- Arrest van 12 mei 2011

12/05/2011 - 69/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende,

stelt vast dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof, beperkte kamer,

samengesteld uit voorzitter R. Henneuse en de rechters-verslaggevers P. Nihoul en E. De Groot, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij beschikking van 8 maart 2011 in zake het openbaar ministerie tegen Antoine Varlet, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 11 maart 2011, heeft de Politierechtbank te Nijvel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schenden de bepalingen van artikel 55bis van het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, zoals ingevoegd bij de wet van 20 juli 2005, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, aangezien zij elk beroep ontzeggen aan de persoon ten aanzien van wie een beslissing tot verlenging van de intrekking van het rijbewijs is genomen, die zesmaal zwaarder kan zijn dan de oorspronkelijke beslissing, terwijl een persoon die van zijn vrijheid is beroofd, wel over een dergelijk beroep beschikt ? ».

Op 24 maart 2011 hebben de rechters-verslaggevers P. Nihoul en E. De Groot, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de voorzitter ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarbij wordt vastgesteld dat de prejudiciële vraag klaarblijkelijk niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort.

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 55bis van de op 16 maart 1968 gecoördineerde wetten betreffende de politie over het wegverkeer, ingevoegd bij artikel 16 van de wet van 20 juli 2005 « tot wijziging van de gecoördineerde wetten van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer », bepaalt :

« § 1. De procureur des Konings kan een beschikking tot verlenging van de intrekking met ten hoogste drie maanden vorderen voor de politierechtbank.

Tussen de datum van de dagvaarding en de datum van verschijning moet een termijn van ten minste zeven dagen gelaten worden.

Artikel 146, tweede en derde lid, van het Wetboek van strafvordering is van toepassing.

Onverminderd de wettelijke bepalingen bevat de dagvaarding tevens een opgave van de feiten die de gedaagde in die stand van het onderzoek ten laste worden gelegd.

§ 2. De politierechtbank doet uitspraak in openbare terechtzitting binnen vijftien dagen na de beslissing tot intrekking door het openbaar ministerie.

De beschikking tot verlenging van de intrekking vermeldt nauwkeurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de feiten die de gedaagde in die stand van het onderzoek ten laste worden gelegd en de redenen waarom de rechter de intrekking door de procureur des Konings verlengt.

De beslissing over de kosten wordt aangehouden teneinde er over te beslissen overeenkomstig artikel 162 van het Wetboek van strafvordering.

Tegen deze beschikking tot verlenging van de intrekking is enkel verzet mogelijk overeenkomstig artikel 187, eerste tot vierde lid, van het Wetboek van strafvordering.

Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van de beslissing tot intrekking niet.

§ 3. De politierechter belast met de behandeling ten gronde, is niet gebonden door de omschrijving van de feiten zoals weerhouden naar aanleiding van de aflevering van de beschikking tot verlenging van de intrekking.

§ 4. In afwijking van § 1 kan de procureur des Konings of, bij delegatie, een officier van gerechtelijke politie, op het ogenblik van de intrekking, de dader van de overtreding oproepen om te verschijnen voor de politierechtbank of de correctionele rechtbank binnen een termijn van vijftien dagen.

Hij stelt hem in kennis van de beslissing een beschikking tot verlenging van de intrekking te vorderen, geeft een opgave van de feiten die hem ten laste worden gelegd alsook de plaats, de dag en het uur van de zitting van de politierechtbank en deelt hem mede dat hij het recht heeft een advocaat te kiezen.

Deze kennisgeving en mededeling worden in een proces-verbaal vermeld, waarvan hem onmiddellijk een kopie wordt overhandigd.

Deze kennisgeving geldt als dagvaarding om voor de politierechtbank te verschijnen.

§ 5. De procureur des Konings kan ten laste van de dader van de overtreding een beschikking tot hernieuwing van de verlenging met ten hoogste drie maanden vorderen bij de politierechtbank.

Hij dagvaardt de betrokkene overeenkomstig § 1 ten laatste vijftien dagen vóór het verstrijken van de termijn van de aanvankelijke beschikking.

§ 6. De politierechtbank doet in openbare terechtzitting uitspraak overeenkomstig §§ 2 en 3 vóór het verstrijken van de aanvankelijke beschikking tot verlenging.

§ 7. In afwijking van § 6 en op voorwaarde dat de procureur des Konings voor diezelfde zitting ten gronde heeft gedagvaard, kan de politierechtbank onmiddellijk kennis nemen van de grond van de zaak ».

B.2. In de regel kan het Hof niet de wetsbepalingen vaststellen die toepasselijk zijn op het hangende geschil voor de verwijzende rechter.

Wanneer de prejudiciële vraag evenwel betrekking heeft op een bepaling die kennelijk niet op dat geschil kan worden toegepast, onderzoekt het Hof de grondwettigheid ervan niet.

B.3.1. Het staat niet aan een rechtscollege dat nog geen uitspraak heeft gedaan over de vordering die erbij aanhangig is gemaakt, wetsbepalingen toe te passen die vaststellen in welke mate rechtsmiddelen openstaan tegen de beslissing die het nog niet heeft genomen.

B.3.2. De prejudiciële vraag slaat te dezen op de voormelde bepaling in zoverre zij betrekking heeft op het vaststellen van de rechtsmiddelen waarover de persoon zou beschikken op wie de verlenging van een maatregel tot intrekking van een rijbewijs, waartoe bij beschikking van de politierechtbank is besloten, betrekking heeft.

Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de verwijzende rechter wordt verzocht zich uit te spreken over een vordering tot verlenging van een intrekking van een rijbewijs waartoe door de procureur des Konings is besloten, en dat hij nog geen uitspraak over die vordering heeft gedaan.

Het staat dus niet aan de verwijzende rechter de in het geding zijnde bepaling toe te passen, in zoverre zij zou vaststellen over welke rechtsmiddelen die persoon zou beschikken tegen een eventuele beschikking tot verlenging.

B.4. In die mate is de in het geding zijnde bepaling dus klaarblijkelijk niet van toepassing op het hangende geschil voor de verwijzende rechter, zodat het niet aan het Hof staat de grondwettigheid ervan te onderzoeken.

Om die redenen,

het Hof, beperkte kamer,

met eenparigheid van stemmen uitspraak doende,

stelt vast dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 12 mei 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 55bis van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968, zoals ingevoegd bij de wet van 20 juli 2005, gesteld door de Politierechtbank te Nijvel. Strafrechtspleging

  • Beslissing van verlenging van een intrekking van rijbewijs

  • Rechtsmiddelen.