- Arrest van 15 maart 2011

15/03/2011 - 39/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 2, § 1, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het het voordeel van het definitieve overlevingspensioen beperkt tot enkel de langstlevende echtgenoot die meer dan één jaar gehuwd was en het de langstlevende echtgenoot die minder dan één jaar was gehuwd van het voordeel ervan uitsluit, hoewel de echtgenoten voordien waren verbonden door een contract van wettelijke samenwoning en waarbij de gezamenlijke duur van het huwelijk en de wettelijke samenwoning minstens één jaar bedraagt.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 11 maart 2010 in zake Olga Iazeva tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 18 maart 2010, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 2, § 1, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen, in zoverre het het voordeel van het definitieve overlevingspensioen beperkt tot enkel de langstlevende echtgenoot die meer dan één jaar gehuwd was en het de langstlevende echtgenoot die minder dan één jaar gehuwd was van het voordeel ervan uitsluit, hoewel de echtgenoten voordien verbonden waren door een contract van wettelijke samenwoning ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet van artikel 2, § 1, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, in zoverre het het voordeel van het definitieve overlevingspensioen beperkt tot enkel de langstlevende echtgenoot die meer dan één jaar gehuwd was en het de langstlevende echtgenoot die minder dan één jaar gehuwd was van het voordeel ervan uitsluit, hoewel de echtgenoten voordien waren verbonden door een contract van wettelijke samenwoning.

B.2. Het voormelde artikel 2, § 1, bepaalt :

« Heeft recht op het overlevingspensioen, de langstlevende echtgenoot wiens huwelijk ten minste één jaar geduurd heeft en wiens echtgenoot :

a) overleden is tijdens zijn loopbaan;

b) overleden is na een rustpensioen ten laste van de Openbare Schatkist of van een in artikel 1 vermelde instelling te hebben verkregen;

c) overleden is na definitief uit dienst te zijn getreden en ofwel vijf in aanmerking komende dienstjaren telt in de zin van artikel 46 indien hij zijn loopbaan heeft beëindigd na 31 december 1976 en hij in aanmerking komende diensten of periodes na die datum kan doen gelden, ofwel vijftien voor de berekening van een overlevingspensioen in aanmerking komende dienstjaren overeenkomstig de op 31 mei 1984 van kracht zijnde bepalingen.

Het huwelijk dient nochtans niet één jaar te duren indien een van de volgende voorwaarden vervuld is :

- er is een kind geboren uit het huwelijk;

- op het ogenblik van het overlijden is er een kind ten laste waarvoor een van de echtgenoten kinderbijslag ontving;

- een kind wordt postuum geboren binnen driehonderd dagen na het overlijden;

- het overlijden is het gevolg van een na de datum van het huwelijk voorgekomen ongeval of werd veroorzaakt door een beroepsziekte opgedaan tijdens of naar aanleiding van de uitoefening van het ambt, van een door de Belgische Regering toevertrouwde opdracht of van in het kader van de Belgische technische bijstand verrichte prestaties, voor zover de aanvang of de verergering van deze ziekte na de datum van het huwelijk plaatsvond ».

B.3.1. Op 25 maart 2009 heeft het Hof een arrest nr. 60/2009 gewezen ingevolge een prejudiciële vraag gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik, waarbij een geschil aanhangig was gemaakt tussen dezelfde partijen als die welke partij zijn in de zaak voor de verwijzende rechter.

Het Hof diende zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, in zoverre dat artikel het voordeel van het overlevingspensioen alleen toekent aan de langstlevende echtgenoot die meer dan één jaar met de overleden werknemer was gehuwd, zonder datzelfde recht toe te kennen aan de langstlevende echtgenoot die minder dan één jaar met de overleden werknemer was gehuwd, hoewel die twee personen, vóór het huwelijk en meer dan één jaar vóór het overlijden, een verklaring van wettelijke samenwoning hadden afgelegd.

B.3.2. Het Hof heeft voor recht gezegd dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn geschonden om de volgende redenen :

« B.2. De vraag noopt tot een vergelijking, met betrekking tot de toekenning van overlevingspensioenen, van de situatie van de echtgenoten die sedert meer dan één jaar vóór het overlijden van één van hen zijn gehuwd, met die van de echtgenoten die sedert minder dan één jaar zijn gehuwd en, voordien, een verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd en voor wie de gecumuleerde duur, voorafgaand aan het overlijden van één van hen, van de wettelijke samenwoning en van het huwelijk meer dan één jaar bedraagt. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot dat geval.

B.3. Door een voorwaarde op te leggen van een minimumduur van één jaar huwelijk voor het toekennen van een overlevingspensioen aan de langstlevende echtgenoot van een werknemer van wie de beroepsactiviteit het recht op een dergelijk pensioen opende, heeft de wetgever bepaalde misbruiken willen ontmoedigen, zoals het huwelijk in extremis, waarvan de enige bedoeling is het de langstlevende echtgenoot mogelijk te maken het overlevingspensioen te genieten. De wetgever heeft, daarenboven, uitzonderingen op die regel aanvaard die uitgaan van de idee dat in bepaalde situaties de omstandigheden aantonen dat, hoewel het overlijden minder dan één jaar na het huwelijk heeft plaatsgehad, dat huwelijk niet enkel is voltrokken om het overlevingspensioen te verkrijgen.

B.4. Het verschil in behandeling steunt op het objectieve gegeven dat de in B.2 beschreven juridische toestand van echtgenoten verschilt naar gelang, onder overigens gelijke omstandigheden, de enen gehuwd waren op een tijdstip waarop de anderen wettelijk samenwonenden waren. Die situatie verschilt zowel wat de verplichtingen jegens elkaar betreft als wat de vermogensrechtelijke toestand van de betrokkenen betreft.

B.5. Echtgenoten zijn elkaar hulp en bijstand verschuldigd (artikel 213 van het Burgerlijk Wetboek), zij genieten de bescherming van de gezinswoonst en de huisraad (artikel 215 van het Burgerlijk Wetboek); de echtgenoten moeten hun inkomsten bij voorrang besteden aan hun bijdrage in de lasten van het huwelijk (artikel 217 van het Burgerlijk Wetboek), waarin zij moeten bijdragen naar vermogen (artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek). Schulden die door een der echtgenoten worden aangegaan ten behoeve van de huishouding en de opvoeding van de kinderen verbinden de andere echtgenoot hoofdelijk, behoudens wanneer zij, gelet op de bestaansmiddelen van het gezin, buitensporig zijn (artikel 222 van het Burgerlijk Wetboek).

B.6. Onder wettelijke samenwoning wordt verstaan de toestand van samenleven van twee personen die een schriftelijke verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd (artikel 1475 van het Burgerlijk Wetboek).

De verklaring wordt overhandigd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeenschappelijke woonplaats, die nagaat of beide partijen niet verbonden zijn door een huwelijk of door een andere wettelijke samenwoning en bekwaam zijn om contracten aan te gaan overeenkomstig de artikelen 1123 en 1124 van het Burgerlijk Wetboek. De verklaring wordt vermeld in het bevolkingsregister.

De wettelijke samenwoning houdt op wanneer een van de partijen in het huwelijk treedt of overlijdt. Zij kan tevens door de samenwonenden worden beëindigd, in onderlinge overeenstemming of eenzijdig, door middel van een schriftelijke verklaring bij de ambtenaar van de burgerlijke stand, die daarvan melding maakt in het bevolkingsregister (artikel 1476 van het Burgerlijk Wetboek).

B.7. Op de wettelijke samenwoning zijn de volgende bepalingen toepasselijk : de wettelijke bescherming van de gezinswoning (artikelen 215, 220, § 1, en 224, § 1, 1, van het Burgerlijk Wetboek) wordt van overeenkomstige toepassing verklaard op de wettelijke samenwoning; de wettelijk samenwonenden dragen bij in de lasten van het samenleven naar evenredigheid van hun mogelijkheden en iedere niet-buitensporige schuld die door een der wettelijk samenwonenden wordt aangegaan ten behoeve van het samenleven en van de kinderen die door hen worden opgevoed, verbindt de andere partner hoofdelijk (artikel 1477 van het Burgerlijk Wetboek).

Voor het overige is voorzien in een regeling van de goederen van de samenwonenden en in de mogelijkheid om de wettelijke samenwoning door middel van een overeenkomst te regelen, voor zover die geen beding bevat dat strijdig is met artikel 1477 van het Burgerlijk Wetboek, met de openbare orde of de goede zeden, noch met de regels betreffende het ouderlijk gezag en de voogdij, noch met de regels die de wettelijke orde van de erfopvolging bepalen. Die overeenkomst wordt in authentieke vorm verleden voor de notaris en wordt in het bevolkingsregister vermeld (artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek).

B.8. Wanneer de verstandhouding tussen de wettelijk samenwonenden ernstig is verstoord, kan elk van beide partners de vrederechter vragen om dringende en voorlopige maatregelen te bevelen betreffende het betrekken van de gemeenschappelijke verblijfplaats, betreffende de persoon en de goederen van de samenwonenden en van de kinderen alsmede betreffende de wettelijke en contractuele verplichtingen van beide samenwonenden. Ook na de beëindiging van de wettelijke samenwoning en voor zover de vordering binnen drie maanden na de beëindiging is ingesteld, kan de vrederechter de dringende en voorlopige maatregelen gelasten die ingevolge de beëindiging gerechtvaardigd zijn (artikel 1479 van het Burgerlijk Wetboek).

B.9. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek die gelden ten aanzien van wettelijk samenwonenden een beperkte vermogensrechtelijke bescherming creëren die gedeeltelijk is geïnspireerd door bepalingen die gelden ten aanzien van echtgenoten. Een dergelijke bescherming betekent niet dat de wetgever ertoe is gehouden om de wettelijk samenwonenden zoals de echtgenoten te behandelen wat de overlevingspensioenen betreft.

B.10. De verwijzende rechter merkt echter op dat de wettelijk samenwonenden ten gevolge van de wijziging van artikel 12 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 door de wet van 11 mei 2007 ' houdende wijziging van diverse bepalingen betreffende arbeidsongevallen, beroepsziekten en het asbestfonds met betrekking tot wettelijk samenwonenden ' (artikel 10) voortaan de voordelen genieten die bij die bepaling aan de echtgenoten zijn toegekend.

B.11. Die wet maakt het voordeel dat ze toekent afhankelijk van het opstellen, door beide partners en overeenkomstig artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek, van een overeenkomst waarin voor de partijen is voorzien in een verplichting tot hulp die, zelfs na een eventuele breuk, financiële gevolgen kan hebben (artikel 5, tweede lid, van de wet van 10 april 1971, ingevoegd bij artikel 9 van de voormelde wet van 11 mei 2007). Daaruit volgt dat het in die wet bedoelde voordeel niet aan alle wettelijk samenwonenden wordt toegekend; die beperking werd als volgt becommentarieerd in de parlementaire voorbereiding :

' [De minister van Werk] onderschrijft het principe dat de wettelijk samenwonenden in de arbeidsongevallenverzekering dezelfde rechten moeten hebben als gehuwden, indien de juridische toestand van wettelijk samenwonenden en gehuwden gelijk is. Hoewel hun toestand vergelijkbaar is, is hij echter niet gelijk.

Het toekennen van een lijfrente aan de achterblijvende echtgenoot na een dodelijk arbeidsongeval vindt zijn oorsprong in artikel 213 van het Burgerlijk Wetboek dat de echtgenoten tot wederzijdse hulp en bijstand verplicht. Deze hulp en bijstand overstijgt de duurtijd van het huwelijk. Uit artikel 213 leidt men immers af dat onderhoudsgeld kan worden toegekend bij echtscheiding of scheiding van tafel en bed.

Ook voor de wettelijk samenwonenden gelden een aantal wederzijdse verplichtingen, maar deze zijn veel minder verregaand.

Tussen wettelijk samenwonenden bestaat de wederzijdse plicht tot hulp en bijstand niet, zodat bij gebeurlijke beëindiging van de wettelijke samenwoning, wat onder meer kan via een eenzijdige verklaring van beëindiging door één van de partners, er ook geen grond bestaat voor de toekenning van een onderhoudsgeld.

Artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek verleent nochtans de wettelijk samenwonende partners de mogelijkheid hun wettelijke samenwoning naar goeddunken te regelen door middel van een overeenkomst die in authentieke vorm wordt verleden door de notaris en wordt vermeld in het bevolkingsregister. Aldus kunnen zij overeenkomen hetzij tot een eenzijdige, hetzij tot een wederzijdse onderhoudsverplichting. In principe vervalt die onderhoudsverplichting bij de beëindiging van de wettelijke samenwoning. Artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek sluit echter niet uit dat de partners in hun overeenkomst bedingen dat ze elkaar (of een van hen) onderhoudsplichtig blijven na de beëindiging van de wettelijke samenwoning.

Indien zulke overeenkomst afgesloten is, kan men stellen dat de situatie van wettelijk samenwonenden vrijwel gelijk is met die van echtgenoten, althans wat de wederzijdse hulp en bijstand betreft, aldus de minister.

De wetgever heeft trouwens uitdrukkelijk de band tussen het recht op de levenslange rente en het bestaan van een onderhoudsverplichting willen maken door in het laatste lid van artikel 12 van de AOW te bepalen dat, in geval van scheiding van de echtgenoten, voordat het ongeval zich heeft voorgedaan, er slechts een recht op rente is, indien de overlevende ex-echtgenoot onderhoudsgeld genoot.

De basis van onze sociale zekerheid is onderlinge solidariteit. Het zou dan ook vreemd zijn dat de sociale zekerheid zou moeten voorzien in solidariteit met de achterblijvende partner van een wettelijk samenwonend koppel indien deze personen niet eens onderling, voor elkaar, willen voorzien in sociale ondersteuning ' (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-916/5, pp. 7 en 8; in dezelfde zin, p. 4 en Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2984/003, p. 5).

B.12. Het Hof stelt vast dat in de wetgeving inzake arbeidsongevallen en beroepsziekten niet enkel aan de echtgenoot van de getroffene, maar ook aan de persoon die met de getroffene wettelijk samenwoonde een uitkering toekomt, wanneer de partners overeenkomstig artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek een overeenkomst hebben opgesteld waarin voor de partijen is voorzien in een verplichting tot hulp die, zelfs na een eventuele breuk, financiële gevolgen kan hebben. Het komt de wetgever toe te oordelen of diezelfde situatie eveneens in aanmerking moet worden genomen bij het bepalen van de voorwaarden waaronder personen recht hebben op een overlevingspensioen.

B.13. In het geval echter waarin, zoals te dezen, het huwelijk door een wettelijke samenwoning is voorafgegaan en waarin de gezamenlijke duur van de wettelijke samenwoning en het huwelijk minstens één jaar bedraagt, bevinden de echtgenoten zich in een situatie die het mogelijk maakt het in B.3 vermelde risico van misbruik als onbestaande te beschouwen. Door aan de echtgenoten die zich in een dergelijke situatie bevinden, het voordeel te ontzeggen waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet, doet die bepaling op discriminerende wijze afbreuk aan de rechten van de betrokkenen ».

B.4. Hoewel het Hof zich in het voormelde arrest heeft uitgesproken in het kader van de pensioenregeling voor werknemers, is de in het geding zijnde bepaling, die betrekking heeft op de pensioenen van de overheidssector, opgesteld in nagenoeg dezelfde bewoordingen als die van de bepaling die in het voornoemde arrest door het Hof ongrondwettig is verklaard.

De omstandigheid dat, te dezen, de openbare Schatkist schuldenaar is van het overlevingspensioen kan de door het Hof in dat arrest aangenomen besluit niet wijzigen.

B.5. Daaruit volgt dat om dezelfde redenen als die welke het arrest nr. 60/2009 van 25 maart 2009 hebben verantwoord, artikel 2, § 1, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 2, § 1, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het het voordeel van het definitieve overlevingspensioen beperkt tot enkel de langstlevende echtgenoot die meer dan één jaar gehuwd was en het de langstlevende echtgenoot die minder dan één jaar was gehuwd van het voordeel ervan uitsluit, hoewel de echtgenoten voordien waren verbonden door een contract van wettelijke samenwoning en waarbij de gezamenlijke duur van het huwelijk en de wettelijke samenwoning minstens één jaar bedraagt.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 15 maart 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 2, § 1, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik. Sociaal recht

  • Sociale zekerheid

  • Pensioenen

  • Definitief overlevingspensioenen

  • Overheidssector

  • Langstlevende echtgenoot

  • Voorwaarden

  • Minimumduur van één jaar huwelijk.