- Arrest van 6 april 2011

06/04/2011 - 53/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 60, § 3, 3°, b), van de bij koninklijk besluit van 19 december 1939 samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 20 april 2010 in zake Valérie Mauguit tegen de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 28 april 2010, heeft de Arbeidsrechtbank te Luik. de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 60, § 3, 3°, b), van de op 19 december 1939 gecoördineerde wet betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, zoals ontstaan uit artikel 82 van de programmawet van 22 december 1989, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het de kinderen die leven in het gezin dat gevormd wordt door een van hun ouders, rechthebbende in het stelsel van de zelfstandigen, en een partner, rechthebbende in het stelsel van de werknemers, verschillend behandelt naargelang die ouder en die loontrekkende partner al dan niet gehuwd zijn, waarbij het stelsel van de werknemers prioritair is in het eerste geval, terwijl het - voor het eerste kind minder voordelige - stelsel van de zelfstandigen prioritair blijft in het tweede geval ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. Artikel 60, § 3, 3°, b), van de bij koninklijk besluit van 19 december 1939 samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders bepaalt :

« behalve indien, met inachtneming van het bepaalde onder 1°, een recht bestaat op wezenbijslag bij toepassing van de artikelen 56bis of 56quinquies en onverminderd 2°, sluit het recht op kinderbijslag krachtens de bepalingen van voormeld koninklijk besluit van 8 april 1976 ieder ander recht krachtens deze wetten uit :

[...]

b) wanneer het kind deel uitmaakt van een gezin dat samengesteld is uit één of meer rechthebbende zelfstandigen, hetzij de vader, de moeder, stiefvader of stiefmoeder die met één of meer rechthebbenden krachtens deze wetten leeft die niet de vader, de moeder, de stiefvader of de stiefmoeder is; ».

B.1.2. Artikel 60, § 3, 3°, b), van de voormelde samengeordende wetten stelt, in geval van samenloop van rechthebbenden die tot verschillende regelingen behoren, een regel in van voorrang van de regeling voor werknemers wanneer het kind deel uitmaakt van een gezin samengesteld uit een van zijn ouders die rechthebbende is in de regeling voor zelfstandigen en die gehuwd of opnieuw gehuwd is met een persoon die rechthebbende is in de regeling voor werknemers.

B.2. In de aan het Hof voorgelegde vraag wordt het Hof verzocht de situatie van het kind dat leeft in een gezin gevormd door een van zijn ouders die een activiteit als zelfstandige uitoefent en diens echtgenoot die rechthebbende is in de regeling voor werknemers te vergelijken met de situatie van het kind dat leeft in een gezin gevormd door een van zijn ouders die een activiteit als zelfstandige uitoefent en de persoon met wie deze feitelijk samenwoont en die rechthebbende is in de regeling voor werknemers. In het eerste geval geniet het kind, met toepassing van de in het geding zijnde bepaling, kinderbijslag in de regeling voor werknemers, terwijl in het tweede geval de regeling voor zelfstandigen van toepassing blijft. Het Hof spreekt zich niet uit over het geval waarin de partners wettelijk samenwonen.

B.3. De toekenning van kinderbijslag strekt ertoe bij te dragen in de kosten van onderhoud en opvoeding van de kinderen. Zij biedt een gedeeltelijke compensatie voor de toegenomen lasten die door het gezin worden gedragen wanneer het uitbreidt. In dat verband heeft de wetgever ervoor geopteerd een verzekeringssysteem in te voeren dat onderscheiden is georganiseerd naar gelang van het stelsel waartoe de rechthebbende behoort. Op zich is een dergelijke keuze niet discriminerend. Niettemin dient het Hof te onderzoeken of de aan het Hof voorgelegde bepaling een verschil in behandeling in het leven roept dat niet redelijkerwijze zou kunnen worden verantwoord.

B.4.1. Artikel 60, § 3, 3°, ingevoerd bij artikel 33 van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen, heeft een nieuwe versie gekregen in artikel 82 van de programmawet van 22 december 1989. In de memorie van toelichting wordt de doelstelling ervan als volgt aangegeven :

« Het betreft het vaststellen van de voorrangsregeling in geval van samenloop van rechten tussen de regeling voor werknemers en de regeling voor zelfstandigen, wanneer rechthebbenden in die twee regelingen kunnen aangeduid worden.

De andere bepalingen van punt 3 blijven ongewijzigd.

De huidige regels blijven verder toegepast, namelijk dat de regeling waartoe de ouder behoort primeert op deze van degene die niet de ouder is, en dat de regeling die verhoogde bijslag toekent voor een invalide of een wees voorrang geniet » (Parl. St., Kamer, 1989-1990, nr. 975/1, p. 37).

B.4.2. De memorie van toelichting bij dezelfde wet brengt ook in herinnering :

« Men weet dat de kinderbijslag beschouwd wordt als een financiële tussenkomst bij de opvoeding van de kinderen. Er wordt rekening gehouden met de feitelijke toestand van het gezin, waarin het kind wordt opgevoed » (ibid., p. 27).

Met dat doel strekt de wet ertoe sommige verschillen tussen gehuwde en niet-gehuwde koppels op te heffen, met name inzake uitkeringen voor wezen. De memorie van toelichting verklaart dat in de volgende bewoordingen :

« Dit artikel kent het recht op verhoogde kinderbijslag opnieuw toe ten behoeve van de wees wanneer de opnieuw gehuwde overlevende ouder feitelijk van zijn echtgenoot scheidt, voor zover deze scheiding wordt bekrachtigd door een gerechtelijke beschikking. Deze bepaling voert opnieuw de gelijkheid in tussen situaties van gehuwde koppels en deze van niet gehuwde koppels » (ibid., p. 35).

B.4.3. In de parlementaire voorbereiding van de vroegere regels die de wetgever wenste te behouden, wordt aangegeven dat de aangebrachte wijzigingen « [ertoe] strekken [...] deze regeling aan te passen aan de in andere wetgevingen doorgevoerde wijzigingen alsmede aan de maatschappelijke evolutie » (Parl. St., Kamer, 1984-1985, nr. 1194/1, p. 5), en dat de wetgever het « logisch en administratief verantwoord » vond dat een aantal uitzonderingen werden vastgesteld op « de absolute voorrang van de kinderbijslagregeling voor werknemers op deze voor zelfstandigen », met name wanneer het kind deel uitmaakt van het gezin van een zelfstandige (ibid., p. 6).

B.5. Te dezen berust het verschil in behandeling onder kinderen niet op het statuut van zelfstandige van de rechthebbende ouder met wie de kinderen leven, maar op het feit dat de zelfstandige rechthebbende ouder al dan niet gehuwd is met zijn of haar partner die rechthebbende is in de regeling voor werknemers.

In zulk een geval hangt het bepalen van het bedrag van de bijslag waarop het kind recht geeft, af van het al dan niet bestaan van een huwelijksband tussen zijn ouder en de persoon met wie deze het gezin vormt waarin het kind wordt opgevoed.

B.6. Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op het criterium van het al dan niet bestaan van een huwelijksband tussen de volwassenen die het gezin vormen waarin het rechtgevende kind leeft. De juridische toestand van echtgenoten en niet-gehuwde koppels is verschillend, zowel wat de verplichtingen jegens elkaar, als wat hun vermogensrechtelijke toestand betreft. Echtgenoten zijn elkaar hulp en bijstand verschuldigd (artikel 213 van het Burgerlijk Wetboek), zij genieten de bescherming van de gezinswoning en de huisraad (artikel 215 van het Burgerlijk Wetboek), de echtgenoten moeten hun inkomsten bij voorrang besteden aan hun bijdrage in de lasten van het huwelijk (artikel 217 van het Burgerlijk Wetboek), waarin de echtgenoten moeten bijdragen naar vermogen (artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek). Schulden die door een van de echtgenoten worden aangegaan ten behoeve van de huishouding en de opvoeding van de kinderen, verbinden de andere echtgenoot hoofdelijk, behoudens wanneer zij, gelet op de bestaansmiddelen van het gezin, buitensporig zijn (artikel 222 van het Burgerlijk Wetboek).

Die wederzijdse rechten en plichten gelden als zodanig niet voor personen die een feitelijk gezin vormen en die, hoewel zij een levensgemeenschap vormen, tegenover elkaar niet dezelfde juridische verbintenissen hebben aangegaan. Daaruit volgt dat het verschil in behandeling vermeld in de prejudiciële vraag niet kennelijk onredelijk is.

Ten slotte brengt het in het geding zijnde verschil in behandeling geen onevenredige gevolgen met zich mee aangezien het rechtgevende kind niet elke bijslag wordt ontzegd.

B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 60, § 3, 3°, b), van de bij koninklijk besluit van 19 december 1939 samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 6 april 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 60, § 3, 3°, b), van de bij koninklijk besluit van 19 december 1939 samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik. Sociaal recht

  • Sociale zekerheid

  • Kinderbijslag

  • Samenloop van rechthebbenden die tot verschillende stelsels behoren

  • Prioriteit van de loontrekkende rechthebbende

  • Noodzaak van een huwelijksband.