- Arrest van 6 april 2011

06/04/2011 - 52/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

- In de interpretatie volgens welke de artikelen 149, § 1, en 151 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, in de versie zoals gewijzigd bij decreet van 4 juni 2003 en voorafgaand aan de wijziging bij decreet van 27 maart 2009, bepalen dat het voorafgaande eensluidende advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid is vereist voor het instellen van de publieke herstelvordering bij de strafrechter maar niet voor het instellen van die vordering bij de burgerlijke rechter, schenden die bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

- In de interpretatie volgens welke dezelfde artikelen bepalen dat het voorafgaande eensluidende advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid is vereist zowel voor het instellen van de publieke herstelvordering bij de burgerlijke rechter als bij de strafrechter, schenden die bepalingen niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

- De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter M. Melchior, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij vonnis van 19 april 2010 in zake de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur bevoegd voor de provincie Antwerpen tegen de nv « V.E.R.O. », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 26 april 2010, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen de volgende prejudiciële vragen gesteld, waarvan de tweede vraag door het Hof bij beschikking van 10 juni 2010 werd geherformuleerd :

- « Schenden artikel 149, § 1, en 151 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet en artikel 6 E.V.R.M. in zoverre ze zodanig geïnterpreteerd worden dat voor het bevelen van een herstelmaatregel een voorafgaand eensluidend advies van de Hoge Raad voor Herstelbeleid niet vereist is voor de ingestelde herstelvordering bij de burgerlijke rechter en wel voor de strafrechter ? »;

- « Schendt artikel 6.1.1, derde lid, VCRO de artikelen 12 en 14 van de Grondwet en artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre het zodanig geïnterpreteerd wordt dat een reeds verjaard oprichtingsmisdrijf in niet-kwetsbaar gebied, dat niet strafbaar in stand kon worden gehouden ten tijde van haar oprichting, opeens weer strafbaar zou zijn wegens in stand houden, als het perceel later wordt opgenomen in een kwetsbaar gebied ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag

B.1. De verwijzende rechter vraagt of de artikelen 149, § 1, en 151 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : decreet van 18 mei 1999) bestaanbaar zijn met het beginsel van de gelijkheid en niet-discriminatie gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in de interpretatie dat voor het bevelen van een herstelmaatregel een voorafgaand eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid niet is vereist indien de herstelvordering wordt ingesteld bij de burgerlijke rechter, terwijl dat wel wordt vereist bij de strafrechter.

Rekening houdend met het tijdstip van de dagvaarding in het bodemgeschil (6 juni 2008) en aangezien voor de verwijzende rechter de vraag rijst of voorafgaand aan die dagvaarding het advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid was vereist, gaat het Hof ervan uit dat de in het geding zijnde bepalingen die zijn van het decreet van 18 mei 1999 in hun versie zoals gewijzigd bij decreet van 4 juni 2003 en voorafgaand aan de wijziging bij decreet van 27 maart 2009.

In die versie bepaalden de in het geding zijnde bepalingen :

« Art. 149. § 1. Naast de straf kan de rechtbank bevelen de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen. Dit gebeurt op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen op wier grondgebied de werken, handelingen of wijzigingen, bedoeld in artikel 146, werden uitgevoerd. Indien deze inbreuken dateren van [...] is voorafgaand een eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid vereist.

Het eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid moet worden verleend binnen 60 dagen na de aangetekende adviesaanvraag. Wanneer de Hoge Raad voor het Herstelbeleid geen eensluidend advies heeft verleend binnen de gestelde termijn, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.

[...] ».

« Art. 151. De stedenbouwkundige inspecteur en het college van burgemeester en schepenen kunnen ook voor de rechtbank van eerste aanleg, zetelend in burgerlijke aangelegenheden, in het ambtsgebied waarvan de werken, de handelingen of de wijzigingen, bedoeld in artikel 146, geheel of gedeeltelijk worden uitgevoerd, de herstelmaatregelen vorderen zoals omschreven in artikel 149, § 1. De bepalingen van artikel 149, § 1, tweede lid, §§ 3, 4 en 5 en artikel 150 zijn hierop van toepassing ».

In artikel 149, § 1, eerste lid, tweede zin, werden de woorden « voor 1 mei 2000 » vernietigd bij het arrest nr. 14/2005 van 19 januari 2005 van het Hof. Daaruit volgt dat ook voor herstelmaatregelen met betrekking tot latere inbreuken het voorafgaande advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid verplicht is gesteld.

B.2. In de door de verwijzende rechter gegeven interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen wordt ervan uitgegaan dat, wanneer de stedenbouwkundig inspecteur de herstelmaatregel vordert voor de burgerlijke rechter, geen voorafgaand eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid nodig is, terwijl dat wel het geval is wanneer de stedenbouwkundig inspecteur de herstelmaatregel vordert voor de strafrechter.

B.3.1. In die interpretatie ontstaat er een verschil in behandeling tussen de categorie van personen die - zoals de nv « V.E.R.O. » - voor de burgerlijke rechter worden gedagvaard om een herstelmaatregel te horen bevelen en die niet de waarborg genieten dat die vordering steunt op een eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, en de categorie van personen die voor de strafrechter zijn gedaagd en die wel die waarborg genieten.

B.3.2. Niets verantwoordt dat voor het instellen van de herstelvordering door de stedenbouwkundig inspecteur of door het college van burgemeester en schepenen (hierna : de publieke herstelvordering) bij de burgerlijke rechter geen voorafgaand advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid nodig zou zijn, terwijl dat met het oog op een coherent herstelbeleid bij artikel 149, § 1, eerste lid, tweede zin, van het decreet van 18 mei 1999 wel is vereist wanneer de publieke herstelvordering bij de strafrechter wordt ingesteld.

Het verschil in behandeling veroorzaakt door die interpretatie gaat terug op het enkele feit dat artikel 151 van het decreet van 18 mei 1999, dat verwijst naar de artikelen 149, § 1, tweede lid, en volgende van datzelfde decreet, niet is aangepast toen de verplichting om het voorafgaande advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid in te winnen bij decreet van 4 juni 2003 werd ingeschreven in artikel 149, § 1, eerste lid, eerste zin, van het decreet van 18 mei 1999, wat is terug te brengen tot een legistieke vergetelheid.

In de door de verwijzende rechter aangenomen interpretatie zijn de in het geding zijnde bepalingen niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en dient de eerste prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord.

B.3.3. In een andere interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen, die wordt bevestigd door de Vlaamse Regering, moet voorafgaand aan elke publieke herstelvordering het eensluidende advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid worden ingewonnen, ongeacht of die wordt ingeleid bij de burgerlijke rechter dan wel bij de strafrechter, en in dat geval bestaat het aangeklaagde verschil in behandeling niet.

In die interpretatie zijn de in het geding zijnde bepalingen bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en dient de eerste prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord.

B.3.4. Het onderzoek van de in het geding zijnde bepalingen ten aanzien van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, leidt niet tot een ander besluit.

Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag

B.4. De tweede prejudiciële vraag betreft de bestaanbaarheid van artikel 6.1.1, derde lid, van de bij besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 gecoördineerde « Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening » met de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre het zo wordt geïnterpreteerd dat een reeds verjaard oprichtingsmisdrijf met betrekking tot een constructie in ander dan ruimtelijk kwetsbaar gebied, die straffeloos in stand kon worden gehouden na haar oprichting, opeens weer strafbaar zou zijn wegens in stand houden, als het perceel later wordt opgenomen in een ruimtelijk kwetsbaar gebied.

Uit het verwijzingsvonnis blijkt dat met name de vraag rijst of die bepaling zodoende bestaanbaar is met het beginsel van de niet-terugwerking van de strengere strafwet.

B.5. Uit het antwoord op de eerste prejudiciële vraag volgt dat de verwijzende rechter niet de ongrondwettige interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen kan handhaven volgens welke de publieke herstelvordering bij hem zou kunnen worden ingeleid zonder voorafgaand eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, sinds 1 september 2009 de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid.

Het staat aan de verwijzende rechter om de ontvankelijkheid van de voor hem ingeleide publieke herstelvordering te beoordelen in het licht van de interpretatie van die bepalingen die ze wel bestaanbaar maakt met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en om in voorkomend geval te beoordelen of de tweede vraag nog nuttig is voor de oplossing van het geschil.

B.6. De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- In de interpretatie volgens welke de artikelen 149, § 1, en 151 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, in de versie zoals gewijzigd bij decreet van 4 juni 2003 en voorafgaand aan de wijziging bij decreet van 27 maart 2009, bepalen dat het voorafgaande eensluidende advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid is vereist voor het instellen van de publieke herstelvordering bij de strafrechter maar niet voor het instellen van die vordering bij de burgerlijke rechter, schenden die bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

- In de interpretatie volgens welke dezelfde artikelen bepalen dat het voorafgaande eensluidende advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid is vereist zowel voor het instellen van de publieke herstelvordering bij de burgerlijke rechter als bij de strafrechter, schenden die bepalingen niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

- De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 6 april 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen betreffende de artikelen 149, § 1, en 151 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en artikel 6.1.1, derde lid, van de « Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening » (coördinatie van 15 mei 2009), gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen. Bestuursrecht

  • Stedenbouw en ruimtelijke ordening

  • Vlaams Gewest

  • Vordering van herstelmaatregelen

  • Publieke herstelvordering

  • 1. Dagvaarding bij de burgerlijke rechter

  • 2. Dagvaarding bij de strafrechter

  • 3. Voorafgaand eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid.