- Arrest van 5 mei 2011

05/05/2011 - 68/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 3, eerste lid, 3°, van het decreet van het Waalse Gewest van 27 mei 2004 tot invoering van een belasting op de afgedankte bedrijfsruimten schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 25 maart 2010 in zake de nv « Moteurs Moës » tegen het Waalse Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 18 juni 2010, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Namen de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 3, 3°, van het Waalse decreet van 27 mei 2004 (B.S. 30 juli 2004) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het de gronden van vrijstelling van de belasting op de afgedankte bedrijfsruimten beperkt tot de afgedankte bedrijfsruimten waarvoor de Waalse Regering de vernieuwingswerken doorvoert, en impliciet de private operatoren die zulke vernieuwingswerken zouden doorvoeren ervan uitsluit ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over artikel 3, eerste lid, 3°, van het decreet van het Waalse Gewest van 27 mei 2004 tot invoering van een belasting op de afgedankte bedrijfsruimten, dat bepaalt :

« Van de belasting vrijgesteld zijn de oppervlakten met betrekking tot :

[...]

3° de afgedankte bedrijfsruimten waarvoor de Waalse Regering bij bemiddeling van een operator de vernieuwingswerken doorvoert;

[...] ».

B.1.2. Het decreet van 27 mei 2004 vervangt het decreet van 19 november 1998, met hetzelfde voorwerp en hetzelfde opschrift. Zoals het decreet van 19 november 1998 strekt het in het geding zijnde decreet van 27 mei 2004 ertoe « op doeltreffende wijze de strijd aan te gaan tegen bedrijfsruimten die een bron van visuele vervuiling zijn ». Het heeft tot doel bij te dragen tot de radicale verdwijning « van de verwaarloosde industrieterreinen of andere terreinen, die investeerders afschrikken en de aantrekkingskracht van Wallonië verminderen » (Parl. St., Waals Parlement, 2003-2004, nr. 699/1, p. 2).

B.1.3. Het decreet voert een belasting in waarvan het belastbaar feit de instandhouding is van een afgedankte bedrijfsruimte die beantwoordt aan de definitie van artikel 2 ervan. Artikel 3 van het decreet stelt bepaalde oppervlakten vrij van de belasting. Artikel 9 ervan voorziet in een mechanisme van opschorting van de opeisbaarheid van de belasting voor de herin te richten sites in de zin van artikel 169, § 1, van het Waalse Wetboek van ruimtelijke ordening, stedenbouw, patrimonium en energie. Dat mechanisme beoogt de bedrijfsruimten « waarvoor vernieuwingswerken worden ondernomen op initiatief van de eigenaar, de houder van een recht van erfpacht of van opstal, of de vruchtgebruiker ». Het doel ervan is « het bestraffen van positieve actie te vermijden » (ibid., p. 3).

B.2.1. De Waalse Regering is van mening dat de vraag geen antwoord behoeft omdat, volgens haar analyse van de feiten van het geschil dat voor de Rechtbank van eerste aanleg te Namen hangende is, de eiseres voor dat rechtscollege in geen geval de mogelijkheid heeft om de vrijstellingsgrond te eisen waarin de bepaling die het voorwerp vormt van de prejudiciële vraag voorziet, vermits zij geen vernieuwingswerken heeft aangevat tijdens de periode waarop de belasting betrekking heeft.

B.2.2. Het staat in de regel aan de rechter die de prejudiciële vraag stelt, te bepalen of zij relevant is om het hem voorgelegde geschil te beslechten. Slechts indien dat klaarblijkelijk niet het geval is, vermag het Hof te beslissen dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft.

B.2.3. Te dezen blijkt uit de bewoordingen van het vonnis waarbij het Hof wordt ondervraagd, dat de verwijzende rechter heeft geoordeeld dat het ontbreken van een vrijstelling van de belasting wanneer een private operator de vernieuwingswerken doorvoert discriminerend zou kunnen zijn. Het antwoord op de prejudiciële vraag is niet klaarblijkelijk irrelevant om het voor de verwijzende rechtsinstantie hangende geschil te beslechten, omdat dit geschil betrekking heeft op een belasting die werd gevestigd voor een bedrijfsruimte waarvoor een concreet plan bestond voor vernieuwingswerken door een private operator.

B.3. In de prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht de situatie te vergelijken van de eigenaars of houders van een zakelijk genotsrecht op een afgedankte bedrijfsruimte waarvoor een private operator de vernieuwingswerken doorvoert, met die van de eigenaar of houder van een zakelijk genotsrecht op een afgedankte bedrijfsruimte waarvoor de Waalse Regering de vernieuwingswerken doorvoert. In het tweede geval wordt de bedrijfsruimte van de in het geding zijnde belasting vrijgesteld, terwijl in het eerste geval het bestaan van een concreet plan voor vernieuwing geen vrijstellingsgrond vormt, aangezien de belasting opeisbaar is tot aan het begin van de vernieuwingswerken.

B.4. In de artikelsgewijze toelichting bij het ontwerp van decreet wordt, met betrekking tot de in het geding zijnde vrijstelling, het volgende gepreciseerd :

« Bij punt 3° worden de afgedankte bedrijfsruimten waarvoor de Waalse Regering, door bemiddeling van een operator, de vernieuwing ten laste neemt, vrijgesteld.

De term ' operator ' heeft betrekking op elke private of openbare operator die de vernieuwing als wettelijke opdracht heeft. De openbare operatoren die voor eigen rekening werken, worden niet beoogd. Niettemin kunnen die laatsten eventueel het voordeel genieten van het mechanisme van opschorting van de belasting, onder de voorwaarden van artikel 9 » (Parl. St., Waals Parlement, 2003-2004, nr. 699/1, p. 2).

Daaruit volgt dat die bepaling geen onderscheid maakt naar gelang van het openbare of private statuut van de operator die de vernieuwingswerken uitvoert. Er wordt daarentegen wel een onderscheid gemaakt, wat het genot van de in het geding zijnde vrijstelling betreft, op grond van het statuut van de persoon die de werken ten laste neemt.

B.5. Het criterium voor het onderscheid tussen de bedrijfsruimten die door de in het geding zijnde bepaling van de belasting worden vrijgesteld en die welke niet ervan worden vrijgesteld, is dus gebaseerd op het statuut van de persoon die de financiële last draagt van de vernieuwingswerken van de afgedankte bedrijfsruimte. Wanneer zij de kosten ten laste neemt die worden teweeggebracht door de vernieuwing van een bedrijfsruimte, heeft de Waalse Regering vooraf een eigendomsrecht over die bedrijfsruimte verkregen. Vermits zij tegelijkertijd de hoedanigheid heeft van belastingheffende overheid en van eigenaar van de site waarvan de instandhouding als afgedankte bedrijfsruimte het belastbare feit van de belasting vormt, bevindt de Waalse Regering zich, ten opzichte van de in het geding zijnde belasting, in een situatie die verschilt van die van de andere openbare of private eigenaars van afgedankte bedrijfsruimten of houders van een zakelijk recht op een afgedankte bedrijfsruimte. Daaruit volgt dat het door de in het geding zijnde bepaling gecreëerde verschil in behandeling op een pertinent criterium berust en niet zonder redelijke verantwoording is.

B.6. Overigens heeft het ontbreken van de mogelijkheid tot vrijstelling van de belasting voor de oppervlakten waarvoor de persoon die de vernieuwingswerken ten laste neemt niet de Waalse Regering is, geen onevenredige gevolgen in zoverre de decreetgever in artikel 9 van het in het geding zijnde decreet heeft voorzien in een mechanisme van opschorting van de opeisbaarheid van de belasting voor de bedrijfsruimten die het voorwerp uitmaken van een besluit van de Regering waarbij wordt beslist dat zij moeten worden heringericht, waarbij dat besluit kan worden genomen op voorstel van meer bepaald de eigenaar of een houder van een zakelijk recht.

B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 3, eerste lid, 3°, van het decreet van het Waalse Gewest van 27 mei 2004 tot invoering van een belasting op de afgedankte bedrijfsruimten schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 5 mei 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 3, eerste lid, 3°, van het decreet van het Waalse Gewest van 27 mei 2004 tot invoering van een belasting op de afgedankte bedrijfsruimten, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Namen. Fiscaal recht

  • Waals Gewest

  • Belasting op de afgedankte bedrijfsruimten

  • Vrijstelling

  • Bedrijfsruimten waarvoor de Waalse Regering de vernieuwingswerken doorvoert.