden van diegene die om sociaaleconomische redenen een redelijke overgangstermijn moeten kunnen genieten om aan die vereisten te voldoen ».

B.6.1. Inzake blootstelling aan tabaksrook dient, zoals de verzoekende partijen in de zaak nummer 4859 stellen, het recht op de bescherming van de gezondheid in artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet te worden gelezen in samenhang met de binnen de Wereldgezondheidsorganisatie gesloten « Kaderovereenkomst inzake de bestrijding van het tabaksgebruik », gedaan te Genève op 21 mei 2003, dat in werking is getreden op 27 februari 2005 en door het Koninkrijk België is geratificeerd op 1 november 2005.

Artikel 8 van dat verdrag bepaalt :

« 1. De Partijen erkennen dat wetenschappelijk bewijs heeft aangetoond dat blootstelling aan tabaksrook leidt tot dood, ziekte en arbeidsongeschiktheid.

2. Elke Partij neemt binnen de bestaande nationale rechtsbevoegdheid zoals bepaald in het nationaal recht doeltreffende wetgevende, uitvoerende, bestuurlijke en/of andere maatregelen aan, voert deze uit, en bevordert deze maatregelen op andere niveaus van rechtsbevoegdheid. Deze doeltreffende maatregelen dienen te voorzien in bescherming tegen blootstelling aan tabaksrook op binnen gebouwen gelegen werkruimtes, het openbaar vervoer, binnen openbare gebouwen en, naargelang het geval, op andere openbare plaatsen ».

Artikel 18 van dat verdrag bepaalt :

« De Partijen komen overeen bij de nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van deze Overeenkomst op het terrein van de tabaksteelt en -vervaardiging binnen hun respectievelijke grondgebieden naar behoren rekening te houden met de bescherming van het milieu en van de volksgezondheid met betrekking tot het milieu ».

B.6.2. Volgens de Richtlijnen betreffende de uitvoering van dat verdrag (Guidelines for Implementation ) houdt artikel 8 de volgende verplichtingen in :

« Artikel 8 schrijft de goedkeuring van doeltreffende maatregelen voor om de bevolking te beschermen tegen blootstelling aan tabaksrook 1) in binnen gebouwen gelegen werkruimten, 2) binnen openbare gebouwen, 3) in het openbaar vervoer en 4) ' naargelang het geval ' op ' andere openbare plaatsen '.

Dat artikel schept de verplichting om volledige bescherming te bieden door ervoor te zorgen dat elke overdekte openbare ruimte, elke overdekte werkruimte, alle openbaar vervoer en mogelijke andere (niet-overdekte of gedeeltelijk overdekte) openbare ruimten vrij zijn van blootstelling aan secundaire tabaksrook. Vrijstellingen op basis van gezondheids- en juridische argumenten zijn niet gerechtvaardigd. Als er vrijstellingen moeten worden overwogen op basis van andere argumenten, dan moeten deze minimaal zijn. Als verder een Partij geen onmiddellijke, universele dekking kan bereiken, schept artikel 8 de verplichting om zo snel als mogelijk elke vrijstelling weg te werken en de bescherming volledig te maken. Elke Partij moet ernaar streven volledige bescherming te bieden binnen vijf jaar vanaf de inwerkingtreding van de WGO-Kaderovereenkomst voor die Partij.

Er bestaat geen veilig niveau van blootstelling aan secundaire rook en, zoals eerder door de conferentie van de partijen in besluit FCTC/COP1(15) erkend, technische oplossingen, zoals ventilatie, luchtverversing en het gebruik van rookzones, beschermen niet tegen blootstelling aan tabaksrook.

De bescherming geldt voor elke overdekte of afgesloten werkruimte, waaronder als arbeidsplaats dienstdoende motorvoertuigen (bijvoorbeeld taxi's, ambulances of leveringsvoertuigen).

De Overeenkomst schrijft beschermende maatregelen voor, niet alleen ' binnen ' elke openbare ruimte, maar zo nodig ook in andere (namelijk niet-overdekte of gedeeltelijk overdekte) openbare ruimten. De Partijen moeten bij het identificeren van deze niet-overdekte en gedeeltelijk overdekte openbare ruimten waar wetgeving nodig is rekening houden met de beschikbare gegevens betreffende mogelijke gezondheidsrisico's in verschillende situaties, en dienen de meest doeltreffende bescherming tegen blootstelling aan tabaksrook te bieden wanneer feitelijke gegevens bewijzen dat een gevaar bestaat ».

Die verplichtingen zijn volgens dezelfde Richtlijnen betreffende de uitvoering gegrond op de volgende principes :

« Zoals bepaald in artikel 4 van de WGO-Kaderovereenkomst is sterke politieke betrokkenheid nodig om maatregelen te nemen zodat iedereen tegen blootstelling aan tabaksrook wordt beschermd. De uitvoering van artikel 8 van de Overeenkomst moet op volgende overeengekomen beginselen steunen.

Beginsel 1 - Doeltreffende maatregelen om tegen blootstelling aan tabaksrook bescherming te bieden, zoals bepaald in artikel 8 van de WGO-Kaderovereenkomst, vereisen de volledige uitbanning van roken en tabaksrook in een bepaalde ruimte of omgeving teneinde een 100 % rookvrije omgeving te scheppen. Er bestaat geen veilig niveau van blootstelling aan tabaksrook en noties zoals een drempelwaarde voor toxiciteit door secundaire tabaksrook moeten worden verworpen, omdat deze door wetenschappelijk bewijsmateriaal worden tegengesproken. Benaderingen waarbij niet naar een 100 % rookvrije omgeving wordt gestreefd, bijvoorbeeld met ventilatie, luchtfiltering en het gebruik van rookzones (al dan niet met gescheiden ventilatiesystemen) zijn herhaaldelijk ondoeltreffend gebleken en er zijn talrijke sluitende bewijzen, wetenschappelijke of andere, dat technische oplossingen tegen blootstelling aan tabaksrook geen bescherming bieden.

Beginsel 2 - Iedereen moet tegen blootstelling aan tabaksrook worden beschermd. Alle overdekte werk- en openbare ruimten moeten rookvrij zijn.

Beginsel 3 - Er is wetgeving nodig om mensen tegen blootstelling aan tabaksrook te beschermen. Rookvrij-beleidsmaatregelen op basis van vrijwilligheid zijn bij herhaling ondoeltreffend gebleken en bieden geen passende bescherming. Om doeltreffend te zijn, moet de wetgeving eenvoudig, duidelijk en afdwingbaar zijn.

Beginsel 4 - Een goede planning en passende middelen zijn essentieel voor een succesvolle uitvoering en handhaving van de rookvrij-wetgeving.

Beginsel 5 - De maatschappelijke organisaties spelen een centrale rol in de ondersteuning en de handhaving van rookvrij-maatregelen en moeten een actieve partner in de ontwikkeling, uitvoering en handhaving van de wetgeving zijn.

Beginsel 6 - De uitvoering van een rookvrij-wetgeving, haar handhaving en impact moeten worden gecontroleerd en beoordeeld. Daarbij hoort het controleren van en reageren op activiteiten van de tabaksindustrie die de uitvoering en handhaving van de wetgeving ondermijnen, zoals in artikel 20, lid 4, van de WGO-Kaderovereenkomst omschreven.

Beginsel 7 - De bescherming van mensen tegen blootstelling aan tabaksrook zou waar nodig moeten worden verbeterd en uitgebreid, met name door een wijziging van de wetgeving of de aanneming van nieuwe wetten en de striktere toepassing ervan, en door andere maatregelen die nieuwe, wetenschappelijke gegevens en ervaringen uit casestudy's weergeven ».

B.6.3. Die bepalingen dienen eveneens in samenhang te worden gelezen met de Aanbeveling van de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 betreffende rookvrije ruimten, waarin de Raad aanbeveelt dat de lidstaten :

« 1. Zorgen voor effectieve bescherming tegen blootstelling aan tabaksrook in afgesloten werkplekken, afgesloten openbare ruimten, openbare vervoermiddelen, en waar van toepassing ook in andere openbare ruimten, zoals bepaald in artikel 8 van de Kaderovereenkomst van de WHO voor de bestrijding van tabaksgebruik en op basis van de bijgevoegde richtsnoeren inzake de bescherming tegen blootstelling aan tabaksrook die zijn goedgekeurd door de tweede conferentie van de partijen bij de kaderovereenkomst, binnen vijf jaar na het van kracht worden van de overeenkomst voor de betreffende lidstaat, of uiterlijk binnen drie jaar na de goedkeuring van deze aanbeveling;

2. Strategieën en maatregelen ontwikkelen en/of versterken om de blootstelling van kinderen en jongeren aan secundaire tabaksrook te verminderen;

3. ' Rookvrij '-beleid aanvullen met ondersteunende maatregelen [...] ».

B.7. De horecabezoekers en -werknemers dienen bijgevolg op dezelfde wijze te worden beschermd tegen de schadelijke gevolgen van passief roken, zelfs indien de blootstelling aan de kankerverwekkende substanties slechts minimaal is. Het door artikel 2, 9°, en artikel 4, § 1, van de bestreden wet gemaakte onderscheid stemt niet overeen met die verplichting, aangezien dat onderscheid als gevolg heeft dat bepaalde horecabezoekers en -werknemers nog steeds worden blootgesteld aan de gezondheidsrisico's verbonden aan het gebruik van tabaksproducten.

B.8.1. De Ministerraad betoogt dat horecazaken waar voedsel wordt geserveerd, anders zijn ingericht en andere openingsuren hebben dan horecazaken waar zulks niet gebeurt. Ook die omstandigheden hebben evenwel geen invloed op de schadelijke effecten van tabaksrook.

Ook het al dan niet kunnen nuttigen of moeten opdienen van niet-voorverpakte etenswaren beïnvloedt die gezondheidsrisico's niet.

B.8.2. Volgens de Ministerraad dienen die ernstige risico's voor de gezondheid van horecabezoekers en -werknemers te worden afgewogen tegen een economisch motief dat erin zou bestaan de zogenaamde kleine volkscafés te beschermen tegen de nadelige gevolgen van de onmiddellijke toepassing van het rookverbod.

De Ministerraad toont evenwel niet aan hoe die cafés zouden worden benadeeld door een veralgemeend rookverbod, nu het veeleer het onderscheid tussen verschillende categorieën van horecazaken is dat voor concurrentievervalsing kan zorgen. Overigens blijkt uit de wetenschappelijke studies die de verzoekende partijen voorleggen dat in landen met een algemeen rookverbod het horecabezoek niet afneemt, maar dat veeleer een nieuwe clientèle van niet-rokers wordt aangeboord.

B.9. Het middel in de zaak nr. 4859 en het eerste tot en met het vierde middel in de zaak nr. 4905 zijn gegrond. Artikel 2, 9°, en artikel 4, § 1, van de bestreden wet dienen bijgevolg te worden vernietigd.

Aangezien artikel 4, § 1, van de bestreden wet onlosmakelijk verbonden is met artikel 4, §§ 2 tot 5, van dezelfde wet, dienen die bepalingen eveneens te worden vernietigd.

Wat de rookzone in drankgelegenheden betreft

B.10. Aangezien het volledige artikel 4 van de bestreden wet dient te worden vernietigd, kan het vijfde middel in de zaak nr. 4905 niet tot een ruimere vernietiging leiden en dient het derhalve niet te worden onderzocht.

Wat de uitzondering voor kansspelinrichtingen van klasse I betreft

B.11. In het zesde en het zevende middel van de zaak nr. 4905 voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 5 van de bestreden wet de artikelen 10, 11, 22 en 23 van de Grondwet, alsook artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schendt, doordat het in een tijdelijke uitzondering voorziet op het algemene rookverbod voor kansspelinrichtingen van klasse I.

B.12.1. De in die bepaling bedoelde uitzondering op het algemene rookverbod raakt op dezelfde wijze de bescherming van de gezondheid van de overige bezoekers en van de werknemers van de betrokken kansspelinrichtingen en drankgelegenheden.

In tegenstelling tot wat de Ministerraad beweert, doet het gegeven dat er in België slechts negen kansspelinrichtingen van klasse I bestaan, geen afbreuk aan die vaststelling, aangezien de draagwijdte van de uitzondering geen invloed heeft op de gezondheidseffecten van het passief roken. Ook de bewering dat dergelijke etablissementen zich richten tot een specifiek publiek doet geen afbreuk aan de bescherming van de gezondheid van de werknemers en de niet-rokende bezoekers.

B.12.2. Het zesde en het zevende middel in de zaak nr. 4905 zijn gegrond. Derhalve dient artikel 5 van de bestreden wet te worden vernietigd.

Wat de rookkamers betreft

B.13. Het achtste middel in de zaak nr. 4905 is gericht tegen artikel 6 en artikel 14 van de bestreden wet. Het negende middel in dezelfde zaak is gericht tegen artikel 6 van de bestreden wet. Die bepalingen maken het mogelijk een rookkamer in te richten in een gesloten plaats die toegankelijk is voor het publiek en in een onderneming.

B.14.1. Artikel 6 van de bestreden wet vereist dat de rookkamer zo is ingericht dat de ongemakken van de rook ten opzichte van de niet-rokers maximaal worden verminderd en dat zij is voorzien van een rookafzuigsysteem of een verluchtingssysteem dat de rook afdoende verwijdert. Artikel 14 van de bestreden wet vereist een rookafzuigsysteem dat de rook afdoende verwijdert.

B.14.2. Zoals de Ministerraad uiteenzet, mag uit dat verschil in terminologie niet worden afgeleid dat voor rookkamers in ondernemingen een onderscheiden regeling geldt dan voor rookkamers in gesloten plaatsen die toegankelijk zijn voor het publiek. In beide gevallen dient de rookkamer zo te zijn ingericht dat elk risico op passief roken is uitgesloten.

Tevens blijkt uit de formulering van artikel 6 van de bestreden wet dat het horecapersoneel niet tijdens de openingsuren de rookkamer zou dienen te betreden. Er kunnen immers enkel dranken worden meegenomen, zodat het opdienen van dranken in die ruimte verboden is.

B.14.3. Bijgevolg zijn de bestreden bepalingen voldoende duidelijk en nauwkeurig geformuleerd en schenden zij het recht op bescherming van de gezondheid niet.

B.14.4. Het achtste en het negende middel in de zaak nr. 4905 zijn niet gegrond.

Wat de rookvrije werkplaats betreft

B.15. Het tiende, het elfde en het twaalfde middel in de zaak nr. 4905 zijn gericht tegen artikel 11, § 2, 3°, van de bestreden wet, dat drankgelegenheden en kansspelinrichtingen van klasse I tot uiterlijk 1 juli 2014 uitsluit van de bepalingen betreffende de rookvrije werkplaats.

Die bepaling zou de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 3 en 11 van het herziene Europees Sociaal Handvest, met de artikelen 22 en 23 van de Grondwet en met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schenden.

B.16. De bestreden bepaling wijst voor haar toepassingsgebied naar artikel 4, § 1, en artikel 5 van de bestreden wet. Gelet op wat werd uiteengezet in B.6.1 tot B.9, kan de blootstelling aan de gezondheidsrisico's verbonden aan het gebruik van tabaksproducten, van de werknemers van drankgelegenheden en van kansspelinrichtingen van klasse I niet redelijkerwijze worden verantwoord.

B.17. Het tiende tot en met het twaalfde middel in de zaak nr. 4905 zijn gegrond. Artikel 11, § 2, 3°, van de bestreden wet dient bijgevolg te worden vernietigd.

Wat de handhaving van de gevolgen van de vernietigde bepalingen betreft

B.18. Teneinde de betrokken drankgelegenheden en kansspelinrichtingen de tijd te geven zich aan het algemene rookverbod te conformeren, dienen de gevolgen van de vernietigde bepalingen te worden gehandhaafd tot 30 juni 2011.

B.19. De vernietiging van artikel 2, 9°, artikel 4 en artikel 5 van de bestreden wet doet geen afbreuk aan het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel, nu de wetgever zelf heeft beslist dat de uitzonderingen op het algemene rookverbod voor wat betreft drankgelegenheden en kansspelinrichtingen van klasse I worden opgeheven met ingang van uiterlijk 1 juli 2014 en hij de Koning de mogelijkheid heeft gegeven om die opheffing in overleg met de sector te vervroegen.

Om die redenen,

het Hof

- vernietigt artikel 2, 9°, artikel 4, artikel 5 en artikel 11, § 2, 3°, van de wet van 22 december 2009 betreffende een algemene regeling voor rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming van werknemers tegen tabaksrook, zoals gewijzigd bij de wet van 22 december 2009 tot wijziging van de wet van 22 december 2009 betreffende een algemene regeling van rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming voor werknemers tegen tabaksrook;

- handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepalingen tot 30 juni 2011;

- verwerpt de beroepen voor het overige.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 15 maart 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 22 december 2009 betreffende een algemene regeling voor rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming van werknemers tegen tabaksrook, ingesteld door de bvba « ADS » en anderen en door de vzw « Vlaamse Liga tegen Kanker » en Leo Leys. Volksgezondheid

  • Rookverbod

  • 1. Publieke plaatsen

  • a. Drankgelegenheden

  • Overgangsperiode

  • b. Eetcafés

  • Onmiddellijke inwerkingtreding

  • c. Kansspelinrichtingen van klasse I

  • Overgangsperiode

  • d. Bezoekers en werknemers in de horeca

  • 2. Gesloten plaatsen die toegankelijk zijn voor het publiek en ondernemingen

  • Rookkamers. # Rechten en vrijheden

  • Recht op bescherming van de gezondheid.