- Arrest van 5 mei 2011

05/05/2011 - 67/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

De prejudiciële vragen zijn onontvankelijk.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij vonnis van 7 juni 2010 in zake het openbaar ministerie tegen de bvba « Infinity », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 11 juni 2010, heeft de Politierechtbank te Vilvoorde de volgende prejudiciële vragen gesteld :

1. « Is de toepassing van de artikelen 41 en 63, par. 1, van het Vlaams Decreet van 20 april 2001 [betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg] niet in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in de mate dat (rechts)personen die hun exploitatiezetel in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest hebben in de mogelijkheid [lees : onmogelijkheid] verkeren om een vergunning aan te vragen voor het verhuren van voertuigen met bestuurders en de vergunning die hen door hun eigen gewest wordt afgeleverd enkel geldig is in het Vlaams Gewest voor zover de reizigers niet in- of uitstappen in het Vlaams Gewest ? »;

2. « Is de toepassing van de artikelen 41 en 63, par. 1, van het Vlaams Decreet van 20 april 2001 niet in strijd met de bijzondere wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980, die in artikel 6, par. 1 (...), VI. Wat de economie betreft : in de mate dat de (rechts)personen die hun exploitatiezetel in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest hebben in de onmogelijkheid verkeren om een vergunning aan te vragen voor het verhuren van voertuigen met bestuurders en de vergunning die hen door hun eigen gewest wordt afgeleverd enkel geldig is in het Vlaams Gewest voor zover de reizigers niet in- of uitstappen in het Vlaams Gewest ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. De prejudiciële vragen betreffen de artikelen 41 en 63, § 1, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 20 april 2001 betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg.

B.1.2. Artikel 41 van het voormelde decreet van 20 april 2001 bepaalt :

« § 1. Niemand mag, zonder vergunning, een dienst voor het verhuren van voertuigen met bestuurder op het grondgebied van het Vlaamse Gewest exploiteren door middel van één of meer voertuigen.

§ 2. De vergunning wordt afgeleverd door de gemeente op wiens grondgebied de exploitatiezetel van de kandidaat-vergunninghouder gevestigd is en is geldig op het grondgebied van het Vlaamse Gewest.

§ 3. De Vlaamse regering bepaalt de voorwaarden waaronder een vergunning, afgeleverd door een ander Gewest, erkend wordt voor het grondgebied van het Vlaamse Gewest ».

B.1.3. Artikel 63, § 1, van hetzelfde decreet bepaalde, vóór het met ingang van 16 juli 2009 werd vervangen bij artikel 17 van het decreet van 8 mei 2009 tot wijziging van het decreet van 20 april 2001 betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg :

« Onverminderd de eventuele schadevergoeding wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van 500 euro tot 10.000 euro, of met een van deze straffen alleen, degene die zonder vergunning, respectievelijk overeenkomst of attest een dienst voor geregeld vervoer, een dienst voor bijzonder geregeld vervoer zoals bedoeld in artikel 19, § 1 exploiteert, of aan vervoer voor eigen rekening doet zoals bedoeld in artikel 23, een taxidienst of een dienst voor het verhuren van wagens met bestuurder exploiteert ».

B.2. Het verwijzende rechtscollege vraagt of « de toepassing » van die bepalingen bestaanbaar is, enerzijds, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en, anderzijds, met artikel 6, § 1, VI, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, in zoverre een onderneming waarvan de exploitatiezetel in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is gevestigd, niet een vergunning kan aanvragen voor het verhuren van voertuigen met bestuurder en de door het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest uitgereikte vergunning enkel wordt erkend voor het grondgebied van het Vlaamse Gewest voor zover er geen reizigers in- of uitstappen op het grondgebied van het Vlaamse Gewest.

B.3. Uit de wijze waarop de prejudiciële vragen zijn geformuleerd blijkt dat het Hof niet wordt ondervraagd over wetskrachtige normen zelf, doch wel over de toepassing ervan, wat niet tot zijn bevoegdheid behoort.

B.4.1. In zoverre het verwijzende rechtscollege het Hof ondervraagt over het feit dat een door het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest uitgereikte vergunning enkel wordt erkend voor het grondgebied van het Vlaamse Gewest voor zover er geen reizigers in- of uitstappen op het grondgebied van het Vlaamse Gewest, viseren de prejudiciële vragen in werkelijkheid artikel 49bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder. Die bepaling, zoals ingevoegd bij artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004, luidde :

« Een vergunning die is uitgereikt door een ander gewest is geldig voor het grondgebied van het Vlaamse Gewest voorzover er geen reizigers in- of uitstappen op het grondgebied van het Vlaamse Gewest ».

Het voormelde artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 mei 2004 werd bij het arrest nr. 147.392 van 7 juli 2005 vernietigd door de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

B.4.2. Het Hof is niet bevoegd de bepalingen van een besluit van de Vlaamse Regering te toetsen.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

De prejudiciële vragen zijn onontvankelijk.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 5 mei 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen over de artikelen 41 en 63, § 1, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 20 april 2001 betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg, gesteld door de Politierechtbank te Vilvoorde. Rechtspleging

  • Prejudiciële vraag

  • Niet-bevoegdheid

  • Getoetste norm

  • 1. Toepassing van de norm

  • 2. Besluit van de Vlaamse Regering.