- Arrest van 30 maart 2011

30/03/2011 - 48/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende,

stelt vast dat het Hof niet bevoegd is om te antwoorden op de prejudiciële vraag.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof, beperkte kamer,

samengesteld uit voorzitter R. Henneuse en de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 14 december 2010 in zake het openbaar ministerie tegen Fabienne Vandervalle, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 21 december 2010, heeft de Politierechtbank te Verviers de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 4 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs de artikelen 10 en 11 van de Belgische Grondwet in zoverre daarin een onderscheid wordt gemaakt tussen de burgers naargelang zij vóór of na 14 februari 1961 zijn geboren, om de enen ervan vrij te stellen en de anderen te verplichten houder te zijn van een rijbewijs klasse A3 om een vierwielig voertuig te besturen dat is uitgerust met een motor met een cilinderinhoud van ten hoogste 50 cm3 voor de motoren met elektrische ontsteking of, voor de andere typen van motoren, met een nettomaximumvermogen van ten hoogste 4 kW en dat naar bouw en motorvermogen, op een horizontale weg, niet sneller kan rijden dan 45 km per uur ? ».

Op 12 januari 2011 hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en T. Merckx-Van Goey, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de voorzitter ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarbij wordt vastgesteld dat de prejudiciële vraag klaarblijkelijk niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort.

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Uit de prejudiciële vraag blijkt dat de verwijzende rechter het Hof een vraag stelt over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van een verschil in behandeling naar gelang van de leeftijd dat zijn oorsprong vindt in artikel 4 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.

B.2. Noch artikel 26, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, noch enige andere grondwettelijke of wettelijke bepaling verleent het Hof de bevoegdheid om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de vraag of de bepalingen van een koninklijk besluit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden.

B.3. Met toepassing van artikel 159 van de Grondwet komt het de rechter toe de bepalingen van een koninklijk besluit die niet in overeenstemming zouden zijn met de in de prejudiciële vraag vermelde grondwetsartikelen, niet toe te passen.

B.4. De prejudiciële vraag behoort dus klaarblijkelijk niet tot de bevoegdheid van het Hof.

Om die redenen,

het Hof, beperkte kamer,

met eenparigheid van stemmen uitspraak doende,

stelt vast dat het Hof niet bevoegd is om te antwoorden op de prejudiciële vraag.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 30 maart 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 4, 10°, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, gesteld door de Politierechtbank te Verviers. Voorafgaande rechtspleging

  • Prejudiciële vraag

  • Klaarblijkelijke niet-bevoegdheid

  • Getoetste norm

  • Koninklijk besluit.