- Arrest van 6 april 2011

06/04/2011 - 55/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

De artikelen 2, 1° en 2°, en 3, § 2, van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij als gevolg hebben dat de beoefenaars van een vrij beroep, alsook de tandartsen en de kinesisten, van het toepassingsgebied van die wet zijn uitgesloten.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 15 juli 2010 in zake Lieve Rombouts tegen Liesbeth De Cock, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 19 juli 2010, heeft de voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen, zitting houdende zoals in kort geding, de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schenden de artikelen 2, 1° en 2°, en 3, § 2, van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming (` W.M.P.C. `), al dan niet gelezen in samenhang met artikel 2, 1°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen en met de artikelen 2, a), b) en d), en 3.1 van de Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet,

- doordat zij de beoefenaars van een vrij beroep uit de toepassing van de W.M.P.C. sluiten, waardoor hun marktpraktijken niet aan de bepalingen van deze wet kan worden getoetst en een vordering tot staking van oneerlijke marktpraktijken voor de Voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg moet worden gebracht, terwijl het marktgedrag van alle andere natuurlijke personen of rechtspersonen die op duurzame wijze een economisch doel nastreven wel aan de normen bepaald door de W.M.P.C. wordt getoetst, en de stakingsvorderingen wat hen betreft voor de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel wordt gebracht ?

- doordat zij de tandartsen en de kinesisten uit de toepassing van de W.M.P.C. sluiten, waardoor hun marktpraktijken niet aan de bepalingen van deze wet kan worden getoetst en een vordering tot staking van oneerlijke marktpraktijken voor de Voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg moet worden gebracht, terwijl het marktgedrag van alle andere ondernemingen die noch koopman zijn in de zin van artikel 1 van het Wetboek van Koophandel, noch onderworpen zijn aan een bij wet opgericht tuchtorgaan aan de normen bepaald door de W.M.P.C. wordt getoetst, en de stakingsvorderingen wat hen betreft voor de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel wordt gebracht ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. De wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming (hierna : WMPC) is, net zoals de richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 « betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad » (hierna : de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken) waarop zij grotendeels is gebaseerd, van toepassing op « ondernemingen ».

Het begrip « onderneming » in de zin van het recht van de Europese Unie omvat ook de beoefenaars van een vrij beroep (HvJ, 12 september 2000, C-180/98-C-184/98, Pavlov e.a., punt 77; HvJ, 19 februari 2002, C-309/99, Wouters e.a., punten 45-49).

B.1.2. In tegenstelling tot voormelde richtlijn, sluit artikel 3, § 2, van de WMPC evenwel de beoefenaars van een vrij beroep, alsook de tandartsen en de kinesisten, uit van haar toepassingsgebied. De « beoefenaar van een vrij beroep » wordt door artikel 2, 2°, van de WMPC gedefinieerd als « elke onderneming die geen koopman is in de zin van artikel 1 van het Wetboek van koophandel en die onderworpen is aan een bij wet opgericht tuchtorgaan ».

B.1.3. De beoefenaars van een vrij beroep zijn daarentegen wel onderworpen aan de bepalingen van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen (hierna : WVB), voor zover zij vallen onder de andersluidende definitie van « vrij beroep » in artikel 2, 1°, van die wet, zijnde « elke zelfstandige beroepsactiviteit die dienstverlening of levering van goederen omvat welke geen daad van koophandel of ambachtsbedrijvigheid is, zoals bedoeld in de wet van 18 maart 1965 op het ambachtsregister en die niet wordt bedoeld in de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, met uitsluiting van de landbouwbedrijvigheden en de veeteelt ».

De WVB is evenwel nog niet aangepast aan de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken. Zij bevat slechts een regeling betreffende misleidende reclame, onrechtmatige bedingen en overeenkomsten op afstand, maar bevat geen algemeen verbod op oneerlijke handelspraktijken, hoewel artikel 5, lid 1, van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken, die diende te worden omgezet vóór 12 juni 2007, dat voorschrijft.

B.2. De prejudiciële vraag heeft betrekking op, enerzijds, de uitsluiting van de beoefenaars van vrije beroepen, de tandartsen en de kinesisten uit het toepassingsgebied van de WMPC en, anderzijds, de daaruit voortvloeiende onbevoegdheid van de voorzitter van de rechtbank van koophandel voor de stakingsvordering wegens oneerlijke marktpraktijken.

In tegenstelling tot wat de Ministerraad betoogt, dienen beide deelvragen samen te worden behandeld, aangezien de onbevoegdheid van de voorzitter van de rechtbank van koophandel tevens een inhoudelijk gevolg heeft. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg kan krachtens artikel 18 van de WVB immers enkel de staking bevelen van een daad die een inbreuk op de bepalingen van die wet uitmaakt en kan zodoende geen toepassing maken van een algemeen verbod op oneerlijke marktpraktijken.

In tegenstelling tot wat de Ministerraad betoogt, kan die lacune in de omzetting van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken niet worden opgevuld door de rechter. Particulieren kunnen uit een niet-omgezette richtlijn immers enkel rechten putten ten aanzien van de overheid, maar niet ten aanzien van andere particulieren (HvJ, 14 juli 1994, C-91/92, Faccini Dori, punt 24). Evenmin kan de rechter een richtlijnconforme interpretatie geven aan hoofdstuk V van de WVB, aangezien de bepalingen van dat hoofdstuk slechts vatbaar zijn voor een interpretatie die met die richtlijn strijdig is.

B.3.1. Volgens een vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie is een onderneming « elke eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd » (HvJ, 23 april 1991, C-41/90, Höfner en Elser, punt 21; HvJ, 16 november 1995, C-244/94, Fédération française des sociétés d'assurances e.a., punt 14; HvJ, 19 februari 2002, C-309/99, Wouters e.a., punt 46).

Een « economische activiteit » is volgens het Hof van Justitie « iedere activiteit bestaande in het aanbieden van goederen en diensten op een bepaalde markt » (HvJ, 16 juni 1987, 118/85, Commissie t. Italië, punt 7; HvJ, 18 juni 1998, C-35/96, Commissie t. Italië, punt 36; HvJ, 19 februari 2002, C-309/99, Wouters e.a., punt 47).

B.3.2. Artikel 2, 1°, van de WMPC definieert de « onderneming » als « elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen ». Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat dit begrip moet worden opgevat in dezelfde zin als het begrip « onderneming » in het nationale en het Europese mededingingsrecht, behoudens voor wat betreft de beoefenaars van vrije beroepen, de tandartsen en de kinesisten (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2340/001, p. 14).

Artikel 2, 6°, van de WMPC definieert het begrip « dienst » als « elke prestatie verricht door een onderneming in het kader van haar professionele activiteit of in uitvoering van haar statutair doel ».

B.4. Ten aanzien van de bescherming van de consument bevinden de beoefenaars van een vrij beroep en de andere ondernemingen zich in voldoende vergelijkbare situaties, aangezien zij beiden in de eerste plaats beogen beroepsmatig te voorzien in hun levensonderhoud. Beide categorieën streven hun economisch doel alleen of in een associatie in de rechtsvorm van een vennootschap na. Beide categorieën dragen de aan de uitoefening van die activiteiten verbonden financiële risico's, omdat zij in geval van een verschil tussen uitgaven en inkomsten zelf het tekort dienen te dragen.

Hoewel de beoefenaars van vrije beroepen zich doorgaans beperken of krachtens hun deontologische codes dienen te beperken tot het leveren van intellectuele diensten, komt het eveneens voor dat zij daden stellen die als daden van koophandel zijn aan te merken. Omgekeerd bestaat de duurzame economische activiteit van verscheidene ondernemingen die geen beoefenaars van een vrij beroep zijn, erin intellectuele diensten aan te bieden.

Ten aanzien van zowel de beoefenaars van een vrij beroep als de andere ondernemingen dient bijgevolg op gelijke wijze hun gedrag op de economische markten in juiste banen te worden geleid, dient de goede werking van het concurrentiespel te worden verzekerd, en dienen de belangen van de concurrenten en de afnemers van goederen en diensten te worden beschermd.

B.5.1. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedures voor verschillende rechtscolleges, is op zich niet discriminerend. Van discriminatie zou slechts sprake kunnen zijn, indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedures gepaard zou gaan met een onevenredige beperking van de rechten van de betrokken partijen.

B.5.2. De vordering tot staking op grond van de artikelen 18 tot 24 van de WVB kan slechts op ontvankelijke wijze worden ingeleid indien zij betrekking heeft op de bepalingen van die wet. Zij kan dus slechts betrekking hebben op misleidende reclame, onrechtmatige bedingen of overeenkomsten gesloten op afstand, maar niet op de andere verboden marktpraktijken in de zin van de WMPC en evenmin op een algemeen verbod op oneerlijke marktpraktijken. De consument en de concurrent beschikken bijgevolg niet over een vordering tot staking indien dergelijke praktijken worden gepleegd door een onderneming die niet onder het toepassingsgebied van de WMPC, maar wel onder het toepassingsgebied van de WVB valt.

B.6.1. In de parlementaire voorbereiding wordt niet uiteengezet waarom het begrip « beoefenaar van een vrij beroep » wordt beperkt tot die vrije beroepen die zijn onderworpen aan een bij wet opgericht tuchtorgaan. Nochtans heeft die beperking als gevolg dat sommige beoefenaars van beroepen die traditioneel als vrij beroep worden beschouwd, toch zijn onderworpen aan de bepalingen van de WMPC en bijgevolg voor de voorzitter van de rechtbank van koophandel kunnen worden aangesproken met een vordering tot staking op grond van het algemene verbod op oneerlijke marktpraktijken, louter op grond van het gegeven dat voor hun beroepscategorie geen bij wet opgericht tuchtorgaan bestaat.

B.6.2. Daarnaast worden twee soorten van beoefenaars van vrije beroepen waarvoor geen bij wet opgericht tuchtorgaan bestaat, te weten de tandartsen en de kinesisten, uitgesloten uit het toepassingsgebied van de WMPC. In de parlementaire voorbereiding wordt die keuze als volgt verantwoord :

« Het wetsontwerp is evenmin van toepassing op tandartsen en kinesisten. Deze beroepscategorieën zijn weliswaar niet onderworpen aan een bij wet opgericht tuchtorgaan, maar worden traditioneel toch tot de vrije beroepen gerekend » (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2340/001, p. 36).

Die motivering kan evenwel niet verklaren waarom de WMPC wel van toepassing is op de andere beroepen die traditioneel tot de vrije beroepen worden gerekend en die niet zijn onderworpen aan een bij wet opgericht tuchtorgaan.

B.7.1. Volgens de Ministerraad is het onderscheid tussen beoefenaars van vrije beroepen en andere ondernemingen verantwoord doordat de beoefenaars van vrije beroepen een zekere maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben, over een eigen deontologie beschikken, en worden gekenmerkt door een hoge graad van onafhankelijkheid en een op discretie steunende vertrouwensrelatie met de cliënt.

B.7.2. Zelfs in de mate waarin die kenmerken en waarden verschillen van die van de ondernemingen die niet onder de definitie van het « vrij beroep » vallen, verantwoorden zij niet dat voor bepaalde door beoefenaars van vrije beroepen verrichte daden niet dezelfde bescherming van de consument en van de concurrent bestaat als onder de WMPC. De Ministerraad toont immers niet aan op welke wijze de toepasselijkheid van de WMPC en de bevoegdheid van de voorzitter van de rechtbank van koophandel de voormelde kenmerken en waarden in het gedrang zouden kunnen brengen.

Zoals ook blijkt uit artikel 3, lid 8, van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken, doet de toepasselijkheid van de WMPC overigens geen afbreuk aan de vestigingsvoorwaarden, de vergunningsregelingen, de deontologische gedragscodes of andere specifieke voorschriften die op de vrije beroepen betrekking hebben om de voormelde kenmerken en waarden te waarborgen.

B.8. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

De artikelen 2, 1° en 2°, en 3, § 2, van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij als gevolg hebben dat de beoefenaars van een vrij beroep, alsook de tandartsen en de kinesisten, van het toepassingsgebied van die wet zijn uitgesloten.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 6 april 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over de artikelen 2, 1° en 2°, en 3, § 2, van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming, gesteld door de voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen. Handelsrecht

  • 1. Misleidende reclame, onrechtmatige bedingen en overeenkomsten op afstand

  • a. Beoefenaars van vrije beroepen

  • b. Vordering tot staking

  • 2. Oneerlijke marktpraktijken

  • a. Beoefenaars van vrije beroepen waarvoor een bij de wet opgericht tuchtorgaan bestaat, tandartsen en kinesisten

  • Uitsluiting

  • b. Vordering tot staking. Europees recht

  • Oneerlijke handelspraktijken

  • Algemeen verbod

  • Richtlijn.