- Arrest van 24 maart 2011

24/03/2011 - 43/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 51 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

a. Bij arrest van 22 maart 2010 in zake Mr. Xavier Dehombreux, handelend in de hoedanigheid van curator van het faillissement van de nv « Cobel Meat System », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 25 maart 2010, heeft het Hof van Beroep te Bergen de volgende prejudiciële vragen gesteld :

1. « Schendt artikel 51, tweede lid, van de faillissementswet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat het de curator die op eigen initiatief of in opdracht van de voorzitter van de rechtbank van koophandel overgaat tot de tegeldemaking van een in pand gegeven handelsfonds de verplichting oplegt om de gelden afkomstig van die tegeldemaking in consignatie te geven bij de Deposito- en Consignatiekas, terwijl elke andere door de voorzitter van de rechtbank van koophandel aangewezen vereffenaar van het pand niet aan die verplichting wordt onderworpen ? »;

2. « Schendt artikel 51, derde lid, van de faillissementswet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat het de curator die op eigen initiatief of in opdracht van de voorzitter van de rechtbank van koophandel overgaat tot de tegeldemaking van een in pand gegeven handelsfonds de verplichting oplegt om, wanneer de gelden afkomstig van die tegeldemaking niet of niet tijdig bij de Deposito- en Consignatiekas worden gedeponeerd, verwijlintresten, gelijk aan de wettelijke intrest, te betalen op de sommen die niet zijn gestort, terwijl elke andere door de voorzitter van de rechtbank van koophandel aangewezen vereffenaar van het pand niet aan die sanctie wordt onderworpen ? ».

b. Bij arrest van 26 april 2010 in zake Mr. Xavier Dehombreux, handelend in de hoedanigheid van curator van het faillissement van Pascal Iassogna, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 3 mei 2010, heeft het Hof van Beroep te Bergen de volgende prejudiciële vragen gesteld :

1. « Schenden artikel 51, in de oorspronkelijke versie ervan, van de faillissementswet van 8 augustus 1997 en artikel 17 van de wet van 4 september 2002 tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997, het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van vennootschappen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre, enerzijds, de curatoren die vóór 1 oktober 2002 op een geïndividualiseerde bankrekening op naam van het faillissement de voor de lopende uitgaven noodzakelijke fondsen hebben bewaard, zonder de vereiste toelating te hebben verkregen van de rechter-commissaris, daardoor, krachtens het derde lid van artikel 51, intresten verschuldigd zijn die op die sommen zijn berekend en, anderzijds, de curatoren die na 1 oktober 2002 op een geïndividualiseerde bankrekening op naam van het faillissement de voor de lopende uitgaven noodzakelijke fondsen hebben bewaard, zonder daartoe gemachtigd te zijn door de rechter-commissaris en zonder dat laatstgenoemde een maximumbedrag heeft vastgesteld, waarbij die ontstentenis van machtiging echter niet de toepassing van de sanctie van artikel 51 van de wet kan teweegbrengen ? »;

2. « Schendt artikel 51, tweede lid, van de faillissementswet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat het de curator die op eigen initiatief of in opdracht van de voorzitter van de rechtbank van koophandel overgaat tot de tegeldemaking van een in pand gegeven handelsfonds de verplichting oplegt om de gelden afkomstig van die tegeldemaking in consignatie te geven bij de Deposito- en Consignatiekas, terwijl elke andere door de voorzitter van de rechtbank van koophandel aangewezen vereffenaar van het pand niet aan die verplichting wordt onderworpen ? »;

3. « Schendt artikel 51, derde lid, van de faillissementswet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat het de curator die op eigen initiatief of in opdracht van de voorzitter van de rechtbank van koophandel overgaat tot de tegeldemaking van een in pand gegeven handelsfonds de verplichting oplegt om, wanneer de gelden afkomstig van die tegeldemaking niet of niet tijdig bij de Deposito- en Consignatiekas worden gedeponeerd, verwijlintresten, gelijk aan de wettelijke intrest, te betalen op de sommen die niet zijn gestort, terwijl elke andere door de voorzitter van de rechtbank van koophandel aangewezen vereffenaar van het pand niet aan die sanctie wordt onderworpen ? ».

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4906 en 4925 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en hun context

B.1.1. In zijn huidige versie bepaalt artikel 51 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 :

« Alle schuldvorderingen of geldsommen die aan de gefailleerde verschuldigd zijn, worden door de curators opgespoord en tegen kwijting geïnd.

De gelden afkomstig van verkopingen en invorderingen door de curators gedaan, worden binnen een maand na ontvangst aan de Deposito- en Consignatiekas gestort. De curator kan een beperkt bedrag op een per faillissement geïndividualiseerde bankrekening bewaren, dienstig voor de lopende verrichtingen, onder toezicht van de rechter-commissaris die daarvan het maximumbedrag bepaalt.

Bij nalatigheid zijn de curators verwijlintresten, gelijk aan de wettelijke intrest, verschuldigd voor de sommen die zij niet hebben gestort, onverminderd toepassing van artikel 31 ».

Het gaat om de bepaling die in het geding is in de zaak nr. 4906.

B.1.2. Artikel 51 van de voormelde wet van 8 augustus 1997, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij artikel 17 van de wet van 4 september 2002 « tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997 », bepaalde :

« Alle schuldvorderingen of geldsommen die aan de gefailleerde verschuldigd zijn, worden door de curators opgespoord en tegen kwijting geïnd.

De gelden afkomstig van verkopingen en invorderingen door de curators gedaan, worden binnen acht dagen na ontvangst in de Deposito- en Consignatiekas gestort. De rechter-commissaris kan evenwel op verzoekschrift de curators machtigen een beperkt bedrag op een bankrekening te bewaren, dienstig voor de lopende verrichtingen. In de beschikking bepaalt de rechter-commissaris het maximumbedrag dat de curators op die rekening mogen bewaren.

Bij nalatigheid zijn de curators interest zoals in handelszaken verschuldigd voor de sommen die zij niet hebben gestort, onverminderd de toepassing van artikel 31 ».

Het gaat om de bepaling die in het geding is in de zaak nr. 4925.

B.2.1. Artikel 26 van de faillissementswet, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij artikel 4 van de wet 6 december 2005, bepaalde :

« Alle middelen van tenuitvoerlegging strekkende tot betaling van de schuldvorderingen die bevoorrecht zijn op de roerende goederen die tot de failliete boedel behoren, worden geschorst tot aan de sluiting van het proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen, behoudens alle maatregelen tot bewaring van recht en het door de eigenaar verkregen recht om verhuurde goederen weer in bezit te nemen.

In dit laatste geval houdt de bij dit artikel bepaalde schorsing van de middelen van tenuitvoerlegging van rechtswege op ten voordele van de eigenaar.

Wanneer evenwel het belang van de boedel het vereist en op voorwaarde dat een tegeldemaking van de roerende goederen kan worden verwacht die de bevoorrechte schuldeisers niet benadeelt, kan de rechtbank op verzoekschrift van de curators, na de betrokken bijzonder bevoorrechte schuldeiser bij gerechtsbrief te hebben opgeroepen, de schorsing van de tenuitvoerlegging bevelen en dit voor een maximumtermijn van een jaar te rekenen van de faillietverklaring ».

In zijn huidige versie bepaalt artikel 26 van de faillissementswet :

« Alle middelen van tenuitvoerlegging strekkende tot betaling van de schuldvorderingen die bevoorrecht zijn op de roerende goederen die tot de failliete boedel behoren, worden geschorst tot aan de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen, behoudens alle maatregelen tot bewaring van recht en het door de eigenaar verkregen recht om verhuurde goederen weer in bezit te nemen.

In dit laatste geval houdt de bij dit artikel bepaalde schorsing van de middelen van tenuitvoerlegging van rechtswege op ten voordele van de eigenaar.

Wanneer evenwel het belang van de boedel het vereist en op voorwaarde dat een tegeldemaking van de roerende goederen kan worden verwacht die de bevoorrechte schuldeisers niet benadeelt, kan de rechtbank op verzoekschrift van de curators, na de betrokken bijzonder bevoorrechte schuldeiser bij gerechtsbrief te hebben opgeroepen, de schorsing van de tenuitvoerlegging bevelen en dit voor een maximumtermijn van een jaar te rekenen van de faillietverklaring ».

De wijziging aangebracht bij de wet van 6 december 2005 in het eerste lid van dat artikel heeft geen invloed op de draagwijdte van de prejudiciële vragen.

B.2.2. Artikel 52, eerste lid, van dezelfde wet bepaalt :

« De betaling van de bedragen toegekend aan de schuldeisers wordt door de curators gedaan op vertoon van een uitdelingslijst door de rechter-commissaris ondertekend en neergelegd in het faillissementsdossier ».

B.2.3. Artikel 77 van dezelfde wet bepaalt :

« De rechter-commissaris beveelt, indien daartoe aanleiding is, een uitdeling aan de schuldeisers en bepaalt tot welk bedrag. Elke betaling die wordt verricht op bevel of met de toestemming van de rechter-commissaris, heeft voor de curators kwijting tot gevolg ».

B.2.4. Artikel 88 van dezelfde wet bepaalt :

« De curators kunnen, met machtiging van de rechter-commissaris, te allen tijde het pand ten bate van de failliete boedel inlossen door betaling van de schuld ».

B.2.5. Artikel 89 van dezelfde wet bepaalt :

« Ingeval de curators het pand niet inlossen en de schuldeiser het verkoopt voor een prijs die de schuldvordering te boven gaat, wordt het meerdere door hen geïnd. Bedraagt de prijs minder dan de schuldvordering, dan treedt de pandhoudende schuldeiser voor het ontbrekende op als gewone schuldeiser in de boedel ».

B.2.6. Artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 150 van 18 maart 1935 tot samenschakeling van de wetten betreffende de inrichting en de werking van de Deposito- en Consignatiekas en tot aanbrenging van wijzigingen daarin krachtens de wet van 31 juli 1934 bepaalt :

« De Deposito- en Consignatiekas gelast restitutie van de geconsigneerde sommen of waarden zoodra de bij desbetreffende wetten en reglementen vereischte bescheiden haar worden verstrekt en zij de geldigheid ervan heeft erkend.

Zoo de voorgelegde bewijsstukken onregelmatig of onvolledig zijn of zoo de Kas verzetaanteekeningen tegen de betaling in handen heeft, zendt zij aan de belanghebbenden er van bericht uiterlijk tien dagen na de aanvraag of de toelating tot terugbetaling ».

Wat de eerste vraag in de zaak nr. 4925 betreft

B.3. De verwijzende rechter vraagt aan het Hof of de bepaling die in die zaak in het geding is, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre zij de curator bestraft die vóór 1 oktober 2002 op een geïndividualiseerde bankrekening op naam van het faillissement de voor de lopende uitgaven noodzakelijke fondsen heeft bewaard, zonder daartoe de toelating te hebben verkregen van de rechter-commissaris, terwijl artikel 51 van de faillissementswet, in zijn nieuwe versie, niet langer de curatoren zou bestraffen die, na 1 oktober 2002, op dezelfde wijze hebben gehandeld, zonder dat de rechter-commissaris daartoe zijn toestemming heeft gegeven en zonder dat hij het maximumbedrag heeft vastgesteld van de sommen die kunnen worden bewaard op de geïndividualiseerde rekening op naam van het faillissement.

B.4. Om de inachtneming van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie te beoordelen, is het niet relevant twee wetgevende regelingen te vergelijken die op verschillende ogenblikken van toepassing waren. Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever een doelstelling na te streven die verschilt van die welke hij vroeger nastreefde en bepalingen aan te nemen die ze kunnen verwezenlijken. De enkele omstandigheid dat de wetgever een maatregel heeft genomen die verschilt van die welke hij vroeger heeft genomen, houdt op zich geen discriminatie in.

Aldus vermocht de wetgever terecht ervan uit te gaan dat het past de curator te ontslaan van de verplichting de toestemming van de rechter-commissaris te verkrijgen om een geïndividualiseerde bankrekening op naam van het faillissement te openen, vermits die toestemming wordt gezien als een nutteloze formaliteit (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC 50-1132/008, p. 15). Het maximumbedrag dat kan worden gedeponeerd, daarentegen, moet thans nog steeds worden vastgesteld door de rechter-commissaris, zodat de sommen die dat bedrag te boven zouden gaan, voortaan binnen de maand na de ontvangst ervan, moeten worden gestort aan de Deposito- en Consignatiekas op straffe dat de curator de wettelijke interest op die sommen boven dat bedrag verschuldigd is.

B.5. De eerste prejudiciële vraag in de zaak nr. 4925 dient ontkennend te worden beantwoord.

Ten aanzien van de prejudiciële vragen in de zaak nr. 4906 en de tweede en de derde prejudiciële vraag in de zaak nr. 4925

B.6.1. De verwijzende rechter vraagt voorts aan het Hof of de bepaling die in de zaak nr. 4906 in het geding is, de regels van gelijkheid en niet-discriminatie schendt in de interpretatie volgens welke de curator die op eigen initiatief of op verzoek van de voorzitter van de rechtbank van koophandel een in pand gegeven handelszaak te gelde maakt, ertoe gehouden is de sommen afkomstig van die tegeldemaking aan de Deposito- en Consignatiekas te storten, op straffe dat hij verwijlinteresten dient te betalen, terwijl elke andere door de voorzitter van de rechtbank van koophandel aangewezen vereffenaar van het pand, niet aan die verplichting is onderworpen, zelfs wanneer de handelszaak in pand werd gegeven door een persoon die voortaan in staat van faillissement verkeert.

In die interpretatie is het dat het Hof antwoordt op de prejudiciële vragen die aan het Hof zijn gesteld.

B.6.2. De tweede en de derde vraag die zijn gesteld in de zaak nr. 4925 hebben betrekking op eenzelfde verschil in behandeling, met dien verstande dat, in die zaak, zoals is uiteengezet in B.1.2, de in het geding zijnde bepaling artikel 51 van de faillissementswet is zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij artikel 17 van de voormelde wet van 4 september 2002.

B.7.1. Artikel 2 van de wet van 25 oktober 1919 « betreffende het in pand geven van de handelszaak, het disconto en het in pand geven van de factuur, alsmede de aanvaarding en de keuring van de rechtstreeks voor het verbruik gedane leveringen » bepaalt :

« Het pand omvat het geheel der waarden die de handelszaak uitmaken, met name de klandizie, het uithangbord, de handelsinrichting, de merken, het recht op de huurceel, het mobilair van het magazijn en het gereedschap, dat alles behoudens strijdig beding.

Het mag den aanwezigen voorraad opgeslagen waren, tot een bedrag van 50 t.h. hunner waarde, omvatten ».

B.7.2. Artikel 7 van dezelfde wet bepaalt :

« Het pand op een handelszaak kan bij het begin enkel worden gegeven aan kredietinstellingen die een vergunning hebben verkregen in één van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap alsook aan de bij koninklijk besluit bepaalde financiële instellingen ».

B.7.3. Artikel 4, eerste lid, van de wet van 5 mei 1872 « houdende herziening der beschikkingen betreffende het Pand en de Commissie » bepaalt :

« Indien de door het pand gewaarborgde schuldvordering niet voldaan is op de vervaldag, kan de schuldeiser, na een aanmaning te hebben betekend aan de lener en in voorkomend geval aan de derde-pandgever, op een verzoekschrift aan de voorzitter van de rechtbank van koophandel machtiging verkrijgen om het pand, hetzij openbaar, hetzij uit de hand, naar keuze van de voorzitter, te doen verkopen door de persoon die deze aanwijst ».

Die bepaling stelt een snelle procedure in voor de tegeldemaking van het pand op een handelszaak teneinde het verkrijgen van commerciële kredieten te vergemakkelijken (Parl. St., Kamer, 1870, nr. 76, pp. 3-4). Door artikel 26 van de faillissementswet aan te nemen, heeft de wetgever evenwel de zorg geuit om, in geval van faillissement, het economische belang om de tegeldemaking van een pand op een handelszaak te vergemakkelijken, af te wegen tegen de zorg om te vermijden dat een ontijdige tegeldemaking van een pand op een handelszaak duidelijk gebeurt ten koste van de belangen van de gefailleerde of van zijn andere schuldeisers (Parl. St., Kamer, B.Z. 1991-1992, nr. 631/1, p. 14).

Rekening houdend met de discretionaire bevoegdheid die artikel 4, eerste lid, van de voormelde wet van 5 mei 1872 hem toekent, staat het de voorzitter van de rechtbank van koophandel vrij om, als vereffenaar van het pand op een handelszaak, de curator aan te wijzen die belast is met het faillissement van de schuldenaar die een dergelijke zekerheid heeft verleend.

B.8.1. Tijdens de parlementaire voorbereiding van de faillissementswet van 8 augustus 1997 is de bepaling die in de zaak nr. 4925 in het geding is, als volgt verantwoord :

« Zoals thans het geval is, moeten de curators de vorderingen die aan de gefailleerde toekomen innen. De opbrengst moet gestort worden op de Deposito- en Consignatiekas, die alle garanties biedt inzake veiligheid en solvabiliteit, en die de laatste maanden verdienstelijke inspanningen heeft geleverd, om aan de noden van de curators tegemoet te komen. Soms kan het wenselijk zijn bepaalde bedragen beschikbaar te houden bijvoorbeeld als bevoorrechte schuldeisers op korte termijn moeten worden betaald, of als schuldeisers van de boedel moeten worden betaald, of nog als bepaalde diensten vereist voor de afwikkeling van internationale of andere operaties nodig zijn en de kas hiervoor niet voldoende is uitgerust. Onder toezicht van de rechter-commissaris mogen bedragen, ten belope van hetgeen door de rechter-commissaris wordt beslist, op een afzonderlijke gerubriceerde rekening worden gestort. Misbruiken worden aldus moeilijker gemaakt » (Parl. St., Kamer, B.Z. 1991-1992, nr. 631/1, pp. 26-27).

Daaruit volgt dat de wetgever, bij het aannemen van de faillissementswet, niet heeft willen afzien van de redenen waarom hij in een soortgelijke consignatieverplichting had voorzien in het oude artikel 479 van het Wetboek van koophandel, die op de volgende wijze werd verantwoord in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp :

« [...] om de misbruiken die voortvloeien uit de huidige wetgeving inzake het beheer van faillissementen te voorkomen, is het raadzaam dat de fondsen afkomstig van de invorderingen gedaan door de curators, in alle gevallen worden gestort in de consignatiekas, waar zij in veiligheid zijn, interest opleveren ten voordele van de failliete boedel, en voortdurend ter beschikking zijn van de curators, die ze steeds kunnen afhalen op eenvoudig bevelschrift tot betaling geviseerd door de voorzitter, zonder verder formaliteiten » (Parl. St., Kamer, 1848, nr. 90, p. 27, eigen vertaling).

Tijdens de commissiewerkzaamheden werd gepreciseerd :

« [die bepaling] zal de curators beletten persoonlijke winst te halen uit de gelden die toebehoren aan de failliete boedel en de faillissementsverrichtingen te laten aanslepen om het genot ervan langer te behouden. [...]

De consignatieverplichting dient echter niet te worden overdreven : het beheer van het faillissement vereist altijd dat een bepaalde som in handen van de curators blijft. Anderzijds kan het gebeuren dat zij vandaag fondsen ontvangen en binnen enkele dagen een betaling moeten uitvoeren. In dat geval zou het absurd en voor de belangen van de failliete boedel nadelig zijn de consignatie te eisen. [...] Beter dan wie ook kan de rechter-commissaris beoordelen welke sommen de curators nodig kunnen hebben bij hun beheer; zijn optreden lijkt een waarborg te moeten zijn tegen elk misbruik » (Parl. St., Kamer, 1849, nr. 8, pp. 38-39, eigen vertaling).

B.8.2. Tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 4 september 2002 werd gedebatteerd over het behoud van een dergelijke consignatieverplichting. De wetgever was evenwel van mening dat het noodzakelijk was een dergelijke verplichting te bevestigen :

« Alleen de Kas is in staat de veiligheid te bieden die het gevolg is van de staatswaarborg. Het gaat hier zeker niet om een denkbeeldige veiligheid.

Het risico dat een financiële instelling insolvent wordt en zelfs failliet gaat, is reëel. Daar zijn voorbeelden van in het buitenland.

De depositobeschermingsregeling, die veel verbeterd is, heeft trouwens nooit tot doel gehad de grote deposito's te beschermen. Die worden uit het systeem gehouden. Opgemerkt zij dat de Belgische Vereniging van Banken er zelf op aangedrongen heeft de bescherming te beperken.

De Kas en de rechtbanken worden nog al te vaak geconfronteerd met weinig orthodoxe toestanden inzake beheer van gelden door de curators. Het is onmogelijk elke financiële verrichting van de curators grondig te controleren. Het is dus in het algemeen belang dat de rechtbanken zich tot een neutrale en betrouwbare instelling kunnen wenden die, met het oog op het algemeen belang, zowel de rechtbank als de curator als een klant beschouwt.

Daarenboven gaat het hier om een minimaal monopolie aangezien de rechters-commissarissen de curators kunnen machtigen om voor bepaalde bedragen een bankrekening te gebruiken.

Tenslotte mag niet worden vergeten dat het monopolie niet uitsluitend steunt op veiligheidsargumenten : er is het toezicht van de curators, men voorkomt belangenconflicten, men biedt bescherming aan de curators en aan de rechters-commissarissen, enz.

De ratio legis van artikel 479 van [het Wetboek van Koophandel] bestaat nog altijd : om de curatoren niet langer in verleiding te brengen persoonlijke winst te halen uit de gelden die ze geïnd hebben en om te voorkomen dat de curators de faillissementsverrichtingen laten aanslepen in de hoop daar langer baat bij te hebben - misbruiken die onder de vroegere wetgeving frequent waren - verplicht artikel 479 hen die bedragen te storten bij de Consignatiekas (Namen, Code de commerce, sub artikel 479) » (Parl. St., Senaat, 1996-1997, nr. 1-499/10, p. 1; nr. 1-498/11, p. 132).

B.8.3. Daaruit volgt dat de wetgever, door zowel in 1997 als in 2002 de verplichting te behouden de door de curator geïnde sommen in consignatie te geven bij de Deposito- en Consignatiekas, de belangen van de gefailleerde en van zijn schuldeisers heeft willen beschermen tegen oneerlijke handelingen of nalatigheid van de curator bij het beheer van de sommen die hij in de loop van de tegeldemaking van het actief van de failliete boedel in ontvangst diende te nemen.

B.8.4. Volgens de verwijzende rechter kan de curator ook, in het kader van die opdracht, op eigen initiatief of op verzoek van de voorzitter van de rechtbank van koophandel, de door de gefailleerde in pand gegeven handelszaak te gelde maken, zelfs al geniet de aldus gewaarborgde schuldvordering een bijzonder voorrecht en is zij dus niet onderworpen aan de regel van de samenloop tussen schuldeisers.

De wetgever vermocht dus redelijkerwijs te bepalen dat ook in dat geval de curator, onder voorbehoud van de veronderstelling dat die fondsen op de geïndividualiseerde rekening van het faillissement zouden mogen worden bewaard, rekening houdend met het maximumbedrag dat erop mag worden gedeponeerd, de sommen verkregen dankzij de tegeldemaking van de in pand gegeven handelszaak in consignatie moet geven.

De opbrengst van de tegeldemaking van de in pand gegeven handelszaak is weliswaar niet direct bestemd om te worden opgenomen in de failliete boedel die zal worden verdeeld onder de schuldeisers van de gefailleerde die tot de samenloop zijn toegelaten. Niettemin zou een oneerlijk of nalatig beheer van de fondsen verkregen door de tegeldemaking van die handelszaak ertoe kunnen leiden dat de aldus geïnde sommen verdwijnen of verminderen, wat een indirecte weerslag zou hebben op de uitdeling van de failliete boedel, dat de pandhoudende schuldeiser, als gevolg van die nalatigheid of oneerlijke handelingen, niet meer volledig kan worden voldaan dankzij de opbrengst van de tegeldemaking van de in pand gegeven handelszaak en als gewone schuldeiser optreedt in de boedel, of dat het saldo van de verkoping van de in pand gegeven handelszaak, dat bestemd is om deel uit te maken van de failliete boedel, lager is dan wat het geweest zou zijn in geval van een voorzichtig en zorgvuldig beheer van die fondsen.

B.9.1. De verwijzende rechter stelt het Hof evenwel de vraag of het redelijkerwijs verantwoord is dat een consignatieverplichting rust op de curator die overgaat tot de tegeldemaking van een in pand gegeven handelszaak, terwijl elke andere vereffenaar van het pand daarvan is vrijgesteld, zelfs wanneer het pand te gelde wordt gemaakt terwijl de schuldenaar in staat van faillissement verkeert.

B.9.2. Wanneer de wetgever, in het bijzonder in een aangelegenheid die uiteenlopende economische belangen betreft, tweemaal de oplossing heeft gekozen die hij het meest gunstig heeft geacht voor het algemeen belang en voor dat van de schuldeisers in het bijzonder, zou het Hof die keuze alleen kunnen afkeuren wanneer die op kennelijk onevenredige wijze afbreuk zou doen aan de belangen van een categorie van personen.

B.9.3. Gelet op de in het geding zijnde belangen kan de keuze van de wetgever om alleen de curator ertoe te verplichten de sommen verkregen door de tegeldemaking van een in pand gegeven handelszaak aan de Deposito- en Consignatiekas te storten, niet als klaarblijkelijk onredelijk worden beschouwd. Weliswaar zou de wetgever de opdracht van de curatoren kunnen vereenvoudigen indien hij hen van die verplichting zou ontslaan, doch hij vermag, in het kader van de doelstelling van de faillissementswetgeving, die in essentie erin bestaat een billijk evenwicht tot stand te brengen tussen de belangen van de schuldenaar en de belangen van de schuldeisers, het belang van de curatoren ondergeschikt te achten aan de in het geding zijnde belangen.

B.9.4. De curator oefent immers een wettelijke opdracht uit die niet beperkt is tot de tegeldemaking van een goed dat de grondslag vormt van een zakelijke zekerheid en waarvan de gevolgen voor de situatie van de gefailleerde, voor die van de schuldeisers, voor de werkgelegenheid en voor de algemene economie vaak van dien omvang zijn dat die niet in alle opzichten kan worden vergeleken met die welke op gerichte wijze door de voorzitter van de rechtbank van koophandel wordt toevertrouwd aan een vereffenaar van een pand op een handelszaak. De curator is, door artikel 51 van de faillissementswet, duidelijk op de hoogte van de verplichting die op hem rust en van de maatregel die de niet-naleving ervan bestraft.

B.9.5. Daaruit blijkt dat artikel 51 van de faillissementswet niet los kan worden gezien van de regeling waarvan het deel uitmaakt, en dat het verschil in behandeling tussen de curatoren en de andere vereffenaars van het pand, zonder dat die categorieën nauwgezet dienen te worden vergeleken, op een objectief en pertinent criterium berust.

Nu de in het geding zijnde bepaling de curator toestaat - zij het, vóór de wetswijziging van 4 september 2002, slechts na uitdrukkelijke machtiging door de rechter-commissaris - een beperkt bedrag op een per faillissement geïndividualiseerde bankrekening te bewaren, dienstig voor de lopende verrichtingen, onder toezicht van de rechter-commissaris die daarvan het maximumbedrag bepaalt, kan zij niet worden geacht onevenredige gevolgen te sorteren. Zoals uiteengezet in B.8, strekt die mogelijkheid immers met name ertoe het mogelijk te maken dat bepaalde bevoorrechte schuldeisers op korte termijn worden betaald (Parl. St., Kamer, B.Z. 1991-1992, nr. 631/1, p. 27).

B.10. De prejudiciële vragen in de zaak nr. 4906 en de tweede en derde prejudiciële vraag in de zaak nr. 4925 dienen ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 51 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 24 maart 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

Henneuse.

begin eer

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen betreffende artikel 51, tweede en derde lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997, gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Handelsrecht

  • Faillissement

  • 1. Opening door de curator van een geïndividualiseerde bankrekening

  • a. Toelating van de rechter-commissaris

  • b. Maximumbedrag dat kan worden gedeponeerd

  • 2. Tegeldemaking door de curator van de in pand gegeven handelszaak

  • Verplichting de verkregen sommen verkregen aan de Deposito- en Consignatiekas te storten.