- Arrest van 5 mei 2011

05/05/2011 - 63/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 136 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in samenhang gelezen met de artikelen 257 en 258 ervan zoals zij in het Waalse Gewest van toepassing zijn, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het de alleenstaande belastingplichtige, die zijn kinderen op gelijkmatig gedeelde wijze huisvest, onder geen enkele voorwaarde de mogelijkheid biedt om een gedeeltelijke vermindering van de onroerende voorheffing te genieten in verband met het onroerend goed dat hij betrekt.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 17 mei 2010 in zake Philippe Dodion tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 28 mei 2010, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 136 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, in die zin geïnterpreteerd dat het hoe dan ook uitgesloten is dat de kinderen van gescheiden ouders op fiscaal vlak tegelijkertijd ten laste worden genomen door de beide ouders, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en meer in het bijzonder het beginsel van gelijkheid van de Belgen, in zoverre het personen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden verschillend behandelt, zijnde de ouder die zijn kinderen daadwerkelijk ten laste neemt en bij wie ze zijn gedomicilieerd en de ouder die zijn kinderen daadwerkelijk ten laste neemt en bij wie ze niet zijn gedomicilieerd ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. Zoals het op het hangende geschil voor de verwijzende rechter van toepassing is, bepaalt artikel 136 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : WIB 1992) :

« Als ten laste van de belastingplichtigen worden aangemerkt, mits zij deel uitmaken van hun gezin op 1 januari van het aanslagjaar en zij persoonlijk in het belastbare tijdperk geen bestaansmiddelen hebben gehad die meer dan 2.660,00 EUR [...] netto bedragen :

1° hun kinderen;

[...] ».

B.1.2. Zoals het in het Waalse Gewest van toepassing is, bepaalt artikel 257 van het WIB 1992 :

« Op aanvraag van de belanghebbende wordt verleend :

[...]

3° een vermindering van onroerende voorheffing in verband met het onroerend goed dat wordt betrokken door het hoofd van een gezin met ten minste twee kinderen in leven of met een in de zin van artikel 135, eerste lid, gehandicapte persoon.

Die vermindering bedraagt 250 euro voor iedere gehandicapte persoon ten laste, met inbegrip van de echtgenoot of de wettelijk samenwonende, en 125 euro voor ieder niet-gehandicapt kind ten laste, vermenigvuldigd met de breuk 100/(100 + bovenop de onroerende voorheffing totaal opcentiemen bepaald door de gemeente, de agglomeratie en de provincie waar het door het gezinshoofd betrokken onroerend goed gelegen is);

Een kind dat gedurende de veldtochten 1914-1918 of 1940-1945 als militair, weerstander, politiek gevangene of burgerlijk oorlogsslachtoffer overleden of vermist is, wordt meegerekend alsof het in leven was;

[...] ».

B.1.3. Zoals het in het Waalse Gewest van toepassing is, bepaalt artikel 258, tweede lid, van het WIB 1992 :

« De verminderingen bepaald bij artikel 257, 1° tot 3°bis, mogen slechts betrekking hebben op één enkele woning, die eventueel door belanghebbende aangewezen moet worden ».

B.2.1. De verwijzende rechter stelt het Hof een vraag over de bestaanbaarheid van artikel 136 van het WIB 1992 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre die bepaling, indien zij in die zin wordt geïnterpreteerd dat zij het niet mogelijk maakt dat de kinderen van gescheiden ouders op fiscaal vlak tegelijkertijd ten laste worden genomen door hun beide ouders, een verschil in behandeling teweegbrengt tussen de ouders die hun kinderen ten laste hebben naargelang die laatsten al dan niet bij hen zijn gedomicilieerd.

Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het geschil voor de verwijzende rechter betrekking heeft op de weigering van de belastingadministratie om aan de eiser voor de verwijzende rechter de vermindering van de onroerende voorheffing voor kinderen ten laste toe te kennen aangezien de kinderen, die hij op gelijkmatig verdeelde wijze huisvest, bij zijn ex-echtgenote zijn gedomicilieerd.

B.2.2. Daaruit volgt dat het aangevoerde verschil in behandeling niet zijn oorsprong vindt in artikel 136 van het WIB 1992, maar in de artikelen 257 en 258 van hetzelfde Wetboek, die betrekking hebben op de vermindering van de onroerende voorheffing voor kinderen ten laste. Het verschil in behandeling vloeit echter enkel uit die bepalingen voort indien zij in samenhang worden gelezen met de in artikel 136 van het WIB 1992 vervatte definitie van « kinderen ten laste », wanneer die definitie van toepassing is op de berekening van de onroerende voorheffing.

Hoewel het begrip « gezin », waarop een beroep wordt gedaan bij het bepalen van wat onder « kinderen ten laste » moet worden verstaan, in beginsel een feitelijk begrip is (Cass., 12 maart 2010, F.09.0023.F), kan, volgens de verwijzende rechter, met betrekking tot een afwisselende huisvesting, het gebruik van het begrip « woonplaats » om vast te stellen ten laste van welke ouder het kind in aanmerking moet worden genomen, echter toch doorslaggevend zijn. Zulks is te dezen het geval, aangezien geen enkele overeenkomst tussen de partijen is gesloten over de fiscale tenlasteneming van de kinderen en er evenmin een relevante rechterlijke beslissing ter zake bestaat.

B.2.3. Het is in die interpretatie dat het Hof op de prejudiciële vraag antwoordt.

B.3.1. In zijn verwijzingsbeslissing heeft de verwijzende rechter het uitdrukkelijk over artikel 132bis van het WIB 1992 dat gescheiden ouders de mogelijkheid biedt om de toeslag op belastingvrije sommen voor kinderen ten laste onder elkaar te verdelen.

Sedert de wijziging ervan bij artikel 279 van de wet van 27 december 2006 bepaalt dat artikel :

« De toeslagen bedoeld in artikel 132, eerste lid, 1° tot 6°, worden verdeeld over twee belastingplichtigen die geen deel uitmaken van hetzelfde gezin maar samen het ouderlijk gezag uitoefenen over één of meer kinderen ten laste die recht geven op de bovenvermelde toeslagen en waarvan de huisvesting gelijkmatig is verdeeld over de beide belastingplichtigen :

- hetzij op grond van een geregistreerde of door een rechter gehomologeerde overeenkomst waarin uitdrukkelijk is vermeld dat de huisvesting van die kinderen gelijkmatig is verdeeld over beide belastingplichtigen en dat zij bereid zijn de toeslagen op de belastingvrije som voor die kinderen te verdelen;

- hetzij op grond van een rechterlijke beslissing waarin uitdrukkelijk is vermeld dat de huisvesting van die kinderen gelijkmatig is verdeeld over beide belastingplichtigen.

In dat geval worden de toeslagen bedoeld in artikel 132, eerste lid, 1° tot 5°, waarop die kinderen recht geven, en die worden vastgesteld ongeacht of er al dan niet andere kinderen zijn in het gezin waarvan ze deel uitmaken, voor de helft toegekend aan elk van de belastingplichtigen.

In het geval bedoeld in het eerste lid wordt de in artikel 132, eerste lid, 6° bedoelde toeslag, voor de helft toegekend aan de belastingplichtige die geen aftrek vraagt van de uitgaven voor kinderoppas bedoeld in artikel 104, 7°.

Een afschrift van de rechterlijke beslissing of de overeenkomst bedoeld in het eerste lid, moet ter beschikking van de administratie worden gehouden zolang minstens één van de kinderen waarover het ouderlijk gezag gezamenlijk wordt uitgeoefend en waarvan de huisvesting gelijkmatig is verdeeld, recht geeft op de in dit artikel bedoelde toeslagen.

Dit artikel is slechts van toepassing indien uiterlijk op 1 januari van het aanslagjaar de in het eerste lid bedoelde overeenkomst is geregistreerd of gehomologeerd of de in het eerste lid bedoelde rechterlijke beslissing is genomen.

Dit artikel is niet van toepassing op de in de eerste lid bedoelde toeslagen met betrekking tot een kind waarvoor onderhoudsuitkeringen als bedoeld in artikel 104, 1°, worden afgetrokken door één van de hierboven bedoelde belastingplichtigen ».

B.3.2. Krachtens artikel 3, eerste lid, 5°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten is de onroerende voorheffing een gewestelijke belasting.

Zoals het bij de bijzondere wet van 13 juli 2001 is vervangen, bepaalt artikel 4, § 2, van dezelfde bijzondere wet :

« De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 5°, bedoelde belasting te wijzigen. Het federaal kadastraal inkomen kunnen ze echter niet wijzigen. Het gezamenlijk beheer van de gegevens van de patrimoniale documentatie gebeurt bij wege van een samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, § 3 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen ».

B.3.3. De bevoegdheid van vrijstelling die aan de gewesten ten aanzien van de onroerende voorheffing is toegekend, is in artikel 4, § 2, van de bijzondere financieringswet in algemene bewoordingen omschreven. Hierbij wordt geen voorbehoud gemaakt naar gelang van de technieken van vrijstelling die worden aangewend, voor zover de eenvormige wijze van vaststelling van de kadastrale inkomens niet in het geding wordt gebracht.

Om niet zonder inhoud te zijn, moet die bevoegdheid ook het bepalen van de gevallen waarin vrijstellingen toepasselijk zijn, omvatten.

Daaruit volgt dat het aan de gewestelijke wetgever staat de voorwaarden vast te stellen waaronder een vermindering van de onroerende voorheffing kan worden toegekend. Het behoort bijgevolg tot zijn bevoegdheid te bepalen of er aanleiding bestaat om de vermindering van de onroerende voorheffing voor kinderen ten laste te verdelen tussen de gescheiden ouders die hun kinderen op gelijkmatig verdeelde wijze huisvesten.

B.3.4. Bijgevolg kan enkel de omstandigheid dat de federale wetgever, in artikel 132bis van het WIB 1992, heeft voorzien in een mechanisme van verdeling van de belastingvrije som tussen de gescheiden ouders die samen het ouderlijk gezag uitoefenen en hun kinderen op gelijkmatig verdeelde wijze huisvesten, het bestaan van een verschil in behandeling dat onbestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, niet aantonen.

Het betreft immers een verschil in behandeling dat zijn oorsprong vindt in de toepassing van normen van verschillende wetgevers bij de uitoefening van hun eigen bevoegdheden. Een zodanig verschil kan op zich niet worden geacht strijdig te zijn met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Onverminderd de mogelijke toepassing van het evenredigheidsbeginsel bij de bevoegdheidsuitoefening, heeft de autonomie die bij artikel 4, § 2, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 aan de gewesten is toegekend, geen betekenis indien in analoge aangelegenheden een verschil in behandeling tussen adressaten van, enerzijds, federale regels en, anderzijds, gewestelijke regels als zodanig strijdig wordt geacht met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie.

B.4.1. De in het geding zijnde bepaling vindt haar oorsprong in artikel 41, § 4, van de wet van 20 november 1962 « houdende hervorming van de inkomstenbelastingen », dat bepaalde :

« Op aanvraag van de belanghebbende wordt verleend :

[...]

3° een vermindering, gelijk aan 10 % per kind ten laste, van de onroerende voorheffing in verband met het onroerend goed dat wordt betrokken door het hoofd van een gezin met ten minste twee kinderen in leven [...] ».

Tijdens de parlementaire voorbereiding van die wet werd verduidelijkt dat « de last [...] veel zwaarder [wordt] vanaf het tweede kind » (Parl. St., Kamer, 1961-1962, nr. 264/42, p. 180).

B.4.2. Het belastingvoordeel dat artikel 257, 3°, biedt, heeft tot doel de belastingplichtigen te helpen die de financiële last van hun kinderen dragen. Bijgevolg verantwoordt het loutere gegeven dat die laatsten geen deel zouden uitmaken van het gezin van een alleenstaande belastingplichtige - zoals, te dezen, de uit de echt gescheiden vader - omdat zij niet bij hem zouden zijn gedomicilieerd, niet dat dat voordeel die belastingplichtige onder geen enkele voorwaarde gedeeltelijk ten goede kan komen, wanneer beide ouders op gelijke wijze instaan voor de last van de kinderen, waarbij beiden hun kinderen werkelijk en op gelijkmatig verdeelde wijze huisvesten.

B.5. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 136 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in samenhang gelezen met de artikelen 257 en 258 ervan zoals zij in het Waalse Gewest van toepassing zijn, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het de alleenstaande belastingplichtige, die zijn kinderen op gelijkmatig gedeelde wijze huisvest, onder geen enkele voorwaarde de mogelijkheid biedt om een gedeeltelijke vermindering van de onroerende voorheffing te genieten in verband met het onroerend goed dat hij betrekt.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 5 mei 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 136 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik. Fiscaal recht

  • Inkomstenbelastingen

  • Waals Gewest

  • Onroerende voorheffing

  • Vermindering

  • Kinderlast

  • Woonplaats van het kind.