- Arrest van 5 mei 2011

05/05/2011 - 61/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

De artikelen 1453, 1466 en 1475 en volgende van het Burgerlijk Wetboek schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J. Spreutels en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij vonnis van 22 april 2010 in zake Michel Huwaert tegen de nv « AG Insurance » (voorheen « Fortis Insurance Belgium »), waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 23 april 2010, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Dinant de volgende prejudiciële vragen gesteld :

1. « Zijn de artikelen 1453 en 1466 van het Burgerlijk Wetboek niet strijdig met het voorschrift van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre daaruit een niet-verantwoorde discriminatie blijkt tussen, enerzijds, de echtgenoot die is gehuwd onder het stelsel van de scheiding van goederen - die schadeloos zou kunnen worden gesteld - terwijl zijn echtgenoot een opzettelijke daad heeft gepleegd die van dien aard is dat hem de aan zijn zaakverzekering verbonden verzekeringsdekking wordt ontzegd - en, anderzijds, de echtgenoot die is gehuwd onder het stelsel van de gemeenschap van goederen - aan wie de verzekeringsvergoeding zal worden geweigerd en aan wie in fine het persoonlijke feit dat aan zijn echtgenoot is toe te schrijven, zal worden tegengesteld ? »;

2. « Zijn de artikelen 1453 en 1475 en volgende van het Burgerlijk Wetboek niet in strijd met het voorschrift van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre daaruit een niet-verantwoorde discriminatie blijkt tussen, enerzijds, de echtgenoot die is gehuwd onder het stelsel van de algehele gemeenschap - aan wie het voordeel van het deel van de verzekeringsvergoeding dat, inzake zaakverzekering, hem toekomt, zal worden geweigerd en aan wie dus de door zijn echtgenoot gepleegde opzettelijke daad zal worden tegengesteld - en, anderzijds, de gewone samenwonende of de wettelijk samenwonende - die, hunnerzijds, schadeloos zullen kunnen worden gesteld ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de tweede memorie van de nv « AG Insurance »

B.1. De nv « AG Insurance » heeft op 21 oktober 2010 aan het Hof een memorie gericht met opmerkingen betreffende de memorie van antwoord die op 22 september 2010 door de Ministerraad aan het Hof werd gericht.

Vermits het gaat om een stuk waarin niet is voorzien in de voor het Hof geldende procedureregels, wordt die memorie uit de debatten geweerd.

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen

B.2. Artikel 1453 van het Burgerlijk Wetboek, vervangen bij artikel 2 van de wet van 14 juli 1976 betreffende de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels, bepaalt :

« Komen de echtgenoten overeen dat er tussen hen algehele gemeenschap zal zijn, dan brengen zij al hun tegenwoordige en toekomstige goederen in het gemeenschappelijk vermogen, met uitzondering van die welke van persoonlijke aard zijn en van de rechten die uitsluitend aan de persoon verbonden zijn.

De algehele gemeenschap is gehouden tot al hun schulden ».

Artikel 1466 van het Burgerlijk Wetboek, vervangen bij artikel 2 van de wet van 14 juli 1976, bepaalt :

« Wanneer de echtgenoten bij huwelijkscontract bedingen dat zij gescheiden van goederen zullen zijn, bezit ieder van hen de bevoegdheid van beheer, genot en beschikking alleen, onverminderd de toepassing van artikel 215, § 1; zijn inkomsten en besparingen blijven eigen goed ».

De artikelen 1475 tot 1479 van het Burgerlijk Wetboek vormen titel Vbis (« Wettelijke samenwoning ») van boek III (« Op welke wijze eigendom verkregen wordt ») van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 1475 van het Burgerlijk Wetboek, vervangen bij artikel 2 van de wet van 23 november 1998 tot invoering van de wettelijke samenwoning, bepaalt :

« § 1. Onder ' wettelijke samenwoning ' wordt verstaan de toestand van samenleven van twee personen die een verklaring hebben afgelegd overeenkomstig artikel 1476.

§ 2. Om een verklaring van wettelijke samenwoning te kunnen afleggen, moeten beide partijen voldoen aan de volgende voorwaarden :

1° niet verbonden zijn door een huwelijk of door een andere wettelijke samenwoning;

2° bekwaam zijn om contracten aan te gaan overeenkomstig de artikelen 1123 en 1124 ».

Artikel 1476 van het Burgerlijk Wetboek, vervangen bij artikel 2 van de wet van 23 november 1998, regelt de vorm van de verklaring van wettelijke samenwoning en de modaliteiten volgens welke die samenwoning ophoudt te bestaan.

Artikel 1477 van het Burgerlijk Wetboek, vervangen bij artikel 2 van de wet van 23 november 1998 en vervolgens gewijzigd bij artikel 9 van de wet van 28 maart 2007 « tot wijziging, wat de regeling van het erfrecht van de langstlevende wettelijk samenwonende betreft, van het Burgerlijk Wetboek en van de wet van 29 augustus 1988 op de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit », bepaalt :

« § 1. De bepalingen van dit artikel die de rechten, verplichtingen en bevoegdheden van de wettelijk samenwonenden regelen, zijn van toepassing door het enkele feit van de wettelijke samenwoning.

§ 2. De artikelen 215, 220, § 1, en 224, § 1, 1, zijn van overeenkomstige toepassing op de wettelijke samenwoning.

§ 3. De wettelijk samenwonenden dragen bij in de lasten van het samenleven naar evenredigheid van hun mogelijkheden.

§ 4. Iedere schuld die door een der wettelijk samenwonenden wordt aangegaan ten behoeve van het samenleven en van de kinderen die door hen opgevoed worden, verbindt de andere samenwonende hoofdelijk. Deze is echter niet aansprakelijk voor schulden die, gelet op de bestaansmiddelen van de samenwonenden, buitensporig zijn.

§ 5. De langstlevende wettelijk samenwonende is gehouden tot de verplichting gesteld in artikel 203, § 1, ten aanzien van de kinderen van de vooroverleden wettelijk samenwonende van wie hij niet de vader of de moeder is, binnen de grenzen van hetgeen hij krachtens artikel 745octies, § 1, heeft verkregen uit de nalatenschap van de vooroverledene en van de voordelen die deze hem mocht hebben verleend bij schenking, testament of in de in artikel 1478 bedoelde overeenkomst.

§ 6. Wanneer een wettelijk samenwonende vooroverleden is zonder nakomelingen achter te laten, is zijn nalatenschap aan zijn bloedverwanten in de opgaande lijn die ten tijde van het overlijden behoeftig zijn, levensonderhoud verschuldigd, ten belope van de erfrechten die zij verliezen ten gevolge van giften aan de langstlevende wettelijk samenwonende ».

Artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek, vervangen bij artikel 2 van de wet van 23 november 1998, bepaalt :

« Elk van de wettelijk samenwonenden behoudt de goederen waarvan hij de eigendom kan bewijzen, de inkomsten uit deze goederen en de opbrengsten uit arbeid.

De goederen waarvan geen van beide wettelijk samenwonenden de eigendom kan bewijzen en de inkomsten daarvan worden geacht in onverdeeldheid te zijn.

Indien de overlevende wettelijk samenwonende een erfgenaam is van de vooroverledene, wordt de in het vorige lid bedoelde onverdeeldheid ten aanzien van de erfgenamen met voorbehouden erfdeel als een schenking beschouwd, behoudens tegenbewijs.

Voorts regelen de samenwonenden hun wettelijke samenwoning naar goeddunken door middel van een overeenkomst, voor zover deze geen beding bevat dat strijdig is met artikel 1477, met de openbare orde of de goede zeden, noch met de regels betreffende het ouderlijk gezag en de voogdij, noch met de regels die de wettelijke orde van de erfopvolging bepalen. Die overeenkomst wordt in authentieke vorm verleden voor de notaris en wordt vermeld in het bevolkingsregister ».

Artikel 1479 van het Burgerlijk Wetboek, vervangen bij artikel 2 van de wet van 23 november 1998 en vervolgens gewijzigd bij artikel 5 van de wet van 28 januari 2003 « tot toewijzing van de gezinswoning aan de echtgenoot of aan de wettelijk samenwonende die het slachtoffer is van fysieke gewelddaden vanwege zijn partner en tot aanvulling van artikel 410 van het Strafwetboek », betreft het optreden van de vrederechter indien de verstandhouding tussen de samenwonenden verstoord is.

Ten aanzien van de prejudiciële vragen

B.3.1. Uit de feiten van de aan de verwijzende rechter voorgelegde zaak, de procedurestukken en de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof in de eerste prejudiciële vraag wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de artikelen 1453 en 1466 van het Burgerlijk Wetboek, doordat zij een verschil in behandeling zouden invoeren tussen twee categorieën van echtgenoten die zijn gehuwd met een persoon die opzettelijk de brand heeft veroorzaakt van het onroerend goed waarvan de echtgenoten mede-eigenaar zijn en dat het voorwerp uitmaakt van een door beide echtgenoten gesloten brandverzekeringsovereenkomst : enerzijds, de echtgenoot die is gebonden door een huwelijkscontract dat in een algehele gemeenschap voorziet en, anderzijds, de echtgenoot die is gebonden door een huwelijkscontract dat voorziet in een scheiding van goederen.

Zelfs indien hij niets te maken heeft met de oorzaak van het schadegeval, zou de eerstgenoemde, met toepassing van artikel 8, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, de verzekeraar niet kunnen dwingen om hem zijn gedeelte van de verzekeringsvergoeding te betalen, terwijl de laatstgenoemde, in dezelfde situatie, de verzekeraar wel zou kunnen verplichten om hem die dekking te geven.

B.3.2. Uit de feiten van de aan de verwijzende rechter voorgelegde zaak, de procedurestukken en de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof in de tweede prejudiciële vraag wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de artikelen 1453 en 1475 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, doordat zij een verschil in behandeling zouden invoeren tussen twee categorieën van mede-eigenaars van een onroerend goed dat het voorwerp vormt van een door die laatsten gesloten brandverzekeringsovereenkomst en dat werd vernield door een brand die opzettelijk werd veroorzaakt door de andere mede-eigenaar : enerzijds, de mede-eigenaar die is gebonden door een huwelijkscontract dat voorziet in een algehele gemeenschap en, anderzijds, de mede-eigenaar die zich met de mede-eigenaar die de brandstichter is in een verhouding van « wettelijke samenwoning » of in een verhouding van gewone samenwoning bevindt.

Zelfs indien hij niets te maken heeft met de oorzaak van het schadegeval, zou de eerstgenoemde, met toepassing van artikel 8, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992, de verzekeraar niet kunnen dwingen om hem zijn gedeelte van de verzekeringsvergoeding te betalen, terwijl de laatstgenoemde, in dezelfde situatie, de verzekeraar wel zou kunnen verplichten om hem die dekking te geven.

B.4. De in het geding zijnde bepalingen ontslaan de verzekeraar er niet van zijn dekking te geven aan de eerste categorie van echtgenoten en van mede-eigenaars. Ze voeren het voormelde verschil in behandeling niet in.

B.5. Vermits de twee prejudiciële vragen op een verkeerde lezing van die bepalingen berusten, dienen zij ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

De artikelen 1453, 1466 en 1475 en volgende van het Burgerlijk Wetboek schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 5 mei 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

R. Henneuse

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen betreffende de artikelen 1453, 1466 en 1475 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Dinant. Verzekeringsrecht

  • Brandverzekering

  • Schadevergoeding

  • Brand opzettelijk veroorzaakt door een van de mede-eigenaars. # Burgerlijk recht

  • 1. Huwelijk

  • 2. Wettelijke samenwoning.